Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf voor medeplegen van meermalen gepleegde diefstal met geweld, medeplegen van poging tot afpersing en medeplegen van oplichting. Het Hof hield bij de strafoplegging rekening met een eerdere levenslange gevangenisstraf die de verdachte in België had gekregen voor samenhangende feiten uit dezelfde periode.
De verdediging voerde aan dat op grond van artikel 63 Sr Pro en het kaderbesluit 2008/675/JBZ de strafoplegging in Nederland niet mogelijk zou zijn vanwege de Belgische veroordeling. Ook werd een beroep gedaan op artikel 3 EVRM Pro, stellende dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in Nederland het perspectief op vrijlating zou ontnemen.
De Hoge Raad oordeelde dat een buitenlandse strafoplegging niet gelijkstaat aan een Nederlandse veroordeling in de zin van artikel 63 Sr Pro en dat het kaderbesluit niet tot een ander oordeel leidt. Het Hof mocht de Belgische veroordeling wel meenemen bij de straftoemeting, maar was niet verplicht daarmee de strafoplegging te staken. Ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro faalde omdat de Belgische levenslange gevangenisstraf en de Nederlandse strafoplegging samen het perspectief op herbeoordeling en vrijlating niet uitsluiten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het Hof, waarmee de strafoplegging van acht jaar gevangenisstraf gehandhaafd bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de strafoplegging van acht jaar gevangenisstraf ondanks de eerdere levenslange gevangenisstraf in België.