Conclusie
Nummer19/00492 P
Het cassatieberoep
De middelen
eerste middelhoudt de klacht in dat het hof het verweer, inhoudende dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen omdat de vaststelling van het voordeel is gebaseerd op een feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Geerings tegen Nederland),
NJ2007/349, m.nt. Borgers. Uit dit arrest volgt dat feiten waarvan is vrijgesproken niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat de betrokkene onherroepelijk is vrijgesproken van het medeplegen van overtreding van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (feit 3), van het (medeplegen van het) op de markt brengen van BMK en van het (medeplegen van het) opbouwen van het laboratorium, het omzetten van APAAN in BMK en het voorhanden hebben van grondstoffen. Een toewijzing van de vordering zou aldus in strijd komen met de onschuldpresumptie. Nu met het feit waarvoor wel is veroordeeld geen voordeel is gegenereerd, moet de vordering volgens de raadsman worden afgewezen.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
NJ2005/133. In die zaak was een partij kobalt gestolen, waarvan de veroordeelde vervolgens zou zijn beroofd. De juistheid van die stelling kon het hof in die zaak het midden laten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel was immers al op het moment van het voltooien van het ten laste van de veroordeelde bewezen verklaarde delict gegenereerd. In een andere zaak was sprake van een veroordeling wegens het medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep. Van de verkoop en het vervoer van hennep was de betrokkene vrijgesproken. Het hof had niettemin aangenomen dat sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel, dat bestond in de waarde die door de teelt was gecreëerd (het gewas), waardoor zijn vermogen was vermeerderd met wat door misdrijf was verkregen. Het oordeel van het hof dat het telen van hennep een product opleverde dat als zodanig vermogenswaarde had en als daadwerkelijk behaald voordeel moest worden aangemerkt, gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. [7]
tweede middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de investeringskosten niet in de ontnemingsberekening hoeven te worden betrokken, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
derde middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.