Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet is uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten.
als de op 27 april 2009 afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte]:
(blz. 26) Het klopt dat ik in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 18 augustus 2008 een totaalbedrag van € 33.142,22 heb ontvangen van de [B] b.v. te Rotterdam op de zakelijke bankrekening van mijn onderneming [A] b.v. bij de ING Bank met het rekeningnummer [001]. Een man vroeg of hij van mijn bedrijfsrekening gebruik mocht maken om geld op te storten. Ik gaf hem mijn visitekaartje van mijn bedrijf.
Ik had met de man afgesproken dat ik van dat bedrag 30% voor mijzelf kon houden. Zeg maar een soort "fee". Als u zegt dat ik zodoende een bedrag van € 9.942,66 heb ontvangen is dat zeer goed mogelijk.
Het geld heb ik voor het grootste deel verzopen.
als de op 16 september 2008 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Ik ben namens de benadeelde [B] B.V. te Rotterdam gerechtigd tot het doen van aangifte van oplichting.
(Blz. 11): Tijdens een controle van de verlies en win (hof: winst) rekening bleek dat voor het bedrijf [C] Co een totaal bedrag van € 33.142,22 was geboekt aan facturen. De bedragen waren reeds door ons betaald op bankrekeningnummer [001].
(Blz. 12): Een medewerkster van de Fortisbank heeft ons meegedeeld dat dit rekeningnummer toebehoort aan een bedrijf genaamd [A], gevestigd aan de [a-straat 1] te Leeuwarden. Het telefoonnummer dat vermeld stond op de debiteurenkaart van dit bedrijf was een niet bestaand nummer. Het adres dat op de kaart stond bleek een niet bestaand adres te zijn.
(Blz. 12-13): Ik vermoed dat een medewerker van ons bedrijf, [betrokkene 2] zich het geld, dat in eigendom toebehoort aan het bedrijf [B] B.V. zich opzettelijk heeft toegeëigend.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd, het ter terechtzitting gedane voorwaardelijke getuigenverzoek heeft afgewezen.
derde middelbehelst de klacht dat het rechtsgevolg dat het hof aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verbonden, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het hof, door te overwegen dat de redelijke termijn op onderdelen is overschreden, niet de termijnoverschrijding in haar geheel, afgezet tegen de totale duur van de ontnemingsprocedure, heeft berekend en daarop het rechtsgevolg heeft afgestemd.
1. de veroordeelde kon aan het politieverhoor d.d. 27 april 2009 in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem in geval van een veroordeling ter zake van oplichting een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt en de behandeling van de ontnemingszaak ter terechtzitting is met een vonnis afgerond op 18 april 2012;
2. het hoger beroep is op 20 april 2012 ingesteld en de stukken van het geding zijn eerst op 18 december 2014 ter griffie van het hof ontvangen;
3. de veroordeelde heeft op 20 april 2012 hoger beroep ingesteld en het geding in hoger beroep zal met een einduitspraak zijn afgerond op 15 maart 2016.