Conclusie
Inleiding
II. Het eerste middel en de bespreking daarvan (medeplegen)
van een negroïde man met een zonnebril).
“Oma heeft mij gevraagd of ik chocolaatjes voor haar wilde meenemen omdat haar eigen koffers te vol zaten. Ik heb meerdere spulletjes van haar gekregen en in mijn beide koffers gestopt. De blauwe staat op naam van mijn zoontje.”In beide koffers van [betrokkene 2] , een paarse en een blauwe, werden meerdere pakketjes etenswaren aangetroffen met daarin een witkleurig substantie. Bij het testen van de witte substantie met een MMC-cocaïnetest trad een positief resultaat op. In de koffer van het merk Samsonite werden plastic zakken aangetroffen met daarin etenswaren.
voorafgaandaan de drugstransporten genoemd in elk van de vier zaaksdossiers informatie wordt uitgewisseld in de vorm van foto’s van de bagage en de personen die de middelen vervoerden, dan wel in de vorm van versluierd taalgebruik dat blijkens de aard en de strekking ervan ziet op de personen die de middelen vervoeren. Ook wordt informatie uitgewisseld over geldbedragen die verstrekt moeten worden.
klachtterug en laat ik om die reden in deze conclusie rusten. [2]
nietis gebezigd in de ruime betekenis die daaraan in art, 1, vierde lid, Ow wordt gegeven, zoals dat wel het geval was in de hierna (in randnummer 16) aan te halen arresten van HR 2 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB8028,
NJ1992/774 en HR 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1694,
NJ1993/225. Ik meen dat zo een gevolgtrekking ook wat de onderhavige zaak betreft niet kan worden gemaakt. Dat het hof de bedoelde zinsnede heeft geschrapt, is naar mijn inzicht niet problematisch, aangezien dit, denk ik, niet meebrengt dat ‘binnen het grondgebied brengen’ hier in een beperkte betekenis dient te worden verstaan. Art. 1, vierde lid, Ow is een begripsbepaling (en niet een zelfstandig misdrijf), die zegt wat onder ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’ mede is begrepen. Daarbij komt dat het hof met betrekking tot de rol en de inbreng van de verdachte bij de drugstransporten overweegt dat hij (i) de koeriers ophaalde dan wel controleerde of zij veilig en met medebrenging van de verdovende middelen waren aangekomen, (ii) de goederen van de koeriers overnam en (iii) over de aankomst van de koeriers en de verdere gang van zaken intensief contact onderhield met medeverdachte [medeverdachte] . Uit deze overweging kan mijns inziens worden afgeleid dat de onderhavige bewezenverklaring van ‘binnen het grondgebied brengen’ het ruime toepassingsbereik zoals gegeven in art. 1, vierde lid, Ow bedoelt te bestrijken.
NJ1992/774 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat de in art. 1, vierde lid, Ow voorkomende term ‘handeling’ niet slechts betrekking heeft op handelingen verricht nadat de in de Opiumwet bedoelde middelen feitelijk binnen Nederland zijn gebracht, maar ook op handelingen die al zijn verricht voordat de middelen daadwerkelijk binnen het grondgebied zijn gebracht; in die zaak ging het om het huren van een auto voor het verdere vervoer van hasjiesj binnen Nederland. De Hoge Raad liet het oordeel in stand dat dit medeplegen van de invoer van hasj oplevert. Voorts overwoog de Hoge Raad in het arrest van 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1694,
NJ1993/225 dat te dezen niet nodig is dat uit de bewijsmiddelen zou kunnen volgen dat de verdachte daarnaast op een bepaalde manier betrokken was bij of een relatie had met het daadwerkelijk binnen Nederland brengen zelf. [3]
NJ2015/390, m.nt. Mevis, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,
NJ2016/413, m.nt. Rozemond [4] heeft de Hoge Raad algemene beschouwingen gewijd aan de deelnemingsvorm medeplegen in verhouding tot de deelnemingsvorm medeplichtigheid. Uit deze arresten blijkt dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad heeft hiervoor geen algemene regels gegeven, maar tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaft door het formuleren van aandachtspunten. De rechter kan bij de vorming van zijn oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang daarvan, de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij zal de bijdrage van de medepleger in de regel worden geleverd tijdens het begaan van een strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal, wil medeplegen van een delict niettemin kunnen worden aangenomen, moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Als het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, het op de uitkijk staan, het helpen bij de vlucht, dan dient de rechter de bewezenverklaring van het medeplegen in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. [5] Het ontbreken van lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling hoeft het aannemen van medeplegen niet in de weg te staan als het gaat om handelingen voor en/of tijdens de uitvoering van het strafbare feit en de verdachte daarmee een sturende of leidende rol heeft gespeeld voor de uitvoering ervan. [6] Ook in die situaties komt het echter aan op de precieze motivering waarom er sprake is van medeplegen.
