Conclusie
1.Inleiding
rebound(na twee eerdere cassaties), veroordeeld tot een geldboete van € 500.000, wegens (i)
“opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”.
2.Overzicht van verwikkelingen
prepaidtelefoonkaarten (dat zijn voor de BTW (belichaming van) telecommunicatie
diensten; geen
goederen) die feitelijk binnenslands zijn verkocht. De verdachte kocht de telefoonkaarten in bij [A] , die haar 19% BTW in rekening bracht en die die BTW voldeed aan de fiscus. De verdachte verkocht de kaarten door en trok de haar door [A] in rekening gebrachte 19% BTW in haar aangiften omzetbelasting af (
input-BTW). Zelf bracht zij over ruim 40% van de door haar verkochte kaarten geen BTW in rekening omdat die volgens haar facturen verkocht zouden zijn aan het Belgische bedrijf [B] , met verlegging van de BTW-heffing naar die afnemer in België. De feitenrechters hebben vastgesteld dat de op naam van [B] gefactureerde telefoonkaarten niet aan [B] zijn verkocht maar aan personen op diverse locaties in Rotterdam, die hen op de Nederlandse markt hebben verkocht.
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd” en (iii) “
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”. De rechtbank heeft de dagvaarding ter zake van een feit (ii) (valsheid in geschrift; art. 225 Sr Pro.) nietig verklaard omdat dat feit in de tenlastelegging onvoldoende concreet was omschreven: niet gespecificeerd was om welke facturen het ging, noch waarin de valsheid feitelijk had bestaan. In hoger beroep heeft het gerechtshof te Arnhem de verdachte op 22 juli 2009 veroordeeld ter zake van de feiten (i) en (iii), tot een geldboete van € 1.400.000.
Lebara Ltd(zie onderdeel 6.5 hieronder). Het Hof Den Bosch heeft bij arrest van 21 januari 2014 de verdachte ter zake van feit (i) veroordeeld tot een geldboete van € 540.000 en haar ter zake van feit (iii) vrijgesproken.
input-BTW in aftrek kan worden gebracht als duidelijk is dat de transactie onderdeel is van een reeks transacties waarbij omzetbelasting wordt ontdoken.
multi purposetelefoonkaarten zijn omzetbelastingtechnisch geen goederen, maar (belichaming van)
diensten, nl. van rechten (om te bellen, internet te gebruiken en dergelijke). U zie art. 6(2)(d)(ten 8e) Wet OB in onderdeel 5.4 hieronder: ‘het recht om gebruik te maken van [telecom] capaciteit’. Ik zal de term ‘levering’ dus vermijden, hoewel men in het spraakgebruik heel wel diensten kan ‘leveren’. Omzetbelasting-technisch maakt het verschil of het om een goed of een dienst gaat, onder meer voor de bepaling van de plaats van de prestatie en de verleggingsregeling. Dat is in onze zaak van belang omdat de plaats van een telecommunicatiedienst is de plaats van de afnemer; als dat België is, is de BTW-heffing bovendien verlegd naar België, zodat de BTW-aspecten van die dienst beheerst worden door Belgisch recht. Bovendien gaat de
Kittel and Recolta-en
Italmoda-rechtspraak van het HvJ EU over aftrekweigering bij fraude (zie 6.23 e.v. hieronder) alleen over (carrouselfraude met)
goederen(lichamelijke zaken), zodat hij minder goed past op
diensten, nu met diensten in beginsel geen carrouselfraude kan worden gepleegd. Bij grensoverschrijdende B2B-telecomdiensten is de plaats van dienst die van de afnemer en gaan in beginsel geen goederen de grens over. Ook de litigieuze telefoonkaarten, die (belichaming van) telecom
dienstenzijn, hoefden geenszins de grens over te gaan als zij door de verdachte wél aan een Belgische belastingplichtige zouden zijn verkocht. Omdat leveringen en diensten verward worden, wordt in de processtukken en uitspraken ook vaak gesproken van (gefingeerde) ‘leveringen’ tegen het ‘nultarief’ voor ‘intracommunautaire transacties’. Dat is omzetbelastingtechnisch onjuist: omdat het om
dienstengaat, die door de werking van art. 6 Wet Pro OB 1968 verricht worden in het land van de gefingeerde afnemer, gaat het niet om een levering tegen een nultarief, maar om verlegging van de BTW-heffing naar België. Als ook België de verkoop van dergelijke telefoonkaarten (telecommunicatiediensten dus) – net als de Nederlandse Staatssecretaris van Financiën (zie 5.9 hieronder) –
vrijgesteldachtte, dan zou ook in het gefingeerde scenario, net als in het werkelijke scenario, geen BTW verschuldigd zijn geweest op de verkoop, hoogstens – maar pas vanaf 2013 (zie 5.11 en 5.12 hieronder) - over de marge tussen in- en verkoop van de verdachte.
3.Bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen
tijdenszijn verhoren verstoken is geweest van rechtsbijstand verwerpt het hof dit verweer.
output-BTW was verschuldigd. Aldus oordeelde ook de belastingkamer van het Hof Den Bosch. Ik herhaal dat als wél aan [B] verkocht zou zijn, de plaats van dienst België zou zijn geweest en de heffing verlegd zou zijn geweest naar België, zodat Belgisch recht beslissend zou zijn geweest voor de BTW-heffing (bij de Belgische afnemer) en de verdachte wél recht gehad zou hebben op aftrek van
input-BTW.
