ECLI:NL:HR:2020:1894

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2020
Publicatiedatum
27 november 2020
Zaaknummer
19/02779
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138.1 SrArt. 300.1 SrArt. 350.1 SrArt. 329 SvArt. 330 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot aanhouding zitting wegens ontbreken concrete omstandigheden

In deze strafzaak ging het om een verzoek tot aanhouding van de terechtzitting door de raadsvrouw van de verdachte, omdat de verdachte zelf zijn verhaal wilde doen maar niet was verschenen. De raadsvrouw gaf aan dat de verdachte onderweg was en dat contact met hem niet mogelijk was, waarna het hof de zitting tweemaal onderbrak om te wachten op zijn komst.

Na hernieuwde voortzetting van de zitting bleef de verdachte afwezig en kon geen concrete reden worden gegeven waarom hij niet aanwezig was. Het hof wees het verzoek tot aanhouding af, omdat geen concrete omstandigheden waren aangevoerd die het uitstel rechtvaardigden.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie dat een verzoek tot aanhouding concreet moet worden gemotiveerd met omstandigheden die het uitstel rechtvaardigen. Het beroep in cassatie werd verworpen omdat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld.

De uitspraak benadrukt het belang van concrete motivering bij verzoeken tot aanhouding en bevestigt dat afwezigheid zonder geldige reden niet leidt tot uitstel van de behandeling.

Uitkomst: Het verzoek tot aanhouding van de terechtzitting wordt afgewezen wegens het ontbreken van concrete omstandigheden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02779
Datum1 december 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 juni 2019, nummer 20-002633-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder het volgende in:
“Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. C.M.M. Mikkers, advocaat te Heeze, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
De raadsvrouw verklaart:
Cliënt heeft mij gisteren gemaild dat hij vandaag zou komen. Ik heb hem zojuist gebeld, maar ik kreeg geen contact met hem. Zijn vriendin, [betrokkene 1], vertelde mij zojuist per telefoon dat hij wel van huis was vertrokken. Ze wonen niet samen. Ik ben eventueel wel gemachtigd, maar de reden van het appel was dat hij graag zelf zijn verhaal wilde doen. Om die reden doe ik toch het verzoek de zaak aan te houden.
Na een korte onderbreking van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het onderzoek wordt onderbroken tot 10.30 uur.
De advocaat-generaal en de raadsvrouwe gaan hiermee akkoord.
Om 10.30 uur wordt het onderzoek voortgezet.
De raadsvrouw verklaart: Ik heb geen contact meer met hem kunnen krijgen, hij neemt zijn mobiele telefoon niet op. Zijn vriendin krijgt ook geen contact met hem en dat vindt zij heel vreemd. Hij was vanochtend op weg naar het Paleis van Justitie. Ik verzoek nogmaals om aanhouding.
De advocaat-generaal vordert afwijzing van het verzoek, omdat dit onvoldoende onderbouwd is.
Na een korte onderbreking van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het onderzoek wordt onderbroken tot 15.30 uur.
Om 15.30 uur wordt het onderzoek voortgezet.
De raadsvrouw verklaart: Ik heb geen contact kunnen krijgen met cliënt en ik handhaaf mijn aanhoudingsverzoek.
De advocaat-generaal vordert andermaal afwijzing van het verzoek.
De voorzitter deelt na kort beraad mede dat het hof het verzoek afwijst, omdat er geen informatie is verschaft dat verdachte niet in staat was om naar de terechtzitting te komen.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. (Vgl. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172.)
2.4
Het hof heeft, nadat de raadsvrouw om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting had verzocht omdat de verdachte “graag zelf zijn verhaal wilde doen”, het onderzoek ter terechtzitting twee maal onderbroken tot latere tijdstippen en de raadsvrouw zodoende gelegenheid geboden na te gaan of de verdachte nog zou verschijnen en, zo niet, wat daarvan de reden was. De raadsvrouw heeft na iedere hervatting van het onderzoek meegedeeld dat zij geen contact met de verdachte had kunnen krijgen en heeft het verzoek tot aanhouding gehandhaafd.
Het hof heeft het verzoek vervolgens afgewezen op de grond dat “geen informatie is verschaft dat de verdachte niet in staat was om naar de terechtzitting te komen”. Daarmee heeft het hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat niet concreet de omstandigheid is aangevoerd die ten grondslag ligt aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting dat namens de verdachte, die weet van de zitting, is gedaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 december 2020.