Conclusie
Nummer22/04083 P
Inleiding
De strafzaak en de ontnemingszaak
medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro.
ter zake van "medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft” veroordeeld tot straf.
” bevestigend beantwoord.
. Ten tijde van het vestigen van de hypotheek was die vordering nihil. [G] had immers geen eigen vermogen en derhalve ook geen vordering op [B] B.V.. Het hof stelt vast dat ook de verdediging op geen enkele wijze heeft aangetoond dat een dergelijke vordering alstoen bestond. Hieruit volgt dat door het vestigen van de hypotheek het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aan de veroordeelde en de medeveroordeelde is komen te ontvallen, eenvoudig gezegd: zij beschikten nog steeds over de verduisterde gelden.
”.
Het eerste middel
niet één op één gelijk kan worden getrokken” met een bedrag dat indirect ten goede komt aan die vennootschap, aldus de steller van het middel.
beneficial owner’) is en hem feitelijk de zeggenschap daarover en het genot daarvan toekomt. In zo’n geval moet de schijn plaatsmaken voor de werkelijkheid. Vermeden moet worden dat wederrechtelijk voordeel door de toepassing van schijnconstructies buiten het bereik van een ontnemingsmaatregel wordt gehouden.
nietwordt vereenzelvigd met dat van de natuurlijke persoon, maar waarin op feitelijke gronden wordt aangenomen dat het voordeel dat ogenschijnlijk de vermogenspositie van de rechtspersoon heeft verbeterd in werkelijkheid rechtstreeks de achterman heeft verrijkt. [9] Er is bijvoorbeeld, om de identiteit van de werkelijke begunstigde te verhullen, een valse factuur opgesteld op naam van een rechtspersoon en er is bij de betaling daarvan – bij wijze van doorgeefluik – gebruikgemaakt van een bankrekening op naam van de rechtspersoon, terwijl het voordeel voortvloeit uit strafbare feiten die (mede) zijn begaan door een natuurlijke persoon die zonder meer en volledig is komen te beschikken over de vermogensbestanddelen die het voordeel vertegenwoordigen. [10]
rolvan de rechtspersoon bij het realiseren van de bevoordeling aangezien die er louter toe strekte om de werkelijkheid te verhullen. Hier is dus geen sprake van vereenzelviging, maar van de vaststelling dat het voordeel ogenschijnlijk via de rechtspersoon, maar in werkelijkheid zonder meer en volledig ter beschikking is gekomen van een natuurlijke persoon die dit voordeel vrijelijk te eigen bate kan aanwenden. [11]
De bespreking van het eerste middel
via Costa Rica”, naar (uiteindelijk) de derdengeldrekening van een notaris en dat dit bedrag in opdracht van de betrokkene en de medebetrokkene vervolgens is gebruikt ter aankoop van kantoorpanden op naam van [B] B.V. De betrokkene en de medebetrokkene hadden in zowel de genoemde stichting als de genoemde bv volledige zeggenschap en toegang tot het (afgescheiden) vermogen.
waren” [B] .
beneficiary’) voor zichzelf heeft gerealiseerd. Het hof stelt immers vast dat de betrokkene “
de feitelijke beschikking had over dat geldbedrag en hij dat geldbedrag naar eigen inzicht heeft kunnen besteden en ook heeft besteed voor de aankoop van de (…) kantoorpanden.”
Ook verwarrend is dat het hof met zijn overwegingen in de derde en vierde alinea van p. 4 van het bestreden arrest op het spoor komt van de eerste hierboven door mij besproken categorie van gevallen waarin voordeel kan worden ontnomen, te weten het geval waarin een bestuurder-aandeelhouder (uitsluitend) indirect deelt in het door een rechtspersoon verworven voordeel, namelijk via de waardevermeerdering van de door hem in die rechtspersoon gehouden aandelen.
Het tweede middel
nietwordt geklaagd, geef ik eerst een overzicht van rechtspraak over de verrekeningsbepaling van artikel 36e lid 9 (lid 6 oud) Sr.
voor zover die[vorderingen]
zijn voldaan”. [13] Deze wetswijziging heeft betrekking op regels van het sanctierecht, zodat op grond van artikel 1 lid 2 Sr Pro bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene meest gunstige bepaling moet worden toegepast. [14] De meest gunstige bepaling betreft de vóór 1 januari 2014 geldende bepaling.
bij de toepassing van die regeling slechts in aanmerking komt de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon die strekt tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat.” [16]
De betaling aan de medeschuldenaar heeft dan immers tot gevolg dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel feitelijk aan hem komt te ontvallen”, aldus lichtte de Hoge Raad toe bij arrest van 23 november 2021. [27]
De bespreking van het tweede middel
ultimate beneficial owners) schuil.
