ECLI:NL:HR:2020:1242
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt premieplicht Nederlandse volksverzekeringen ondanks beroep op Luxemburgs socialezekerheidsstelsel
Belanghebbende had voor het jaar 2013 in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verzocht om vrijstelling van premieheffing wegens loon uit Luxemburg. De Inspecteur weigerde deze vrijstelling en legde een aanslag op. Belanghebbende voerde aan dat hij onder het Luxemburgse socialezekerheidsstelsel viel, onderbouwd met een E106-verklaring voor 2010 en A1-verklaringen voor 2011 en 2012, maar niet voor 2013.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende in 2013 in Nederland woonde en premieplichtig was op grond van de Nederlandse volksverzekeringswetten, en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het Luxemburgse stelsel van toepassing was. Ook het betoog dat de Inspecteur de verzekeringsplicht niet volgens de voorgeschreven procedure had vastgesteld, werd verworpen vanwege de toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst.
In cassatie stelde belanghebbende dat alleen de Sociale Verzekeringsbank bevoegd was om de verzekeringsplicht vast te stellen en dat de Inspecteur daartoe niet bevoegd was. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde de uitspraak van het Hof. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de premieplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen in 2013 wordt bevestigd.