ECLI:NL:HR:2021:879

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2021
Publicatiedatum
10 juni 2021
Zaaknummer
20/01360
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens gedeeltelijke griffierechtbetaling

Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel betreffende een belastinggeschil. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende op de verschuldigdheid van het griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling. Het griffierecht werd echter niet volledig binnen deze termijn voldaan.

Belanghebbende gaf redenen aan voor de niet-volledige betaling, waaronder een onjuiste opvatting dat de gemachtigde of diens vennootschap het griffierecht zou moeten betalen, en dat meerdere gelijktijdige beroepen tegen uitspraken van dezelfde datum als één beroep konden worden beschouwd. De Hoge Raad verwierp deze stellingen als onjuist.

De Hoge Raad benadrukte dat de indiener van het beroepschrift degene is die voor zichzelf of namens wie het beroep wordt ingesteld, en dat gedeeltelijke betaling geen nieuwe termijn tot betaling van het resterende bedrag oplevert. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bepaalde dat het reeds betaalde griffierecht van € 32 aan belanghebbende wordt teruggegeven. Het arrest werd uitgesproken op 11 juni 2021 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-volledige betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/01360
Datum11 juni 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK BELASTINGKANTOOR LOCOCENSUS-TRICIJN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 19 februari 2020, nr. AWB 19/1378, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 16 oktober 2019.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.A.N. Bartels, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

2.1
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. Daarbij is het bedrag van het griffierecht genoemd en is voor de betaling van dit bedrag een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is binnen die termijn niet volledig betaald.
2.2
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet binnen de gestelde termijn volledig is voldaan. Hetgeen belanghebbende daaromtrent heeft aangevoerd, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
2.3
Daarbij merkt de Hoge Raad het volgende op. Voor zover de namens belanghebbende aangevoerde stellingen berusten op het standpunt dat de gemachtigde die namens belanghebbende het beroep in cassatie heeft ingesteld, dan wel diens vennootschap, het griffierecht is verschuldigd, geven zij blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In artikel 8:41, lid 1, Awb wordt met de ‘indiener’ van een beroepschrift gedoeld op degene die voor zichzelf beroep instelt of namens wie beroep wordt ingesteld. [1]
Ook onjuist is de stelling dat het griffierecht niet, of tot een lager bedrag, van belanghebbende kan worden geheven omdat de gemachtigde gelijktijdig namens belanghebbende en andere belastingplichtigen beroep in cassatie heeft ingesteld tegen op eenzelfde datum gedane uitspraken van de Rechtbank die alle betrekking hebben op krachtens de Wet waardering onroerende zaken gegeven beschikkingen betreffende het jaar 2019. Die omstandigheid brengt niet mee dat deze uitspraken moeten worden aangemerkt als één uitspraak als bedoeld in artikel 8:41 Awb Pro.
Ten slotte is de griffier van een gerecht, anders dan belanghebbende kennelijk meent, niet gehouden om in het geval waarin binnen de gestelde termijn een deel van het verschuldigde griffierecht is voldaan, voor de betaling van het restant een nieuwe termijn te stellen.
2.4
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.
Het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van € 32 wordt door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.

Voetnoten

1.HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO7505.