4.Het cassatieberoep
eerste middelstelt in drie onderdelen dat de bewezenverklaring niet naar de eisen van de wet met redenen is omkleed omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat:
input-BTW er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.
tweede middelacht de uitspraak van het Hof nietig omdat:
derde middelbestrijdt ‘s Hofs oordeel dat geen sprake was van een fiscaalrechtelijk objectief pleitbaar standpunt.
vierde middelkomt op tegen ‘s Hofs afwijzing van het verzoek om de zaak aan te houden om de verdediging gelegenheid te geven om de door de advocaat-generaal ter zitting gepresenteerde nadeelberekening te verifiëren.
vijfde middelklaagt dat het Hof uw verwijzingsopdracht en de onschuldpresumptie heeft miskend door te oordelen dat “er feitelijk geen sprake was van intracommunautaire leveringen maar van binnenlandse leveringen
en dat het gebruik van onjuiste valse facturen dit moest verhullen”, nu dat deel van de dagvaarding nietig was verklaard in eerste aanleg.
zesde middelstelt dat het Hof heeft verzuimd een met redenen omklede beslissing te geven op het verweer dat de door [medeverdachte] , directeur en vertegenwoordiger van de verdachte in rechte, afgelegde verklaringen wegens schending van art. 6 EVRM Pro niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, althans dat het Hof de door [medeverdachte] bij de politie afgelegde verklaringen van 22 juni 2004 (vanaf 14.00 uur), 23 juni 2004, 24 juni 2004 en 27 juni 2004 in strijd met art. 6 EVRM Pro tot het bewijs heeft gebezigd, hoewel [medeverdachte] :
zevende middelklaagt over de motivering van de geldboete. Uit de uitspraak van de belastingkamer van het Hof Den Bosch volgt dat naheffing van de afgetrokken
input-BTW ten laste van de verdachte rechtens niet mogelijk was, zodat de strafkamer niet kon oordelen dat de verdachte onrechtmatig omzetbelastingvoordeel wilde behalen.
5.Regelgeving en wetgeschiedenis
Regelgeving
input-BTW:
multi-purposetelefoonkaarten aan de klant levert:
multi-purposetelefoonkaarten via andere kanalen (tussenhandelaren) vermeldt het nieuwe (2013) besluit uitdrukkelijk een beleidswijziging: de telecommunicatie-dienst blijft vrijgesteld, maar de marge van de tussenhandelaar is wél belast:
mogelijkheidkan ontstaan dat daardoor te weinig belasting wordt geheven, maar nu vereist is dat zij daartoe objectief
strekken, alsmede dat ook dit nieuwe bestanddeel, net als het oude gevolgbestanddeel, onttrokken is aan het schuldverband:
6.Rechtspraak en literatuur
De belastingprocedure van de verdachte
input-BTW op grond van het gelijkheidsbeginsel in aftrek kon brengen hoewel zij aan de
output-kant geen BTW in rekening hoefde te brengen of te voldoen wegens vrijstelling van de door haar verrichte diensten: [14]
- b) dat D met ingang van 1 januari 2003 overeenkomstig evenbedoelde resolutie bij uitgifte van dit soort kaarten geen omzetbelasting meer in rekening bracht, en
- c) dat de overige telecommaatschappijen ook na 31 december 2002 nog enige tijd zijn doorgegaan met het in weerwil van de onder (a) bedoelde resolutie bij uitgifte van dit soort kaarten omzetbelasting in rekening te brengen (en op aangifte te voldoen).
V-Nheeft deze uitspraak van de volgende aantekening voorzien:
BNB2015/30 [15] ingegaan op welke manier (de diensten te kopen met) multifunctionele telefoonkaarten in de omzetbelasting moeten worden betrokken. Zij achtte het mogelijk dat het Nederlandse beleid (verkoop van de kaart is een vrijgestelde handeling inzake ‘waardepapieren’) niet strookt met het Unierecht:
Astra Zeneca [24] heeft het HvJ EU de verstrekking van
retail vouchersdoor werkgevers aan werknemers beschouwd als een (belaste) dienst onder bezwarende titel. De werknemer betaalt BTW over de bonnen op het moment dat hij bonnen in plaats van geld kiest als salaris. Pas nadat de werknemer de bonnen daadwerkelijk heeft gebruikt, wordt de BTW aan de fiscus betaald, door de winkelier of dienstverrichter die met de bonnen wordt betaald:
Lebara Ltd [25] betrof verkoop van
single purposetelefoonkaarten door Lebara aan distributeurs, die de kaarten op eigen naam en voor eigen rekening verkochten aan eindverbruikers. De vraag was of Lebara daarmee één of twee prestaties verrichte: één jegens de distributeur en één jegens de uiteindelijke consument. Het HvJ oordeelde dat Lebara maar één (belaste) telecommunicatiedienst leverde, aan de distributeur:
single purposetelefoonkaarten niet ziet als een (vrijgestelde) handeling inzake ‘waardepapieren’. In verdachte’s geval gaat het echter om
multiple purposekaarten, terwijl uit
Lebarablijkt dat het Hof van belang vond dat de consument maar één ding kon met de kaarten (internationaal bellen) en dat tevoren vast stond hoelang. Dat is bij
multiple purposekaarten anders, met name als de eindgebruiker wél in een of andere relatie tot de telecom-aanbieder komt te staan.
