Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Bij beschikking van 30 juni 2020 heeft de rechtbank Rotterdam een zorgmachtiging verleend ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna aangeduid met de wettelijke term ‘betrokkene’). Op grond van deze zorgmachtiging is betrokkene opgenomen in een accommodatie van verweerster in cassatie (hierna: ‘de zorgaanbieder’) te [plaats 1] .
- ii) Op 30 juli 2020 heeft de geneesheer-directeur besloten de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van deze zorgmachtiging toe te wijzen aan [verblijfplaats 1] op de voet van art. 8:16 lid 1 Wvggz Pro.
- iii) Op 6 augustus 2020 heeft betrokkene op de voet van art. 10:3, aanhef en onder l, Wvggz bij de regionale klachtencommissie een klacht ingediend over die beslissing.
- iv) Op 17 augustus 2020 heeft de klachtencommissie de klacht ongegrond verklaard.
2.Bespreking van het principaal en het incidenteel cassatiemiddel
Inleiding; verzoeken tot schadevergoeding op grond van de Wvggz
op zichzelfgrond kan vormen voor toekenning van een schadevergoeding (“nog afgezien van de vraag …”). Het hof kwam aan die vraag niet toe, omdat “niet gesteld of gebleken is” dat sprake is van schade die voortvloeit uit het motiveringsgebrek. Dat oordeel is mijns inziens niet onjuist, noch onbegrijpelijk. Ik licht dit hieronder toe.
Onder 2.1wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat betrokkene is teruggeplaatst naar een accommodatie in de regio Rotterdam niet betekent “dat het voor hem over is”.
Onder 2.2wordt aangevoerd dat op grond van art. 5 lid 4 EVRM Pro spoedig door de rechter moet worden beslist over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming. Na cassatie en terugwijzing geldt als regel dat de rechtbank in beginsel binnen vier weken een zitting bepaalt en vervolgens binnen vier weken een beslissing neemt. Volgens de klacht is die termijn in deze zaak ruimschoots overschreden. De omstandigheid dat hij inmiddels is teruggeplaatst naar een accommodatie in de regio Rotterdam neemt volgens het middelonderdeel niet weg dat betrokkene recht had op een spoedige rechterlijke beslissing. De vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld zonder dat schade behoeft te worden aangetoond. [22] Indien art. 5 lid 4 EVRM Pro is geschonden, geeft dit betrokkene zonder meer recht op een schadevergoeding als bedoeld in art. 5 lid 5 EVRM Pro, in verbinding met art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro. Ook art. 6 lid 1 EVRM Pro (‘redelijke termijn’) en art. 20 Rv Pro (waken tegen onredelijke vertraging) zijn in deze zaak geschonden.
Onder 2.3wordt herhaald dat betrokkene niet behoefde te onderbouwen dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
such as distress and frustration resulting from the protracted length of his detention and trial”. Over dit onderwerp is veel geschreven. [27]
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
'speedily'heeft beslist. Ook onder art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro kan slechts ten laste van de Staat een schadevergoeding worden toegekend indien de rechter de wet niet in acht heeft genomen. Het hof ziet eraan voorbij dat het op art. 5 lid 4 EVRM Pro en/of art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro gegronde schadevergoedingsverzoek niet toewijsbaar is in deze klachtprocedure tegen de zorgaanbieder.