In deze civiele procedure vorderen de vader en zus van een in 1992 om het leven gebrachte vrouw schadevergoeding van de veroordeelde dader. De vader en zus claimen vergoeding van shockschade, begrafeniskosten en kosten gerelateerd aan de strafzaak. De dader voert verjaring aan en bestrijdt de aansprakelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat het beroep op verjaring onaanvaardbaar is en wees begrafeniskosten en shockschade toe aan de vader, maar wees de vorderingen van de zus af wegens het ontbreken van directe confrontatie. Beide partijen gingen in hoger beroep.
Het hof bevestigt dat de dader onrechtmatig heeft gehandeld en dat de verjaringstermijn van twintig jaar in dit uitzonderlijke geval buiten toepassing blijft. Het hof wijst shockschade toe aan zowel vader als zus, erkent hun geestelijk letsel als een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en wijst begrafeniskosten toe. Kosten voor reiskosten en juridische bijstand in het strafproces worden afgewezen omdat deze niet als schade kunnen worden aangemerkt. De wettelijke rente wordt toegekend vanaf het moment van schade. De proceskosten worden toegerekend aan de dader.