Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het middel
4.Slotsom
5.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het hof het verzoek van de verdediging tot het horen van een minderjarig kind als getuige had afgewezen. De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor ontuchtige handelingen met twee minderjarige meisjes in een zwembad.
De verdediging wilde het meisje dat een van de feiten betrof, als getuige horen middels een studioverhoor, gezien het belang van de verdachte om zich te kunnen verdedigen. Het hof wees dit verzoek af, stellende dat het belang van het welzijn van het minderjarige slachtoffer ernstig geschaad zou kunnen worden, mede gelet op het tijdsverloop en de verklaring van de moeder.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft vermeld die het oordeel ondersteunen dat het welzijn van het kind door het getuigen zou worden geschaad. Ook heeft het hof niet overwogen of beschermende maatregelen getroffen konden worden. Hierdoor is het belang van de verdachte onvoldoende meegewogen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.