Granton Advertising BV [26] betrof ‘Grantoncards’ die aan consumenten werden verkocht voor bedragen tussen € 15 en € 25 en die recht gaven op korting op aankopen bij aangesloten bedrijven. Het HvJ achtte de verkoop van de kaarten niet vrijgesteld van BTW als ‘waardepapier’ omdat geen duidelijk verband bestond tussen de betaling voor de kaart en de mogelijke prijskortingen:
te laagbelastbaar bedrag was aangegeven, nu dat was tenlastegelegd, hoewel volgens de delictsomschrijving het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van de aangifte volstaat voor strafbaarheid:
BNB1993/193. [29] In die zaak overwoog uw belastingkamer:
[K]-arresten van uw belastingkamer (HR
BNB2017/162 t/m HR
BNB2017/164 [30] ), over een grootschalige belastingontwijkingsconstructie, vermeldt het volgende over het pleitbare standpunt in het belastingrecht en het strafrecht:
una viaregel (art. 5:44 Awb Pro en art. 243(2) WvSv). [32] Aangenomen al dat de strafkamer een andere benadering volgt dan de belastingkamer (erg duidelijk vind ik dat niet: de strafzaak HR NJB 2012/727 (…) [zie 6.10 hierboven; PJW] kan ook gezien worden als vergelijkbaar met de boven geciteerde gevallen van de optiegenieter [die het niet-pleitbare standpunt innam dat de opties in geen enkel belastingjaar belastbaar zouden zijn; PJW] en de xtc-producent [die geen enkele inkomstenbron had aangegeven; PJW]: uit telefoontaps en getuigenverklaringen bleek dat de verdachte belastingadviseur nooit de intentie had enig pleitbaar standpunt in te nemen maar juist wist dat zijn cliënt niet in België woonde; jokken over de feiten, kortom), dan acht ik het niet wenselijk dat die eventuele andere benadering van de strafkamer doordringt in het fiscale punitieve bestuursrecht. Als de strafkamer al een andere koers vaart (ik vermoed dat de uitkomst zelden anders zal zijn), dan zal dat denkelijk komen doordat het strafrecht binnen diens
subjectieveopzetdogmatiek niet uit de voeten kan met
objectievepleitbaarheid als disculperende omstandigheid. De oplossing daarvoor ligt echter binnen het strafrecht en voor de hand. Zoals Ilsink al opmerkte (… [33] ) kan het punitief-bestuursrechtelijke objectief pleitbare standpunt in de strafrechtelijke dogmatiek ingepast worden in het strekkingsvereiste van de opzetdelicten van art. 69 AWR Pro: als een standpunt objectief pleitbaar blijkt te zijn, strekte de gedraging er (dus) (objectief) niet toe dat te weinig belasting wordt geheven en is dus dat delictsbestanddeel niet vervuld, zodat vrijspraak volgt, geheel in lijn met uw bestuurlijk-punitieve rechtspraak. Ik merk op dat het strekkingsvereiste juist in de strafwet is gekomen om de te lage heffing aan het opzetverband te onttrekken, dus om te objectiveren. [34] U formuleerde het aldus dat: [35]
[K]-zaken (HR
BNB2017/162 t/m HR
BNB2017/164) heeft de Hoge Raad het pleitbare standpunt in het fiscale boeterecht ingepast in de strafrechtelijke dogmatiek voor de toepassing van art. 69 AWR Pro (fiscale misdrijven):
[K]-arresten afgeronde – dissertatie op dat aan de beslissing op een beroep op een pleitbaar standpunt een antwoord op twee vragen ten grondslag zou moeten liggen: (i) is het standpunt pleitbaar, en (ii) leidt dat tot afwezigheid van opzet of grove schuld. Bij de eerste vraag zijn subjectieve omstandigheden niet van belang; bij de tweede vraag zouden die wel relevant moeten zijn. Zij stelt echter vast dat in de fiscale boeterechtspraak een pleitbaar standpunt steeds zonder meer leidt tot afwezigheid van opzet en grove schuld zonder dat acht wordt geslagen op de criteria die overigens voor opzet of grove schuld zouden gelden.
Salduz v. Turkey [39] betrof de 17-jarige Salduz die op 29 mei 2001 werd aangehouden en in bewaring gesteld op verdenking van deelname aan een niet-verboden demonstratie tot steun aan de PKK en van ophanging van een illegaal spandoek aan een brug. Hij was door de politie ondervraagd zonder advocaat. Volgens zijn aldus afgelegde verklaring had hij meegedemonstreerd en het spandoek opgehangen. Op 1 juni 2001 daarentegen verklaarde hij tegenover de openbaar aanklager en de onderzoeksrechter dat hij ter plekke was om een vriend te bezoeken en dat hij geen deel had gehad aan enige illegale activiteit. De onderzoeksrechter beval voorlopige hechtenis; Salduz kreeg (pas) toen toegang tot een advocaat. Hij werd uiteindelijk door een ‘State Security Court’ veroordeeld tot tweeëneenhalf jaar gevangenis. Zijn zonder advocaat afgelegde belastende verklaringen werden als bewijs gebruikt. Het EHRM achtte art. 6(3) juncto art. 6(1) EVRM geschonden door het ontbreken van een advocaat bij het politieverhoor:
NJ2009/349 [40] dit arrest aldus uitgelegd dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn verhoor een advocaat moet kunnen raadplegen, maar dat het niet inhoudt dat een aangehouden verdachte recht heeft op aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor, behalve als hij/zij jeugdig is:
Salduzzelf en het latere EHRM-arrest
Ibrahim a.o. v UK [42] zijn overigens evenzeer bekritiseerd. [43] Ik merk op dat ik de volzin waarmee uw bovenstaand arrest begint, niet goed begrijp: van de rechter wordt immers niet gevraagd om ‘een algemene regeling van de rechtsbijstand met betrekking tot het politieverhoor’ op te stellen, en te minder om de ‘beleidsmatige, organisatorische en financiële aspecten’ daarvan te regelen. Hem wordt slechts gevraagd te beoordelen of de verdachte een eerlijk proces heeft gehad. Dat een ontkennend antwoord op die vraag beleidsmatige, organisatorische en budgettaire implicaties voor de wetgevende en uitvoerende machten kan hebben, laat zich horen.
