Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende kreeg in 2014 aandelen geschonken van zijn ouders in een houdstermaatschappij die meerdere ondernemingen omvatte. De inspecteur weigerde de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) op twee indirecte aandelenbelangen in afzonderlijke ondernemingen, omdat niet aan de bezitseis van vijf jaar was voldaan.
De rechtbank stelde vast dat de wetgever met de bezitseis beoogt te voorkomen dat privé- of beleggingsvermogen eenvoudig kan worden omgezet in vrijgesteld ondernemingsvermogen. De wet vereist dat voor elke objectieve onderneming of een gedeelte daarvan de bezitseis afzonderlijk wordt toegepast. Belanghebbendes beroep op een brede interpretatie van een arrest van de Hoge Raad en het gelijkheidsbeginsel werd verworpen.
De rechtbank concludeerde dat de bedrijfsopvolgingsregeling niet van toepassing is op de indirecte belangen waarvoor niet aan de bezitseis is voldaan, waardoor de aanslag schenkbelasting terecht is opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat niet aan de bezitseis is voldaan voor twee indirecte aandelenbelangen, waardoor de aanslag schenkbelasting terecht is opgelegd.