Belanghebbende, werkzaam als Rijnvarende voor een werkgever in Liechtenstein, was in 2018 verzekerd onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op basis van een A1-verklaring van de SVB. Hoewel Liechtenstein vanaf 1 september 2018 deelnam aan de Rijnvarendenovereenkomst en een eigen A1-verklaring afgaf, blijft de Nederlandse verklaring leidend.
De Inspecteur legde aanslag IB/PVV op zonder premievrijstelling, wat belanghebbende betwistte. De rechtbank wees het beroep af, oordeelde dat de A1-verklaring bindend is en dat artikel 73 Toepassingsverordening geen verrekening mogelijk maakt zolang Liechtenstein de premies niet heeft overgemaakt. Ook het beroep op de Regeling tijdelijke tegemoetkoming Rijnvarenden werd verworpen.
Het hof bevestigt deze standpunten, benadrukt dat de Inspecteur niet verantwoordelijk is voor de niet-overdracht van premies door Liechtenstein en verwerpt het beroep op onrechtmatige uitworp van de aangifte. De aanslag en premieplicht worden bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.