NJ2016/52, [44] bent u van koers veranderd. U erkende het recht op verhoorbijstand, maar alleen
prospective,
i.e.pas vanaf 1 maart 2016:
Salduzen ook in latere arresten zoals
Navone [45] laat hij ruimte voor (zwaarwegende) rechtvaardigingen voor het onthouden van verhoorbijstand en consultatiebijstand, zelfs bij jeugdige verdachten. Toch vielen mijn ambtgenoot Knigge reeds in het
Salduz-arrest de ‘nogal absolute bewoordingen’ van het EHRM op. [46] Wat daarvan zij, uitgezonderd
pilot judgmentsen wellicht in de toekomst de nu nog nauwelijks ontwikkelde
advisory opinions, zijn alle arresten van het EHRM ‘casuïstisch’, met name die over de vraag of de verdachte, over het geheel van de procedure genomen een eerlijk proces heeft gehad, alle - door het EHRM vaak uitgebreid opgesomde - omstandigheden van diens specifieke geval in aanmerking genomen. [47] Niettemin lijkt duidelijk dat het EHRM als voorwaarde voor een eerlijk proces ex art. 6 EVRM Pro ziet dat de aangehouden verdachte
in beginselrecht heeft niet alleen op consultatie, maar ook op verhoorbijstand en dat de vervolgende overheid onthouding van verhoorbijstand moet rechtvaardigen als de aangehouden verdachte, na op dat recht te zijn gewezen, te kennen geeft er gebruik van te willen maken.
NJ2016/52 geformuleerde regels inzake het recht op verhoorbijstand en eventuele bewijsuitsluiting bij schending daarvan niet gelden bij schendingen van vóór 1 maart 2016:
Salduz) en met de hoofdregel van rechtsvinding dat het recht zoals uitgelegd door de rechter het geldende recht is en niet pas later ingaat, behoudens andersluidend rechterlijk overgangsrecht [49] , [50] . Het EVRM is volgens het EHRM een
living instrument, dat steeds toegesneden op
present day circumstancesmoet worden uitgelegd. [51] Ik zie in de EHRM-arresten
Salduz,
Ibrahim a.o.en
Navone a.o. geen rechterlijk overgangsrecht.
prospective overruling,niet van het recht op verhoorbijstand, maar wel van het eventuele gevolg ‘bewijsuitsluiting’ (ik laat voetnoten weg):
Kittel and Recolta(zie 6.23 hieronder) en
Italmoda(zie 6.24 hieronder), over ketenfraude. Ik merk op dat die zaken, anders dan verdachte’s zaak, over grensoverschrijdende transacties in
goederen(leveringen) gaan en niet over
diensten, en dat er bovendien in onze zaak geen sprake blijkt te zijn van grensoverschrijding. Bij de verkoop van diensten, zoals de telefoonkaarten, die (belichaming van) diensten zijn, en de toepassing van de daarvoor geldende verlegging van de BTW-heffing naar het land van de afnemer, hoeft in beginsel niets fysieks de grens over te gaan. Dat de telecommunicatiedienst belichaamd is in een fysieke telefoonkaart, is niet relevant. Bij verkoop van telecommunicatiediensten aan [B] is geenszins vereist dat de kaarten Nederland verlaten. Bij intracommunautaire
leveringen(dus van goederen) zoals in
Kittelen
Italmoda, gaan wél fysiek zaken de grens over. Daarbij is (carrousel)fraude mogelijk: toepassing van het nultarief voor de intracommunautaire levering, met bijbehorend recht op aftrek van
input-BTW, waarna de afnemer (de, naar later blijkt:
missing trader) in het andere land de verschuldigde BTW niet aangeeft en niet voldoet. U zie nader onderdeel 6.27 hieronder. Voor grensoverschrijdende
dienstengeldt echter geen
nultarief, maar een
verleggingsregelingdie de heffing naar de afnemer in het andere land verlegt (met behoud van aftrek van
input-BTW als het niet om vrijgestelde diensten gaat). Nu kan ook met de plaats-van-dienstregels gefraudeerd worden, door de verlegde BTW niet aan te geven, maar daarvan is in onze zaak geen sprake: [B] blijkt immers helemaal geen afnemer te zijn; de verdachte heeft uitsluitend in Nederland diensten verkocht.
Kittelen
Italmodavolgt, is dat als een ondernemer die op zichzelf recht heeft op een aftrek, vermindering of teruggaaf van BTW, blijkt te frauderen of moest weten dat zijn prestaties betrokken zijn bij BTW-fraude, dat recht op aftrek, vermindering of teruggaaf verliest,
zelfsals het interne recht niet in dat verlies van recht voorziet. Tussenhandelaren moeten doen wat redelijkerwijze van hen verlangd kan worden om te voorkomen dat zij onderdeel vormen van een BTW-fraudeketen. Als de fiscus fraude vaststelt, kan hij de frauduleuze aftrek van
input-BTW terugvorderen; dat kan niet bij goede trouw van de tussenhandelaar. Het HvJ EU overwoog in
Kittel and Recolta: [54]
Italmoda [55] betrof een belanghebbende die computeronderdelen (dus goederen) inkocht in onder meer Nederland en ze verkocht aan afnemers in Italië. Zij bracht de haar in rekening gebrachte inkoop-BTW in aftrek. De leveringen aan de Italiaanse afnemers gaf zij aan met toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen. In Nederland was aan alle wettelijke vereisten voor aftrek voldaan, maar de belanghebbende wist of had moeten weten dat zij in een BTW-fraudeketen zat waarvan de frauduleuze schakel in Italië zat. Nederland kon echter aftrek niet op basis van nationaal recht weigeren. Het HvJ oordeelde dat als de belanghebbende moet weten dat hij onderdeel is van een fraudeketen, de bevoegdheid tot aftrekweigering rechtstreeks uit het Unierecht zelf volgt. Dit is een hoogst interessant arrest omdat het sterk riekt naar omgekeerde verticale directe werking van een EU-richtlijn (ten nadele van de burger), iets wat het HvJ EU altijd expliciet heeft afgewezen. [56] Kennelijk werkt het ongeschreven algemene
beginselvan EU-recht dat strekt tot een verbod op misbruik en fraude wél rechtstreeks ten nadele van de (frauderende) burger, zélfs als daardoor de neutraliteit van de BTW-heffing verstoord zou worden. Dit impliceert mijns inziens dat het EU-recht de nationale autoriteiten ertoe verplicht de weigering van aftrek (mede) punitief te gebruiken in geval van geconstateerde fraude waarvan de belanghebbende de hoed en de rand gekend moet hebben, al ontkent het HvJ dat aftrekweigering in een dergelijk geval het karakter van een straf zou hebben:
EN.SA srl, [57] over fictieve circulaire leveringen van elektriciteit (om de boekhouding gunstiger voor te stellen met de bedoeling bankkrediet te verkrijgen) heeft het HvJ overwogen dat als er ondanks kwade trouw (valse facturen) uiteindelijk geen fiscaal nadeel is ontstaan, de lidstaten verplicht zijn om gelegenheid te bieden om een wettelijk op zichzelf terechte weigering van aftrek van
input-BTW te herzien. Bovendien is een boete in zo’n geval misplaatst. Conceptueel lijkt dit geval op het onze: de betrokkene beoogde iets verwerpelijks, maar veroorzaakte – zijns ondanks – daardoor geen BTW-nadeel. Het HvJ EU overwoog:
BNB2016/97 [58] het volgende over intracommunautaire transacties en BTW-(carrousel)fraude:
listingverplichting [68] ), is deze verplichting, noch de betaling van de verschuldigde belasting door de afnemer een voorwaarde voor de toepassing van het nultarief [69] en de aftrek van voorbelasting aan de zijde van de leverancier.