Bij vonnis van 21 mei 2012 heeft het Gerecht in eerste aanleg vastgesteld dat [G] haar medewerking heeft gegeven aan een opzet waarin, zonder mogelijkheid tot verhaal voor schuldeisers, gelden aan het vermogen van Stichting [H] zijn onttrokken. Bij dit vonnis is [G] veroordeeld om aan de curator naast rente en proceskosten de verduisterde gelden terug te betalen. De curator heeft vervolgens het hypotheekrecht van [G] op een veiling voor een bedrag van € 225 duizend verkocht aan een derde en middels derdenbeslag een bedrag van € 42.352,39 geïnd. Beide bedragen zijn bijgeschreven op de boedelrekening van de Stichting [H] .
Vervolgens is in een vaststellingsovereenkomst tussen de curator enerzijds en de betrokkene en medebetrokkene anderzijds door betaling van een geldbedrag van € 500 duizend tegen finale kwijting een einde gemaakt aan de tussen hen bestaande geschillen, hetgeen onder meer inhield de beëindiging van de door de curator aanhangig gemaakte bodemprocedure waarin de betrokkene en de medebetrokkene als bestuurders van Stichting [H] aansprakelijk werden gesteld voor het boedeltekort.
indien daadwerkelijk ten laste van [G] (eenvoudig gezegd: ten laste van veroordeelde en diens medeveroordeelde) een bedrag gelijk aan de omvang van de verduisterde gelden terug in de boedel van Stichting [H] (voorheen [A] ) was gevloeid, zou er aan de zijde van de veroordeelde en zijn medeveroordeelde geen te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel bestaan.” [31]
het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aan de veroordeelde en de medeveroordeelde is komen te ontvallen” c.q. “
op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde en de medeveroordeelde is komen te ontvallen”.
nietaan de orde gesteld. Daardoor blijft thans onbesproken of het hof niet – reeds op basis van zijn onder 1 en 3 gerubriceerde vaststellingen – de door het Gerecht in eerste aanleg (vermoedelijk: onherroepelijk) toegekende vordering van de benadeelde Stichting [H] ten laste van [G] (lees: de betrokkene en de medebetrokkene) in mindering had moeten brengen op het geschatte voordeel, zulks op grond van artikel 36e lid 6 (oud) Sr. Die bepaling stelde immers niet de eis dat ‘de vordering is voldaan’.
het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aan de veroordeelde en de medeveroordeelde is komen te ontvallen” ten onrechte aansluiting zoekt bij de bewoordingen van een (hierboven geciteerde) passage uit HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1744 (“
De betaling aan de medeschuldenaar heeft dan immers tot gevolg dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel feitelijk aan hem komt te ontvallen”). Dat arrest van de Hoge Raad heeft immers betrekking op het vigerende artikel 36e lid 9 Sr. Volgens deze bepaling komt verrekening alleen in aanmerking voor zover de vordering tot schadevergoeding – feitelijk – is voldaan. Een dergelijke eis mag echter, zoals gezegd, niet worden gesteld aan vorderingen die strekken tot vergoeding van schade die het gevolg is van strafbare feiten die voorafgaande aan 1 januari 2014 zijn begaan (zoals in casu).
het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aan de veroordeelde en de medeveroordeelde is komen te ontvallen”, wat er ook zij van de relevantie van dit oordeel.
Voor het overige is de ontnemingsrechter m.i. bij de bepaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, niet gebonden aan overwegingen van de civiele rechter in een procedure tussen Stichting [H] en [G] , ook niet ingeval [G] in dit verband moet worden vereenzelvigd met de betrokkene en zijn medebetrokkene. De ontnemingsrechter komt in zoverre bij de vaststelling van de relevante feiten een eigen taak en verantwoordelijkheid toe.
niettot de beëindiging van het geschil over de verduisterde gelden. Zoals in het beoordelingskader hierboven uiteengezet, ziet artikel 36e lid 6 (oud) Sr niet op een dergelijke kwijting.
In cassatie is verder niet aangevoerd dat en waarom deze betaling het hof zo niet tot verrekening met het voordeelbedrag, dan wél op de voet van artikel 36e lid 4 (oud) Sr tot matiging van de betalingsverplichting aanleiding had moeten geven.
het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aan de veroordeelde en de medeveroordeelde is komen te ontvallen” niet onbegrijpelijk. Verder reikt de toets in cassatie niet.