Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
Daarnaast heeft het Hof geoordeeld dat de opsporingsambtenaren die het onderzoek hebben uitgevoerd te goeder trouw hebben gehandeld, dat de verwijtbaarheid van hun handelen gering is, dat geen sprake is van een situatie waarin de verantwoordelijke autoriteiten zich vanaf het moment waarop dit “structurele verzuim” hun bekend moet zijn geweest onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen, en dat door de officier van justitie, indien deze daartoe zou zijn aangezocht, toestemming zou zijn verleend de smartphones van de verdachte te onderwerpen aan het onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft daaraan de conclusie verbonden dat kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim, nu “zich geen geval voordoet waarin de toepassing van bewijsuitsluiting in aanmerking komt, zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5321), terwijl evenmin sprake is van door het vormverzuim veroorzaakt nadeel dat zich leent voor compensatie door middel van strafvermindering zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AM2533).”
3.Beslissing
18 februari 2020.