listingverplichting, is voor de betrokken belastingdiensten niet duidelijk aan wie de goederen zijn geleverd, waar de goederen naartoe zijn vervoerd (en dus waar btw is verschuldigd) en of de verschuldigde btw is voldaan. Initiatiefnemers van btw-fraude maken daar maar al te graag misbruik van.
zelfsniet gefingeerd, want de telefoonkaarten zijn geen goederen, maar (belichaming van)
diensten. Voor hun verkoop en voor de verlegging van de heffing naar de (wel gefingeerde) Belgische afnemer is irrelevant of zij naar België worden vervoerd. Wat er – mijns inziens geheel nodeloos - wordt gefingeerd, is een grensoverschrijdende dienst ter zake waarvan de heffing verlegd is naar België. Er is in verdachte’s geval echter helemaal geen Belgische afnemer, dus te minder een
missing traderdie in België verwerft zonder aangifte te doen en die bij doorlevering in België wel BTW berekent maar die in eigen zak steekt. In verdachte’s geval speelt alles zich binnen Nederland af. Als [B] wél de werkelijke afnemer van de dienst zou zijn geweest, zou [B] op basis van de Belgische regels hebben moeten vaststellen of de dienst aan Belgische BTW (ook) was vrijgesteld of onderworpen en in het laatste geval, die BTW hebben moeten voldoen (en meteen weer aftrekken als
input-BTW). Alles wat de verdachte werkelijk deed, speelde zich echter binnenslands af. Haar dubieuze verdienmodel, toegepast op ruim 40% van haar omzet, zat kennelijk in de prijs die zij en haar schimmige zakenpartners konden berekenen aan de eindverbruikers: alsof er omzetbelasting in begrepen was, terwijl die er niet in begrepen was. Er
hoefdeoverigens ook helemaal geen omzetbelasting in begrepen te zijn, nu handelingen inzake waardepapieren immers vrijgesteld zijn en de telefoonkaarten volgens de Staatssecretaris waardepapieren waren. Gezien verdachte’s geslaagde beroep op het gelijkheidsbeginsel voor de belastingkamer van het Hof Den Bosch, waren er meer ondernemers zoals zij die hetzelfde deden als zij (behalve het – geheel nodeloos - fingeren van dienstverrichting in België), hetgeen voor de hand ligt, nu immers de Staatssecretaris zelve meende dat (binnenlandse) verkoop van de litigieuze telefoonkaarten vrijgesteld was (‘waardepapieren’). Het enige dat daarbij fiscaalrechtelijk niet paste, was de aftrek van de
input-BTW op die 40% van de omzet, maar ook dat deden kennelijk verdachte’s concurrenten even zeer als de verdachte, gezien haar geslaagde beroep bij de belastingrechter dat het gelijkheidsbeginsel in de weg staat aan naheffing van die vooraftrek.
fiscaalrechtelijk als een nachtkaars uit gegaan.
Strafrechtelijk rijst daardoor de vraag of er nog wel een fiscaal misdrijf is. Wat in elk geval niet deugde, was het gebruik van valse facturen, dat volgens het Hof moest verhullen dat er geen intracommunautaire transacties waren (lees: geen grensoverschrijdende telecommunicatie-diensten waren ter zake waarvan de heffing verlegd was naar het land van de afnemer). De dagvaarding is ter zake van dát feit (ii) (valsheid in geschrift) echter nietig verklaard omdat het OM volgens de rechtbank had verzuimd aan te geven
welkefacturen vals waren en
water vals aan was. Zoals hieronder zal blijken, gaat de zaak daardoor mijns inziens ook strafrechtelijk uit als een nachtkaars: het enige waar strafrechtelijk wél perspectief in zat, waren juist die valse facturen, niet de aangiften omzetbelasting. Het OM heeft echter kennelijk niet opnieuw gedagvaard ter zake van die facturen, wat in beginsel wel mogelijk was geweest.
