ECLI:NL:HR:2022:662
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn belastingprocedure
Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2014. Na een bezwaarprocedure, een uitspraak van de rechtbank en hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, stelde belanghebbende cassatie in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het hof.
Het centrale geschilpunt was of het hof ambtshalve een immateriële schadevergoeding had moeten toekennen wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor het hoger beroep, zoals bedoeld in artikel 8:66 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het hof had geoordeeld dat de totale duur van de procedure (bezwaarschrift, beroep en hoger beroep) niet langer dan vier jaar was en dat daarom geen ambtshalve vergoeding hoefde te worden toegekend.
De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en dat het hof niet verplicht was dit ambtshalve oordeel in zijn uitspraak te motiveren. De overige middelen van cassatie werden eveneens verworpen omdat zij niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak bevestigt de terughoudende toetsing door de Hoge Raad in bestuursrechtelijke procedures over immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van redelijke termijnen en benadrukt het belang van de totale duur van de procedure bij de beoordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hof heeft terecht geen immateriële schadevergoeding toegekend.