ECLI:NL:HR:2021:1250

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2021
Publicatiedatum
13 september 2021
Zaaknummer
20/01254
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 78b Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens ontoereikende motivering bij rekening houden met niet onherroepelijke eerdere veroordeling

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van een week wegens diefstal gepleegd op 14 juni 2019. Het hof motiveerde de straf mede door te verwijzen naar een eerdere veroordeling van de verdachte, die volgens het hof niet had verhinderd dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegde.

Bij cassatie klaagde de verdachte over de strafmotivering. De Hoge Raad stelde vast dat de eerdere veroordeling, waarop het hof zich baseerde, op het moment van het plegen van het onderhavige feit nog niet onherroepelijk was. Volgens vaste jurisprudentie mag een niet ten laste gelegd feit alleen worden betrokken bij de strafoplegging als de veroordeling daarvan onherroepelijk is op het moment van het plegen van het feit.

Omdat het hof in de strafmotivering expliciet gewicht had toegekend aan het feit dat de verdachte ondanks een eerdere veroordeling opnieuw een strafbaar feit had gepleegd, en deze eerdere veroordeling nog niet onherroepelijk was, was de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigde daarom de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging.

Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 14 september 2021.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens ontoereikende motivering en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/01254
Datum14 september 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2020, nummer 22-004179-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de strafmotivering.
2.2
De verdachte is wegens het op 14 juni 2019 plegen van diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van een week. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:
"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan diefstal. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook onrustgevoelens en overlast met zich meebrengt.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt."
2.3
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 februari 2020. Dit uittreksel houdt, voor zover hier van belang, in dat de verdachte op 27 september 2019 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam wegens − kort gezegd − rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs is veroordeeld en dat deze veroordeling op 12 oktober 2019 onherroepelijk is geworden.
2.4.1
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in artikel 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
2.4.2
Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd – al dan niet soortgelijk – feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.
(Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391.)
2.5
In de onder 2.2 weergegeven strafmotivering, waarin het hof heeft overwogen dat een eerdere veroordeling de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen, komt tot uitdrukking dat het hof in het bijzonder gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Deze veroordeling was echter nog niet onherroepelijk ten tijde van het begaan van het onder 2.2 vermelde feit waarop de strafoplegging betrekking heeft. De strafoplegging is daarom, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, ontoereikend gemotiveerd.
2.6
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 september 2021.