Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
24 november 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor het plegen van een ontuchtige handeling door zijn 11-jarige verstandelijk gehandicapte nichtje uit te kleden. Het hof had geoordeeld dat het uitkleden zonder functionele reden en het naakt dicht tegen elkaar zitten op de bank een ontuchtige handeling vormde, wat de Hoge Raad niet onbegrijpelijk achtte.
Daarnaast bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens aantasting van haar fundamentele rechten, zoals het zelfbeschikkingsrecht en lichamelijke integriteit. Het hof had €400 aan immateriële schade toegewezen, gebaseerd op psychische gevolgen waaronder angst, nachtmerries en sociaal teruggetrokken gedrag.
De Hoge Raad vernietigde echter het deel van het hofarrest dat vervangende hechtenis oplegde bij niet-betaling van de schadevergoeding. In plaats daarvan bepaalde de Hoge Raad dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen, waarmee de veroordeling en schadevergoeding in stand bleven.
Deze uitspraak benadrukt het belang van bescherming van minderjarigen tegen ontuchtige handelingen en bevestigt de mogelijkheid tot vergoeding van immateriële schade bij aantasting van fundamentele rechten. Tevens verduidelijkt het arrest de toepassing van sancties bij niet-nakoming van schadevergoedingsmaatregelen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor ontuchtige handeling en toekenning van immateriële schadevergoeding, vernietigt de vervangende hechtenis en bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast.