Conclusie
1.Het cassatieberoep
- het gebruik van de privégegevens op de smartphones en gegevensdragers van de medewerkers;
- het verzoek te gelasten dat het openbaar ministerie vervangende zekerheid aanvaardt of daartoe in overleg gaat met de verdediging;
- het onthouden van processtukken;
en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard.
2.De procesgang
3.Het eerste middel
4.Bespreking van het eerste middel
Met betrekking tot de media en journalisten - kort gezegd: de pers - geldt dat de toegankelijkheid van gerechtsgebouwen en openbare zittingen gehandhaafd is gebleven, onder de voorwaarde van overleg met het betreffende gerecht en/of behoudens eventuele met de inrichting van het gerechtsgebouw of de zittingszaal verband houdende beperkingen.
Daarbij komt in het bijzonder gewicht toe aan de toegankelijkheid voor de pers van de ruimte waar de zaak wordt behandeld. Onder omstandigheden kan ook anderszins worden voorzien in de mogelijkheid voor het publiek om het verloop van de behandeling van de zaak te volgen, zonder daartoe fysiek in de betreffende ruimte aanwezig te zijn. Daarbij kan worden gedacht aan een beeld- en geluidverbinding (waaronder een zogenoemde livestream) [onderstreping AG]in zaken die brede publieke aandacht trekken of waarvoor anderszins bijzondere belangstelling van derden bestaat.
5.Het tweede middel
€ 500.000,- teneinde urgente betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. De rechtbank heeft zoals hiervoor vermeld het primaire standpunt verworpen en de klager [klager 1] met betrekking tot het subsidiaire standpunt niet ontvankelijk verklaard. Over beide oordelen wordt in dit middel geklaagd.
6.De standpunten van de klager en het openbaar ministerie
Er is geen strafvorderlijk belang dat het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag rechtvaardigt, omdat volstrekt onduidelijk is of, en zo ja hoe hoog, een vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel jegens klager zal zijn. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een betalingsverplichting op zal leggen, omdat klager betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en de officier van justitie dit niet nader heeft onderbouwd. Het beslag is niet in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit, omdat sprake is van een wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de eventueel op te leggen betalingsverplichting. Ook aan de eisen van subsidiariteit is niet voldaan, omdat klager door het beslag onevenredig zwaar wordt getroffen. Door de officier van justitie is ten onrechte niet meegewerkt aan een aanbod tot vervangende zekerheid. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het beslag mee te wegen dat door de onthouding van processtukken sprake is van een ongelijke procespositie.
Standpunt officier van justitieHet standpunt is door de officier van justitie ter zitting nader toegelicht aan de hand van aan de rechtbank overgelegde aantekeningen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Zij heeft daartoe - samengevat - het volgende gesteld. Klager wordt verdacht van feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. De omstandigheid dat de rechter-commissaris een machtiging tot beslaglegging heeft afgegeven en is overgegaan tot doorzoekingen ter inbeslagneming, geeft aan dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, aan klager een verplichting tot betaling van een geldboete of een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Namens klager is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan het beslag zou moeten worden opgeheven. Verder is geen deugdelijk onderbouwd en schriftelijk aanbod voor een alternatieve zekerheidsstelling ingediend.”
84. Anders dan de Officier van Justitie meermaals stelt, is een bankgarantie niet de enige manier waarop zekerheid kan worden gesteld. Vele vormen van zekerheid zijn mogelijk. Het verbaast de verdediging dat de Officier van Justitie daarmee niet bekend is. Het LBA [15] is dat in elk geval zeker. (…)
87. De verdediging heeft ten tijde van de doorzoeking ter inbeslagneming aan de Officier van Justitie gevraagd om overleg over het conservatoir beslag. Kort na de doorzoeking ter inbeslagneming is dit verzoek schriftelijk gemotiveerd herhaald. Daarbij is vervangende zekerheid aangeboden, ter hoogte van ten minste het beslagen bedrag. Steeds is verzocht om overleg teneinde tot een oplossing te komen. [klager 1] werd immers direct geconfronteerd met het niet kunnen nakomen van diverse betalingsverplichtingen als gevolg van het conservatoir beslag.
88. Het is mijn ervaring dat een dergelijk overleg juist in het begin van de zaak efficiënt kan zijn en zelfs mogelijk deze beklagprocedure had kunnen voorkomen.
89. De verdediging heeft via haar brief van 14 februari jl. met bijlagen vervangende zekerheid geboden in de vorm van een combinatie of gedeelte van: - niet beslagen onroerend goed: woningen en - een bedrijfspand in Zaltbommel - een partieel pandrecht op de aandelen in het [concern] met een geschat eigen vermogen van EUR 8.869.000,- conform de vastgestelde jaarrekening d.d. 2018.
90. De verdediging is te allen tijde bereid geweest om hierover overleg te voeren met het OM. Klager is bereid om alle medewerking te verlenen die nodig is om de gewenste vervangende zekerheid te bewerkstelligen en heeft ook benadrukt dat gedeeltelijke opheffing van het beslag in ruil voor vervangende zekerheid absoluut een optie is.
91. De OvJ is hier op geen enkel moment op ingegaan en blijft bij het stellen van een bankgarantie. Het aanbod tot (gedeeltelijke) vervangende zekerheid, is onbesproken gebleven. De verdediging kan helaas niet anders dan die opstelling inderdaad opvatten als een niet meewerkende houding.
92. Daarbij helpt het niet mee dat de Officier van Justitie heeft aangegeven bij voorkeur alleen schriftelijk te willen communiceren.
93. De Officier van Justitie stelt in haar brieven steeds dat een bankgarantie het enige alternatief zou zijn voor het (gedeeltelijk) opheffen van de beslagen op de banktegoeden van [klager 1] . Dit standpunt wordt in de schriftelijke reactie herhaald.
94. Zoals meermaals aangegeven aan het OM, is dit feitelijk onjuist en wordt hiermee geen redelijk alternatief geboden aangezien hiermee geen geld vrijkomt dat kan worden gebruikt ten behoeve van de aangehechte betalingsverplichtingen. Een bank zal immers in ruil voor een bankgarantie een ‘contragarantie’ eisen, een zekerheid willen bedingen, door een bedrag ter hoogte van de bankgarantie te blokkeren. Dit heeft derhalve dezelfde consequenties voor [klager 1] als conservatoir strafrechtelijk beslag. Daarmee komt er derhalve geen geld vrij om aan de betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, het tegendeel zal aan de orde zijn. De Officier van Justitie presenteert dit als een redelijk alternatief maar dat is het in casu niet.
95. In de brief van 10 april jl. stelt de OvJ te begrijpen dat er voor [klager 1] nadelen kleven aan een bankgarantie, maar zo stelt ze “het is de enige mogelijkheid die de wet biedt”. Dit laatste is feitelijk onjuist. Ik wijs op de tekst van art. 118a lid 2 Sv. Daarbij merk ik op dat het ook in de praktijk regelmatig voorkomt dat in goed overleg met het OM en het LBA vervangende zekerheid wordt gesteld die wordt geaccepteerd. Het OM heeft expertise om de contracten ter zake op te stellen.
96. De Officier van Justitie stelt volgens de verdediging ten onrechte dat de aangeboden alternatieve zekerheden onvoldoende zekerheid voor het OM zouden bieden en onderzoekt ook niet of het gedeeltelijk aanvaarden van het aanbod tot vervangende zekerheid een mogelijkheid zou zijn zodat er in elk geval geld vrijkomt om aan de betalingsverplichting van € 478.710,65 te kunnen voldoen.
97. De Officier van Justitie stelt dat [klager 1] de eerder aangeboden alternatieve zekerheden in de vorm van niet beslagen onroerend goed en een pandrecht op de aandelen van de onderneming zou kunnen aanbieden aan de bank om een bankgarantie te verkrijgen. Ook dat is, zoals reeds aangegeven, geen redelijk alternatief.
98. Gelet op het onderhavige lopende strafrechtelijk onderzoek heeft de contactpersoon van cliënt bij de Rabobank zich reeds mondeling jegens [klager 1] namens de Rabobank op het standpunt gesteld dat er gelet op wet- en regelgeving en interne richtlijnen van de Rabobank geen nieuwe dienstverlening mag plaatsvinden. De huidige dienstverlening gaat gelukkig vooralsnog wel door zodat de ondernemingen financieel op dit moment niet in gevaar komen.
99. Een bankgarantie betreft nieuwe dienstverlening, en zal niet plaats kunnen vinden gedurende het strafrechtelijk onderzoek.
100. Aan mijn pleitnota hecht ik ter onderbouwing een geanonimiseerd bericht uit een andere zaak waarbij de Rabobank zich recent ook - maar dan ook schriftelijk - op het standpunt heeft gesteld dat geen nieuwe dienstverlening zal plaatsvinden gedurende het strafrechtelijk onderzoek (bijlage 6). Een bankgarantie is dus geen optie, laat staan een redelijk alternatief.
101. Voor wat betreft de ING bank, geldt dat deze bank nog geen vragen heeft gesteld naar aanleiding van het gelegde conservatoir beslag. [klager 1] wil dat vanzelfsprekend zo houden. Op het moment dat ook de ING Bank haar dienstverlening jegens cliënt zou opschorten, worden de financiële problemen alleen maar nog groter, nu de vastgoedportefeuille van [klager 1] dee|s is opgebouwd uit een financiering vanuit de ING Bank. Het is aannemelijk dat een verzoek om een bankgarantie, dit proces aanwakkert/versnelt. Het behoeft geen nadere toelichting dat cliënt grotere financiële problemen wil voorkomen.
102. Een bankgarantie betreft derhalve geen redelijk alternatief.
103. Concluderend geldt dat het OM volgens de verdediging heeft gehandeld in strijd met beginselen van subsidiariteit. Het OM stelt zich ten onrechte op het standpunt dat een bankgarantie de enige manier is waarop zekerheid kan worden gesteld. Dat is feitelijk onjuist. Dit betreft evenmin een ‘redelijk’ alternatief. Voorts wijst het OM de vervangende zekerheid die zijdens de verdediging is aangeboden ten onrechte van de hand, zonder die mogelijkheid te onderzoeken en zonder daarover in overleg te gaan.
104. De verdediging merkt op dat zij nog altijd graag mee zal werken aan een redelijke alternatieve vorm van zekerheid en daarover in overleg wenst te treden met het OM. Het eerder aangeboden en niet beslagen onroerend goed met overwaarden biedt volgens de verdediging een uitstekend alternatief, waarna er een deel van het beslag op de banktegoeden vrij kan komen en de betalingsverplichtingen door [klager 1] (grotendeels) kunnen worden voldaan. Het is voor hem van belang dat in elk geval het bedrag van bijna € 500.000,- aan betalingsverplichtingen op korte termijn kan worden voldaan.”
- bij alinea 100: de Rabobank is de kredietverstrekkende bank van [klager 1] en heeft in reactie op het persbericht dat op de dag na de zoeking is uitgebracht meegedeeld geen nieuwe dienstverlening meer te zullen verrichten. Alleen de huidige dienstverlening gaat door. Een bankgarantie is als gevolg daarvan geen optie;
- na alinea 103: de proportionaliteit ziet op de wanverhouding tussen de omvang van het beslag en de eventueel op te leggen betalingsverplichting. Voor de subsidiariteit is de weigering om de alternatieven die zijn aangeboden te onderzoeken van belang. (…)
De officier van justitie deelt, zakelijk weergegeven, het volgende mee. Aanvullend op de stukken die ik straks zal overleggen, merk ik het volgende op. (…)
Wat betreft het bieden van vervangende zekerheid: er wordt verontwaardigd gesproken over overleg met het OM. Ik heb geen schriftelijk onderbouwd alternatief gekregen. Ik hoor eerst hier op zitting dat de Rabobank niet wenst mee te werken aan een bankgarantie. Vorige week is per e-mail een voorstel voor alternatieve zekerheid verzonden, waarna uit onderzoek blijkt dat het pand dat wordt aangeboden niet in eigendom is van klager. Ik doe herhaald het verzoek om bij een alternatieve zekerheidstelling op schrift te komen met een met stukken onderbouwd redelijk alternatief. Dat ontbreekt tot nu toe. Wat resteert is een bombardement van e-mailberichten en brieven. U merkt mijn irritatie.”
7.De beschikking
Het klaagschrift strekt er mede toe dat de rechtbank gelast dat het OM vervangende zekerheid aanvaardt of daartoe in overleg gaat met de verdediging. De wet kent deze mogelijkheid niet.“
Maatstaf(…)
Het beklag richt zich verder tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a Sv, eerste en tweede lid Sv. De rechtbank dient ten aanzien van dat beslag te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
OverwegingenDe rechtbank stelt vast dat de kennisneming van bepaalde processtukken, waaronder het proces-verbaal van verdenking, aan klagers is onthouden. Door de rechter-commissaris is geoordeeld dat het onthouden van deze processtukken gerechtvaardigd is gelet op de aard en omvang van de verdenking, het nog te verrichten documentenonderzoek, de nog te horen personen en het daarin besloten liggende collusiegevaar. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het onderzoeksbelang eraan in de weg staat dat alle stukken van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan de raadkamer worden overgelegd.
Op grond van de inhoud van deze processtukken heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat sprake is van een verdenking die aanleiding gaf tot het doorzoeken van de woningen. De doorzoeking in het bedrijfspand is gebaseerd op dezelfde verdenking. Tevens is door de rechter-commissaris op basis van deze verdenking een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag verleend. Gelet op het inhoudelijk oordeel van de rechter-commissaris is naar het oordeel van de rechtbank in deze fase van het onderzoek voldoende gebleken dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld van klagers aan de hiervoor genoemde misdrijven.
8.Bespreking van het tweede middel
9.Het derde middel
10.Standpunt van de klagers, de advocaten en het openbaar ministerie.
11.De beschikking
Het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslagGelet op de aard en omvang van de verdenking en het onderzoek is de rechtbank van oordeel dat de inbeslagneming van bankbescheiden, fysieke administratie en datadragers met digitale administratie met betrekking tot de onderzoeksperiode, mede gelet op de fase waarin zich het onderzoek bevindt, in het belang is van strafvordering en niet onrechtmatig is.
Het beslag is derhalve rechtmatig gelegd. (…)”
12.Bespreking van het derde middel
mr. Benhaim gewezen op de aanwezigheid van geheimhouderstukken in zowel het fysieke als het digitale beslag. Kort na de doorzoeking hebben beide advocaten van de klagers schriftelijk aan de officier van justitie kenbaar gemaakt dat zij zich op hun verschoningsrecht beroepen. [29]
‘dat het Openbaar Ministerie en de opsporingsinstanties dienden te onderzoeken of onderdelen van het beslag mogelijk onder het verschoningsrecht van geheimhouders vallen’, onjuist is. Ook hierin heeft de steller van het middel het gelijk aan zijn zijde. Gelet op art. 98 Sv Pro is het juist aan de rechter-commissaris om hierover te oordelen.
'door de officier van justitie is toegezegd dat eventuele geheimhouderstukken buiten het beslag zullen blijven. De vraag of inbeslagneming of kennisneming van stukken was toegestaan, is derhalve niet aan de orde, zodat er geen aanleiding is de gegevens of documenten in handen te stellen van de rechter-commissaris.'De overweging miskent volgens de steller van het middel dat van inbeslagneming van geheimhouderstukken reeds sprake is wanneer deze aan de feitelijke macht van de beslagene worden onttrokken en in de macht van de het openbaar ministerie terecht komen, ook als dat is gebeurd ter beoordeling van de stukken. [37] Bovendien staat vast dat door 'geheimhoudermedewerkers van de NVWA' inhoudelijk kennis is genomen van de stukken. Met de steller van het middel ben ik van mening dat het oordeel van de rechtbank dat de vraag of inbeslagneming of kennisneming van stukken was toegestaan niet aan de orde is, zodat evenmin aanleiding bestaat de gegevens of documenten in handen te stellen van de rechter-commissaris, onjuist en onbegrijpelijk is gemotiveerd.
‘door klagers niet aannemelijk (is) gemaakt dat zich na deze filtering nog geheimhouderstukken in het beslag zouden bevinden en evenmin (is) aangegeven om welke stukken het dan zou gaan'.De steller van het middel benadrukt dat de klagers in dezen geen verwijt kan worden gemaakt. Niet alleen vanwege de omvang van het beslag, maar ook omdat de procedure van art. 98 Sv Pro juist in het leven is geroepen om hier helderheid over te verschaffen. Ook dat onderschrijf ik. Uit de hiervoor genoemde jurisprudentie blijkt dat zodra de beslagene melding maakt van de aanwezigheid van geheimhouderstukken en de schending van het beroepsgeheim, dit standpunt door de organen van politie en justitie moet worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het is dus niet aan de klagers om hun stelling in deze aannemelijk te maken.