Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“Ja dat wil ik zeker”. [3] Nu het bij de onderhavige klacht gaat om een aan de klachtgerechtigde toekomende bevoegdheid voor de verwerkelijking en juiste vormgeving waarvan deze is aangewezen op de medewerking van de politie [4] , terwijl de omstandigheid dat de klacht niet aan een formeel vereiste voldoet klaarblijkelijk geen verband houdt dat met ontbreken van de wil tot het indienen van een klacht, maar met een verzuim aan de zijde van de politie, zal dit verzuim niet ten nadele van de klachtgerechtigde mogen werken. Het oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk moet worden geacht in de vervolging, geeft tegen die achtergrond geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Nu hieromtrent ter terechtzitting van het hof (en de rechtbank) geen (enkel) verweer is gevoerd, acht ik ’s hofs oordeel ook niet onbegrijpelijk.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
“specifieke details worden genoemd waarvan het niet aannemelijk is dat die op het moment publicatie bekend waren bij anderen dan verdachte en haar echtgenoot”. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte en de medeverdachte in de civiele procedure niet hebben betwist dat zij het artikel op de website van de Volkskrant hebben geplaatst. Ten aanzien van het daderschap van de verdachte overweegt het hof dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte nu zij steeds gezamenlijk zijn opgetrokken om het vermeende seksueel misbruik aan de kaak te stellen. Zo heeft de medeverdachte het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) daarvan op de hoogte gesteld en heeft de verdachte verklaard dat zij hiertoe gezamenlijk hebben besloten. Tot slot is de door de verdachte geschreven biografie door de medeverdachte aan de school van de kleinkinderen gestuurd. Dientengevolge is volgens het hof sprake van medeplegen. Dat oordeel acht ik – mede in aanmerking genomen de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang bezien – niet onbegrijpelijk. Voorts heeft het hof zodoende op afdoende wijze inzicht gegeven in zijn gedachtegang en was het niet gehouden tot een nadere motivering van de weerlegging van de door de verdediging aangedragen alternatieve lezing.
derde middelklaagt over ’s hofs verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer waarin een beroep is gedaan op de exceptie van art. 261, derde lid, Sr en op art. 10 EVRM Pro.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
vierde middeldat het hof heeft verzuimd te beslissen over de door de verdachte gemaakte kosten in verband met de vordering van de benadeelde partij, terwijl door de verdachte is verzocht de benadeelde partij in de kosten te veroordelen en het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Kosten
tot aan deze zittinguit op een totaalbedrag van € 577,17. Daar komt nog bij de zittingstijd die met de behandeling van de vordering is gemoeid, waarbij het honorarium op dezelfde wijze wordt berekend. Er is geen reden van de werkelijke kosten af te wijken en ik vraag u dan ook de benadeelde partij te veroordelen tot betaling van dit bedrag.
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
art. 361, eerste en zesde lid, Sv:
Art. 592a Sv: