ECLI:NL:PHR:2020:434
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernederende behandeling en vormverzuim bij verkrachting, vrijheidsberoving en gekwalificeerde doodslag
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens verkrachting, wederrechtelijke vrijheidsberoving, gekwalificeerde doodslag en mishandeling, met een gevangenisstraf van 28 jaar en TBS met dwangverpleging. De zaak betreft de verdwijning en dood van een slachtoffer in 2017, waarbij de verdachte een bekennende verklaring aflegde.
In cassatie klaagt de verdachte dat het hof ten onrechte volstond met een opgave van bewijsmiddelen voor de gekwalificeerde doodslag, terwijl hij die niet duidelijk en ondubbelzinnig zou hebben bekend. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze verklaring begrijpelijk heeft uitgelegd en het middel faalt.
Het tweede middel betreft de verwerping van het verweer tot strafvermindering wegens een onherstelbaar vormverzuim: de verdachte werd vernederend en onmenselijk behandeld door het arrestatieteam, waaronder bedreiging met een diensthond en mishandeling met een avulsiefractuur. Het hof erkende het vormverzuim en de schending van art. 3 EVRM Pro, maar zag geen aanleiding tot strafvermindering omdat de verdachte niet in zijn verdediging was geschaad. De Hoge Raad vernietigt dit deel van het arrest wegens onvoldoende motivering van het hof over de strafoplegging en de afweging van het nadeel door het vormverzuim.
De Hoge Raad bevestigt dat strafvermindering ook kan worden toegepast bij vormverzuimen die niet tot aantasting van het recht op een eerlijk proces leiden, maar wel ander nadeel veroorzaken, zoals lichamelijk letsel. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing over de strafoplegging, met inachtneming van de ernst van het vormverzuim en het geleden nadeel.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging vanwege onvoldoende motivering over strafvermindering bij vormverzuim; overige klachten worden verworpen.