7.Beoordeling van de cassatiemiddelen
1e Leveringen/diensten belast met 0% of niet bij u belast” is ingevuld, ook afgeleid zou kunnen worden dat de verdachte heeft willen aangeven dat haar leveringen van telefoonkaarten waren vrijgesteld op grond van het beleidsbesluit van 19 juli 1995 (zie 5.9 hierboven). De aangifteformulieren laten de mogelijkheid open dat de verdachte daarop slechts heeft aangegeven dat het bedrag aan leveringen door de verdachte niet bij haar is belast, hetgeen niet in strijd is met het genoemde beleidsbesluit en strookt met de boven geciteerde uitspraak van de belastingkamer van Hof Den Bosch, aldus het middel.
rubriek 1evolgt inderdaad niet expliciet dat de verdachte intracommunautaire verkoop heeft aangegeven. Uit het gegeven dat zij in haar aangiften
input-BTW aftrok en bij haar overige binnenlandse leveringen (wel)
output-BTW in rekening bracht, heeft het Hof afgeleid dat de verdachte er in haar aangiften vanuit ging dat de verkoop van multifunctionele telefoonkaarten belast was, nu alleen bij belaste uitgaande prestaties
input-BTW kan worden afgetrokken. Niet gebleken is dat de verdachte meende dat zij vrijgestelde prestaties verrichte, nu daarbij geen
input-BTW kan worden afgetrokken. Ik merk op dat het bovendien, zoals boven bleek, bij grensoverschrijdende diensten zoals de verkoop van de litigieuze telefoonkaarten niet om vrijgestelde leveringen gaat, maar om (volgens de Staatssecretaris vrijgestelde) diensten die (beweerdelijk) in België werden afgenomen en ter zake waarvan eventuele BTW-heffing verlegd zou zijn naar België, zodat Belgisch (en EU-)recht bepaalt of de prestatie (aldaar) belast is. Wat daarvan zij: dit (bewijs)oordeel lijkt mij feitelijk, niet onbegrijpelijk, toereikend gemotiveerd en daarmee in cassatie onaantastbaar. Anders dan het onderdeel suggereert, was ook de belastingkamer van het Hof Den Bosch van oordeel dat de verdachte toepassing van de verleggingsregeling heeft aangegeven wegens verrichting van diensten in België hoewel feitelijk in Nederland werd gepresteerd (zie r.o. 2.4 en 4.2 in onderdeel 6.1 hierboven). Dat heeft zij blijkens de gebezigde bewijsmiddelen trouwens ook zelf op haar facturen aan [B] gezet.
input-BTW in de aangiften terecht in aftrek is gebracht, niet in het midden mogen laten hoe die uitspraak van de belastingkamer zich verhoudt tot de vraag of het werkelijk in aanmerking te nemen belastbare bedrag hoger is dan het door de verdachte opgegeven belastbare bedrag.
betalingvoorop (‘voldoening’ of ‘afdracht’): de aangifte dient er vooral toe om de fiscus in staat te stellen die betaling thuis te brengen. Ik meen daarom dat als ten laste is gelegd dat een aangifte omzetbelasting naar een ‘te laag bedrag’ is gedaan, bewezen moet worden dat over het desbetreffende aangiftetijdvak (doorgaans een maand)
per saldo(van
output- en
input-BTW) een lager bedrag is vermeld dan rechtens per saldo voldaan moest worden over dat tijdvak.
input-BTW weliswaar wettelijk niet aftrekbaar bij haar, maar oordeelde dat de Inspecteur desondanks de aftrek niet ongedaan kon maken door naheffing omdat zulks het gelijkheidsbeginsel zou schenden, nu de fiscus er in de andere met verdachte’s geval vergelijkbare gevallen in had berust dat die
input-BTW was afgetrokken door haar concurrenten. Ik merk op dat die berusting begrijpelijk is als men veronderstelt dat de fiscus ervan uitging dat (i) onterechte BTW-berekening door leveranciers, die wel aan de fiscus is voldaan door die leveranciers, gevolgd door aftrek ervan door de afnemers zoals de belanghebbende, in die schakel per saldo hetzelfde resultaat heeft als vrijgestelde levering (en levering van deze kaarten was volgens de fiscus vrijgesteld) en dat (ii) er tenslotte omzetbelasting is voldaan door de Telecombedrijven die de kaarten hebben uitgegeven: op één na berekenden die bedrijven immers alle omzetbelasting, in weerwil van het andersluidende beleidsbesluit van de Staatssecretaris, en voldeden die belasting. En ook het ene Telecombedrijf dat wél volgens de beleidsregel vrijgesteld leverde, heeft denkelijk omzetbelasting voldaan, nl. op het moment waarop diens met zijn kaarten te consumeren telecommunicatiediensten door eindverbruikers werden afgenomen. Ook het Hof overweegt in het thans bestreden arrest (zie 3.11 hierboven): “Het systeem was aldus dat pas op het moment dat van de betreffende kaart gebruik werd gemaakt over het gebruikte tegoed omzetbelasting verschuldigd was welke door de betreffende dienstverlener diende te worden afgedragen.”
input- als aan de
output-kant, of (ii) het onjuiste, maar pleitbare standpunt dat het aan beide kanten om belaste verkoop ging. Het Hof heeft uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte standpunt (ii) innam en daarom alle
input-BTW heeft afgetrokken, dat zij op 60% van haar verkopen ook zelf omzetbelasting heeft gefactureerd en dat zij op haar 40% (beweerdelijk) Belgische verkopen de BTW-heffing heeft verlegd naar de (beweerdelijke) Belgische afnemer. Dat laatste (verlegging) heeft het Hof binnen standpunt (ii) niet pleitbaar geacht, nu de belanghebbende vanaf 23 juli 2003 moet hebben geweten dat die 40% helemaal niet in België, maar in Nederland werd verkocht. Het Hof zou verdachte’s standpunt (ii) dus alleen pleitbaar geacht hebben als zij ook op die 40% omzetbelasting in rekening had gebracht. Enigszins impliciet trekt het Hof daaruit het gevolg dat de aangiften objectief geschikt waren om heffing tot een te laag bedrag te veroorzaken, nl. de onterechte aftrek van
input-BTW op de beweerdelijk in België verkochte kaarten.
al dan niet achteraf bezien’ de door de betrokkene aanvaarde kans dat de aangifte onjuist of onvolledig zou blijken te zijn, niet aanmerkelijk was. Als achteraf bezien blijkt dat de aangifte van het per saldo te betalen bedrag aan omzetbelasting niet alleen
pleitbaar, maar zelfs
rechtensniet te laag is door de werking van het gelijkheidsbeginsel, lijkt mij dat die aangifte er niet objectief, naar ervaringsregelen toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. De algemene ervaringsregel is juist dat het gelijkheidsbeginsel gehonoreerd wordt; dat is zelfs een
rechtsregel.
niet-naheffingsbeleid ter zake van zijns inziens vrijgestelde prestaties. Ik wijs erop dat de belastingkamer heeft vastgesteld dat de door de verdachte afgetrokken
input-BTW daadwerkelijk door [A] aan de fiscus is voldaan. Dat een opsporingsambtenaar – kennelijk onkundig van (i) de verwarring bij de Telecomaanbieders, (ii) het standpunt van de Staatssecretaris over het vrijgestelde karakter van verkoop van
mutiple purposetelefoonkaarten en (iii) de berusting van de fiscus in de aftrek van
input-BTW – als zijn mening in een proces-verbaal opneemt dat nadeel zou zijn geleden, is mijns inziens geen bewijs dat verdachte’s gedragingen
objectiefbezien strekten tot te lage heffing, noch dat
achteraf bezienhet standpunt niet pleitbaar zou zijn dat het per saldo aan de fiscus te betalen bedrag aan omzetbelasting
niette laag was.
output-zakenpartners allerlei foute bedoelingen hadden, lijkt mij niet onaannemelijk, gegeven de vastgestelde feiten. Voor het Hof lijkt ook vooral van belang te zijn dat geen sprake was van grensoverschrijdende maar van binnenlandse verkoop en dat het gebruik van valse facturen dat moest verhullen. Dat moge zo zijn, maar het opmaken of gebruiken van valse facturen wordt de verdachte niet (meer) ten laste gelegd. Dat deel van de dagvaarding is nietig verklaard wegens vaagheid. Dat het gebruik van valse facturen een kwalijke zaak is, laat zich horen, maar dan moet het OM die kwalijke zaak vervolgen en niet iets anders dat helemaal niet zo kwalijk blijkt, en ‘achteraf bezien’ zelfs rechtskundig onaantastbaar wordt bevonden door de belastingrechter. Het OM is na de nietigverklaring van de dagvaarding op het punt van de valsheid in geschrift echter niet opnieuw begonnen, wat in beginsel wel had gekund, nu nietigverklaring van de dagvaarding een nieuwe vervolging niet uitsluit. Dat de verdachte er daardoor, achteraf bezien, doorheen zwijnt, moge onwenselijk zijn, maar het
fiscaleresultaat dat zij wenste te bereiken blijkt achteraf fiscaalrechtelijk niet verwerpelijk. Dat is zeker niet haar verdienste, maar dat is geen reden om haar alleen wegens haar foute bedoelingen en haar niet (meer) ten laste gelegde valse facturen te veroordelen. Ironisch acht ik dat die valse facturen, achteraf bezien, ook nog volmaakt overbodig lijken te zijn geweest voor het kennelijk beoogde verdienmodel.
achteraf bezien, objectief pleitbaar was dat per saldo geen BTW verschuldigd was. Uit de onherroepelijke uitspraak van de belastingkamer van het Hof Den Bosch blijkt dat, achteraf bezien, dat standpunt niet alleen pleitbaar, maar rechtens
juistis, gegeven de vrijstelling voor de verkoop van deze telefoonkaarten en het niet-naheffingsbeleid van de fiscus wegens gebrek aan belang.
input-BTW, kan mijns inziens niet gezegd worden dat die aftrek naar haar aard in het algemeen geschikt zou zijn om teweeg te brengen dat
rechtensonvoldoende belasting wordt geheven.
curs. PJW):
al dan niet achteraf bezien, de door de betrokkene aanvaarde kans dat de aangifte onjuist of onvolledig zou blijken te zijn, niet aanmerkelijk was.”
nultariefof met
verlegdeheffing zijn aangegeven, maar
vrijgestelde(binnenlandse) verkopen. Zoals boven bleek (zie bij middel 1a), acht ik die stelling onjuist. Ook de belastingkamer van het Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat ten onrechte aangifte is gedaan van in België verrichte diensten ter zake waarvan de heffing verlegd zou zijn naar de plaats van de afnemer (België).
correctestandpunt dat niet méér omzetbelasting verschuldigd was dan de verdachte reeds voldaan had, gegeven dat de verkopen vrijgesteld waren en de fiscus beleidsmatig afzag van naheffing over vooraftrek, kennelijk wegens uiteindelijk ontbreken van omzetbelasting-nadeel. Er volgt ook reeds uit dat ik niet inzie waarom de verdachte strafrechtelijk vervolgd moet worden voor een feit waarvoor de fiscus bij andere, op het punt van onterechte vooraftrek vergelijkbare, ondernemers niet eens uit zijn stoel kwam om na te heffen.
input-kant een ander standpunt in te nemen (aftrek) dan aan de
output-kant (vrijgesteld), lijkt mij niet relevant, nu die belastingrechter ook heeft geoordeeld dat het standpunt dat per saldo geen omzetbelasting meer voldaan hoefde te worden, niet alleen pleitbaar was, maar zelfs rechtens
correctwas.
fiscaleeffect achteraf bezien - haars ondanks - (vrijwel) nihil blijkt te zijn, en dat vervolging wegens valsheid in geschrift (de valse facturen) bepaald meer voor de hand had gelegen. Op dat punt heeft het OM het echter laten afweten.
