ECLI:NL:PHR:2026:403

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
24/04114
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 279 SvArt. 281 lid 1 SvArt. 328 SvArt. 329 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering afwijzing aanhoudingsverzoek in hoger beroep

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot tien dagen hechtenis wegens overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. In hoger beroep was de verdachte niet verschenen, waarop zijn raadsvrouw een aanhoudingsverzoek indiende met het oog op het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Het hof wees dit verzoek af na een belangenafweging, waarbij het onder meer meewoog dat de zaak reeds driemaal eerder was aangehouden op verzoek van de verdediging en dat de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motivering. Indien het hof de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid aannemelijk achtte, is de belangenafweging niet begrijpelijk. Indien het hof de omstandigheid onvoldoende aannemelijk achtte, had het verzoek zonder belangenafweging moeten worden afgewezen. Bovendien zijn enkele door het hof betrokken belangen, zoals het belang van de verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht en het belang van een doeltreffende berechting, niet adequaat meegewogen.

De conclusie van de advocaat-generaal is dat het middel slaagt en dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen. De zaak betreft een belangrijke toetsing van het beoordelingskader voor aanhoudingsverzoeken in het kader van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering en onvolledige belangenafweging bij afwijzing van het aanhoudingsverzoek.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04114
Zitting21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 1 november 2024 (22-002512-22) wegens “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 10 dagen. Daarnaast heeft het hof de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2021 (10-710120-20) opgelegde jeugddetentie voor de duur van 30 dagen afgewezen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/04113. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat D.J. Troost heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2024 houdt het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
adres: [a-straat 1] te [postcode] [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. D.J. Troost, advocate te Rotterdam, die desgevraagd door de voorzitter mededeelt dat zij door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren.
De voorzitter deelt mede dat de onderhavige zaak gelijktijdig, doch niet gevoegd, wordt behandeld met de strafzaak tegen de verdachte met rolnummer 22-002645-22.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De raadsvrouw deelt mede:
Ik zie mij genoodzaakt om een aanhoudingsverzoek te doen. Mijn cliënt is gisteren bij mij op kantoor geweest om de zaak met mij te bespreken en waarbij is afgesproken dat hij vandaag aanwezig zou zijn. Er was bij hem geen twijfel dat hij niet zou verschijnen. Het is een strafmaatappel dus zijn aanwezigheid is van belang. Ik verzoek u om de behandeling van de zaak aan te houden, nu mijn cliënt van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken.
De voorzitter stelt vast dat de onderhavige zaak reeds driemaal eerder op verzoek van de verdediging is aangehouden, nu de raadsvrouw was verhinderd.
De advocaat-generaal verzet zich tegen het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak nu de verdachte van de zitting op de hoogte is. Het had derhalve op de weg van de verdachte gelegen om te laten weten waarom hij is verhinderd.
De raadsvrouw deelt mede dat zij persisteert bij het verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden.
De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen alle betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. De uitkomst van die belangenafweging is dat het verzoek van de raadsvrouw om de behandeling van de zaak aan te houden wordt afgewezen. Het hof heeft daarbij in aanmerking dat de zaak reeds driemaal eerder op verzoek van de verdediging is aangehouden. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte van de zittingsdatum in hoger beroep op de hoogte is en dat hij gisteren nog de zaak met zijn raadsvrouw heeft besproken en dat hij daarna desondanks niet heeft doorgegeven dat en waarom hij vandaag niet aanwezig kan zijn.
Bij afweging van de genoemde belangen geeft het hof dan ook voorrang aan het belang van een doeltreffende en spoedige berechting van de zaak en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
De voorzitter deelt mede dat het onderzoek wordt voortgezet.”
2.3
Het door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting van 1 november 2024 gedane verzoek tot aanhouding van de zaak is een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331 lid 1 Sv Pro en art. 415 lid 1 Sv Pro om toepassing te geven aan art. 281 lid 1 Sv Pro. Het betreft een aanhoudingsverzoek met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
2.4
Ten aanzien van de beoordeling van aanhoudingsverzoeken die verband houden met het aanwezigheidsrecht van de verdachte hanteert de Hoge Raad het volgende beoordelingskader:
“Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv Pro bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en Pro 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).” [1]
2.5
