ECLI:NL:PHR:2026:404
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende belangenafweging bij afwijzing aanhoudingsverzoek in hoger beroep
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot tien dagen hechtenis wegens overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. In hoger beroep verscheen de verdachte niet, maar zijn raadsvrouw deed namens hem een verzoek tot aanhouding van de behandeling, omdat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht wilde uitoefenen. Het hof wees dit verzoek af na een belangenafweging waarbij het belang van een spoedige berechting en organisatie van de rechtspleging zwaarder woog dan het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motivering. De overwegingen van het hof lijken te impliceren dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, terwijl de raadsvrouw juist aannemelijk maakte dat de verdachte de dag voor de zitting nog aanwezig zou zijn. Het hof had het verzoek moeten afwijzen op grond van onvoldoende aannemelijkheid van de aangevoerde omstandigheid, of anders een zorgvuldige belangenafweging moeten maken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug aan het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling. De conclusie benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij de afwijzing van aanhoudingsverzoeken die verband houden met het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de belangenafweging bij afwijzing aanhoudingsverzoek.