Kittel en Recoltaen
Italmoda, waaruit blijkt, aldus het Hof, dat ‘geen omzetbelasting in vooraftrek (kan) worden gebracht indien duidelijk is dat de transactie onderdeel uitmaakt van een reeks transacties waarbij omzetbelasting wordt ontdoken’. Zoals echter bleek, heeft de belasting-rechter onherroepelijk vastgesteld dat in casu geen sprake is van belastingontduiking, maar van een rechtskundig zelfs correct standpunt. Bovendien is, zoals in 6.27 uiteengezet, in casu geen sprake van enige grensoverschrijdende carrousel of keten of
missing trader, maar eerder van een putatief delict. Er zijn überhaupt geen intracommunautaire transacties, maar uitsluitend binnenlandse diensten, en er is geen sprake van ten onrechte niet-voldoen van berekende BTW verderop in de keten. De verdachte wordt (uiteindelijk) juist verweten dat haar eigen vooraftrek zelve frauduleus zou zijn, maar de belastingrechter heeft vastgesteld dat naheffing ter zake van die vooraftrek het recht schendt.
Kittelen
Italmodalijken mij op verdachte’s geval dus geen relevant licht te kunnen werpen. Bovendien blijkt uit het boven (6.25) geciteerde HvJ-arrest
EN.SA srldat in verband met het neutraliteitsbeginsel (dat men kan zien als een BTW-technisch species van het genus gelijkheidsbeginsel) vooraftrek niet geweigerd kan worden als uiteindelijk geen fiscaal nadeel is geleden, ook niet als de betrokken ondernemer niet te goeder trouw was, en dat alsdan zelfs geen boete opgelegd kan worden.
[K]zaken (zie 6.11 hierboven), of hoogstens aan ‘
voorwaardelijkopzettelijk’. Voor de kwalificatie ‘voorwaardelijk opzet’ heeft u immers inderdaad het objectieve kansvereiste gesteld dat de welbewust aanvaarde kans op het gevolg niet alleen in de beleving van de dader, maar ook
objectiefbezien aanmerkelijk was. [73] Voor de thans te berechten zaak maakt het overigens weinig uit, zoals boven bleek.
belasteprestaties ging en dus 19%
output-BTW berekend en voldaan zou hebben moeten worden. De Staatssecretaris en ook de Inspecteur in de
belastingprocedure van de belanghebbende waren echter van mening (zie 7.8 hierboven) dat het om
vrijgesteldeprestaties ging en dat (daarom) ten onrechte
input-BTW zou zijn afgetrokken. De verdachte zou dus mijns inziens, mede gezien de beginselen van een goede procesorde, [74] de gelegenheid hebben moeten krijgen om die (onjuiste) vooronderstelling en de gedetailleerde berekening te bestrijden. Het Hof had problemen kunnen voorkomen door de berekening tardief te verklaren. Het valt ook niet in te zien waarom zij niet eerder aan de verdediging overgelegd had kunnen worden.
elkverhoor is gewezen op het recht een advocaat te mogen consulteren, kan niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd [76] omdat daarvoor onderzoek naar feiten gedaan zou moeten worden. Met mijn ambtgenoot Knigge [77] meen ik overigens dat de rechtspraak van het EHRM geen grond biedt voor de stelling dat de politie de verdachte voorafgaand aan elk volgend verhoor opnieuw moet wijzen op het recht een advocaat te mogen consulteren. Dat zou bij kwetsbare verdachten anders kunnen zijn, maar bij de feitenrechter is niet aangevoerd dat de directeur tot die categorie behoort en het dossier geeft geen aanleiding daarvan uit te gaan bij de directeur, een zakenman.
Åkerberg Fransson [79] volgt weliswaar dat bestraffing van BTW-fraude het ten uitvoer brengen van EU-recht inhoudt zoals bedoeld in art. 51(1) EU-Handvest van de grondrechten en dat daarom dat Handvest daarop van toepassing is, maar ten tijde van de politieverhoren (2004) was dat Handvest nog niet in werking getreden. Dat gebeurde pas op 1 december 2009.
advisory opinionover de bevoegdheid van de nationale rechter om het recht op verhoorbijstand zoals voortvloeiende uit diens
Salduz-rechtspraak pas in 2016 te erkennen, zou wel zinvol kunnen zijn als u aan dit middel zou toekomen.
better placed authority, om te beoordelen welk gevolg aan een schending van het recht op een eerlijk proces moet worden verbonden. Voor bewijsuitsluiting lijkt vereist dat de procesgang, in zijn geheel beschouwd, geen
fair hearinginhoudt. [81] Daartoe zal denkelijk bij de feitenrechter meer moeten worden aangedragen dan de enkele omstandigheid dat het verdachte’s directeur bij latere verhoren heeft ontbroken aan rechtsbijstand. Nu het verweer in feitelijke aanleg op dat punt tekort lijkt te schieten, [82] vermoed ik dat het hof het verweer op dit punt alleen maar had kunnen verwerpen.
prepaidtelefoonkaarten waarbij zij het deed voorkomen dat een groot deel ervan naar België werd uitgevoerd, met het kennelijke doel om daarmee onrechtmatig omzetbelastingvoordeel te behalen. Door zo te handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschaad dat de fiscale overheid in omzetbelastingaangiften mag stellen.
bedoelinghad om haar omzet en winst fiscaal onrechtmatig grootschalig te verhogen door grootschalig omzetbelasting op haar verkopen te ontduiken en dat zulks – als geen vrijspraak volgt – een daarbij passende grootschalige geldboete verdient. De opgelegde straf lijkt mij alsdan dus niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.