Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
14 mei 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit een veroordeling voor opzetheling van horloges afkomstig van een inbraak bij een bekend Nederlander. De betrokkene stelde in cassatie onder meer dat het verzoek tot contra-expertise van de waardebepaling van de horloges ten onrechte was afgewezen. Tevens voerde hij aan dat de onschuldpresumptie in het geding was omdat hij deels was vrijgesproken in de hoofdzaak, verwijzend naar jurisprudentie van het EHRM (Geerings). Ook werd het toegepaste verdeelsleutelprincipe betwist.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, aangezien geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 juni 2018 werd bekrachtigd.
De uitspraak bevestigt daarmee de toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot ontneming in strafzaken en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van waardebepalingen en de toepassing van de onschuldpresumptie in het kader van ontnemingsvorderingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.