NJ2017/459, m.nt. Rozemond. In die zaak had de verdachte eerst met zijn auto een vrouw naar Schiphol gebracht voor haar vlucht naar Paraguay en stond hij haar een aantal dagen later met zijn auto op Schiphol op te wachten om haar op te halen. Dit was op verzoek van een derde die hem daarvoor een beloning in het vooruitzicht had gesteld. De vrouw werd op Schiphol aangehouden met cocaïne in haar koffer. De verdachte wist dat de vrouw bij terugkeer smokkelwaar bij zich zou hebben en werd door het hof veroordeeld wegens medeplegen. Het afhalen van de vrouw op Schiphol diende volgens het hof te worden aangemerkt als een op het verdere vervoer van cocaïne gerichte handeling. De Hoge Raad oordeelde dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte zo nauw en bewust met anderen had samengewerkt dat hij zich schuldig had gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, niet uit de bewijsvoering was af te leiden, mede gelet op verdachtes rol die daaruit naar voren kwam. Een andere uitspraak die ik in die conclusie aanhaalde, is HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460, m.nt. Rozemond. In die zaak waren tussen zakken koffiebonen in een container sportassen met een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De container was verscheept van Nederland naar Antwerpen, in Antwerpen van het schip geladen en daarna naar een bedrijf gebracht waar de cocaïne in de sporttassen werd ontdekt. De verdachte werd enkele weken later op Schiphol aangehouden en bleek in het bezit van een mobiele telefoon met pinggesprekken met anderen over die container (dat stond volgens het hof buiten redelijke twijfel vast). Uit de pinggesprekken bleek naar het oordeel van het hof dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van de zending cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer en/of verspreiding van die cocaïne en dat hij daarbij nauw en bewust had samengewerkt met anderen die bij het cocaïnetransport betrokken waren. De Hoge Raad zag dat anders. Hij overwoog vooreerst dat de vaststellingen van het hof er in de kern op neerkwamen dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van de zending cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer en/of de verspreiding van die cocaïne. Vervolgens oordeelde hij dat uit de rol van de verdachte niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd aan het binnen het grondgebied (c.q. buiten het grondgebied) van Nederland brengen van cocaïne en dat de vaststellingen van het hof in dat verband niet volstonden voor het bewezenverklaarde medeplegen.
NJ2017/459, m.nt. Rozemond en HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460, m.nt. Rozemond).
voorafgaandaan de drugstransporten genoemd in elk van de vier zaaksdossiers informatie is uitgewisseld in de vorm van foto’s van de bagage en van de personen die de middelen vervoerden, dan wel in de vorm van versluierd taalgebruik dat blijkens de aard en de strekking ervan ziet op de personen die de middelen (zouden gaan) vervoeren. Ik noem in dat verband ook de, voor het bewijs gebruikte, verklaring van [betrokkene 5] , dat hij door de verdachte benaderd is om cocaïne naar Nederland te smokkelen. Daarnaast is, aldus het hof, informatie uitgewisseld over geldbedragen die verstrekt moesten worden. Het hof benadrukt dat reeds gelet op het aantal onderlinge contacten de samenwerking tussen de verdachten zonder meer intensief is te noemen en dat de handelingen die de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben verricht essentieel en onmisbaar zijn geweest voor het goede verloop van de invoer van de drugs. Alles bij elkaar genomen zijn dit geen gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht.
III.Het tweede middel en de bespreking daarvan (vormverzuim)
Middel
"
programma 'Cellebrite Physical Analyser' te kunnen worden geanalyseerd. Over de toepassing van deze analysesoftware staat op internet het volgende te lezen: 'UFED Physical Analyzer biedt een ongeëvenaarde toegang tot mobiele data en onthult elk segment van het geheugen van een apparaat met behulp van geavanceerde extractie, decodering, analyse en rapportage functies.
fijnmazig sleepnet.
a contrariotoe te passen op deze zaak. Het nadeel is nu wel concreet en duidelijk en blijkt ook uit het aanvullende proces-verbaal dat op verzoek van de verdediging is opgemaakt.
a priorikon worden gezegd dat de doorzoeking van de telefoon een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van mijn cliënt inhield, dat toetsing door de rechter-commissaris nodig was. Gezien de enorme hoeveelheid materiaal had de politie moeten voorzien dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van mijn cliënt in de rede lag. Achteraf is het ook daadwerkelijk een zodanige inbreuk gebleken dat er een min of meer volledig beeld is verkregen over een langdurige periode van het privéleven van mijn cliënt, waardoor een machtiging van de rechter-commissaris nodig was voor het onderzoek.
'Policing the police: het toezicht op de opsporing', DD 2016/37, p. 418).
"effective judicial review". Maar die rechterlijke toetsing moet wel
effectiefzijn. Het gevaar bestaat immers – zo stelt AG Spronken in haar eerder aangehaalde conclusie, overigens in navolging van AG Bleichrodt – dat het beoordelingsmechanisme van art. 359a Sv, waarin de lat voor bewijsuitsluiting bijzonder hoog ligt en veel ruimte wordt gelaten om met de constatering van het vormverzuim te volstaan, in zaken zoals de onderhavige te weinig rechtsbeschermende betekenis heeft.
'De toekomst van artikel 359a Sv', DD2012/25.)
welkrechtsgevolg. Daarbij houdt het hof rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan daarbij niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang.
NJ2004/376, m.nt. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
NJ2013/308, m.nt. Keulen het volgende. Indien is vastgesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en het rechtsgevolg daarvan niet reeds uit de wet blijkt, dient de rechter te beoordelen of aan dat vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg daarvoor in aanmerking komt. Artikel 359a Sv biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld de mogelijkheid af te zien van het toepassen van één van de in dit artikel bedoelde rechtsgevolgen, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. Een beslissing tot toepassing van één van de rechtsgevolgen als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in art. 359a, tweede lid, Sv zijn genoemd, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bij de beoordeling van “de ernst van het verzuim” zijn de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang. Hierbij kan de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt” is onder meer van belang of, en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Hierbij verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv. [9] Waar mogelijk wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. [10] Met het oog op het vorengaande mag van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de bovengenoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. [11]
NJ2021/169, m.nt. Jörg over vormverzuimen en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen het volgende overwogen met betrekking tot strafvermindering en bewijsuitsluiting:
NJ2017/229, m.nt. Kooijmans [12] met betrekking tot de rechtmatigheid van onderzoek aan onder meer smartphones het volgende overwogen:
In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen - waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken - dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt - in het licht van art. 8 EVRM Pro - aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.”
Slotsom