Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 21 juli 2020
[belanghebbende] te [woonplaats] , belanghebbende,
[inspecteur]
Procesverloop
Vaststaande feiten
Oordeel van de Rechtbank
Ontvankelijkheid bezwaar aanslag IB/PVV 2013
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam als Rijnvarende op een schip dat eigendom is van een Nederlandse BV, betwistte de premieplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen over 2010 tot en met 2014. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had vastgesteld dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, een oordeel dat door de Rechtbank Rotterdam werd bevestigd. Belanghebbende stelde dat de Inspecteur niet bevoegd was premies te heffen zonder een A1-verklaring van de SVB en dat hij in Luxemburg verzekerd was.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur bevoegd is premies te heffen en dat de premieplicht op grond van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst bij de Nederlandse exploitant van het schip ligt. De Luxemburgse E101- en E106-verklaringen binden de Nederlandse autoriteiten niet. Ook het ontbreken van een A1-verklaring staat de heffing niet in de weg.
Belanghebbendes beroep op het voorkómen van dubbele premieheffing via verrekening van in Luxemburg betaalde premies werd verworpen, omdat de Rijnvarendenovereenkomst geen verrekeningsprocedure kent en de SVB als bevoegde autoriteit verantwoordelijk is. Het Hof wees ook de vordering tot vermindering van het belastbare loon af en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de premieplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen wordt bevestigd.