Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
26 november 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor poging tot moord. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld en een gevangenisstraf van twaalf jaren opgelegd. De benadeelde partij had zich in het strafproces gevoegd met een omvangrijke schadevordering, waarvan een deel werd toegewezen en het overige niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd de benadeelde partij proceskosten toegekend op basis van het liquidatietarief.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, met name gericht op de proceskostenvergoeding en de duur van de gevangenisstraf. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend ten aanzien van de proceskostenbeslissing, maar de Hoge Raad verwierp het beroep op dat punt. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht de proceskosten had begroot op € 4.000,- volgens het liquidatietarief, zonder nadere motivering.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren naar elf jaren en negen maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; proceskostenvergoeding aan benadeelde partij bevestigd.