Kort gezegd komt bovenstaand beoordelingskader op het volgende neer. Er moet bij het aanhoudingsverzoek een concrete omstandigheid worden aangevoerd die aan het verzoek ten grondslag ligt. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. [2] Als er wel een concrete omstandigheid is aangevoerd, moet de rechter – zo nodig na het bieden van gelegenheid voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken – beoordelen of die omstandigheid aannemelijk is. Is de aangevoerde omstandigheid naar het oordeel van de rechter niet aannemelijk (geworden), dan kan de rechter het verzoek zonder belangenafweging afwijzen. Als de rechter de aangevoerde omstandigheid wel aannemelijk acht, dient de rechter een belangenafweging maken tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang van een doeltreffende en spoedige berechting. Een beoordeling van de aannemelijkheid van de aangevoerde omstandigheid kan achterwege blijven indien dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – na een belangenafweging toch niet tot toewijzing van het verzoek zou leiden. [3]
2.6
In de onderhavige zaak heeft de (gemachtigde) raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting een aanhoudingsverzoek gedaan. Aan dit verzoek heeft zij ten grondslag gelegd dat de verdachte een dag voor de zitting nog bij haar op kantoor was om de zaak te bespreken, waarbij zij hebben afgesproken dat hij op de zitting aanwezig zou zijn, terwijl er bij de verdachte geen twijfel was of hij zou verschijnen. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de aanwezigheid van de verdachte van belang is omdat het gaat om een strafmaatappel. Daaraan heeft de raadsvrouw toegevoegd dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken.
2.7
Het hof heeft het aanhoudingsverzoek op basis van een belangenafweging afgewezen met verwijzing naar het feit dat i) de zaak reeds drie keer op verzoek van de verdediging is aangehouden, ii) de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum en de zaak de dag voor de zitting nog met zijn raadsvrouw heeft besproken, en iii) de verdachte daarna desondanks niet heeft doorgegeven dat en waarom hij niet op de zitting aanwezig kon zijn.
2.8
Daarmee heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang ter zake. Voor zover het hof, gelet op de gemaakte belangenafweging, is uitgegaan van de aannemelijkheid van door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid, rijmen de overwegingen van het hof dat en waarom niet tot aanhouding van de behandeling zal worden overgegaan niet met die veronderstelde aannemelijkheid. Uit de (kenbare) overwegingen van het hof lijkt immers te volgen dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, althans dat niet aannemelijk is dat hij buiten zijn schuld niet in staat is om ter terechtzitting te verschijnen, door – na het bespreken van de zaak met zijn raadsvrouw een dag voor de zitting – niet (tijdig) te hebben doorgegeven dat en waarom hij niet op de zitting aanwezig kan zijn. Voor zover het hof evenwel heeft geoordeeld dat hetgeen door de raadsvrouw naar voren werd gebracht onvoldoende concreet was, dan wel niet aannemelijk, had het hof het aanhoudingsverzoek om die reden (gemotiveerd) moeten afwijzen zonder toe te komen aan een afweging van alle betrokken belangen.
2.9
Voor zover het hof de door de raadsvrouw aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid wel aannemelijk heeft geoordeeld (of uitgegaan is van de aannemelijkheid daarvan) is de door het hof gemaakte belangenafweging niet zonder meer begrijpelijk. Dat de zaak reeds drie keer op verzoek van de verdediging is aangehouden kan als zodanig een relevante omstandigheid vormen die in de belangenafweging kan worden betrokken, gelet op de consequenties die dit heeft voor de spoedige berechting van de zaak, hoewel discussie zou kunnen bestaan over de vraag of dat in dezelfde mate geldt, indien een zaak – zoals in dit geval – eerder (meerdere malen) op verzoek van de verdediging is aangehouden omdat de raadsvrouw (en niet: de verdachte) verhinderd was. Dat de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum is mijns inziens in dit geval evenmin een relevante factor in de belangenafweging, gelet op hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd. [4] Datzelfde geldt voor het feit dat de verdachte de dag voor de zitting de zaak nog met zijn raadsvrouw heeft besproken en desondanks niet heeft doorgegeven dat en waarom hij niet aanwezig kon zijn. Die omstandigheid brengt immers niet zonder meer met zich dat de verdachte niet ter zitting aanwezig wenst te zijn of dat het belang van de verdachte om aanwezig te zijn bij het onderzoek op de terechtzitting ontbreekt. [5]
2.1
Dat de verdachte gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht en dat zijn aanwezigheid door de (uitdrukkelijk gemachtigde) raadsvrouw van belang wordt geacht omdat het gaat om een strafmaatverweer, zijn mijns inziens daarentegen juist wel relevante factoren voor de afweging van belangen. Dat het hof die belangen in zijn afweging heeft betrokken, blijkt evenwel niet. [6] Het hof heeft daarmee in onvoldoende mate blijkt gegeven van een afweging van alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen.
2.11
Het middel slaagt.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1815, rov. 2.3. Zie ook HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934,
2.Vgl. HR 16 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:720, rov. 2.3; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1894, rov. 2.3; HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172, rov. 2.4; HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769,
3.Vgl. HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1815, rov. 2.4.
4.Vgl. de conclusie van AG Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2025:791, randnr 4.8.
5.Vgl. HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:840, rov. 2.4.
6.Vgl. HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1073; HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1783; HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:375,