Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
17 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een poging tot verkrachting van een destijds 13-jarig meisje. De verdediging verzocht het hof om de aangeefster als getuige te horen over de seksuele handelingen, de uitgeoefende dwang en de voorafgaande gebeurtenissen, teneinde haar verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen. Het hof wees dit verzoek af met het oordeel dat het verzoek geen verdedigingsbelang diende, omdat de vragen grotendeels al in een studioverhoor waren beantwoord en overige vragen geen relevantie hadden.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de beantwoording van de vragen niet van belang zou zijn voor de strafzaak en niet heeft vastgesteld dat de verdediging bij het studioverhoor in de gelegenheid was vragen te stellen. Tevens herhaalt de Hoge Raad de relevante jurisprudentie over het afzien van het horen van kwetsbare getuigen, waarbij het belang van het welzijn van de getuige zorgvuldig moet worden afgewogen tegen het recht op een eerlijk proces.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing, waarbij het verzoek tot het horen van de aangeefster opnieuw moet worden beoordeeld met inachtneming van de motiveringsvereisten en mogelijke beschermingsmaatregelen voor de getuige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van het verzoek tot het horen van de minderjarige aangeefster als getuige.