ECLI:NL:PHR:2026:403
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering afwijzing aanhoudingsverzoek in hoger beroep
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot tien dagen hechtenis wegens overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. In hoger beroep was de verdachte niet verschenen, waarop zijn raadsvrouw een aanhoudingsverzoek indiende met het oog op het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Het hof wees dit verzoek af na een belangenafweging, waarbij het onder meer meewoog dat de zaak reeds driemaal eerder was aangehouden op verzoek van de verdediging en dat de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motivering. Indien het hof de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid aannemelijk achtte, is de belangenafweging niet begrijpelijk. Indien het hof de omstandigheid onvoldoende aannemelijk achtte, had het verzoek zonder belangenafweging moeten worden afgewezen. Bovendien zijn enkele door het hof betrokken belangen, zoals het belang van de verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht en het belang van een doeltreffende berechting, niet adequaat meegewogen.
De conclusie van de advocaat-generaal is dat het middel slaagt en dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen. De zaak betreft een belangrijke toetsing van het beoordelingskader voor aanhoudingsverzoeken in het kader van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering en onvolledige belangenafweging bij afwijzing van het aanhoudingsverzoek.