ECLI:NL:HR:2023:1769

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
22/02536
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 285.1 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 435 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert gevangenisstraf in zaak poging tot doodslag en bedreiging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake poging tot doodslag en bedreiging. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld. De Hoge Raad beoordeelde drie cassatiemiddelen: de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen, de motivering van het opzet tot doodslag, en de toepassing van de redelijke termijn.

Ten aanzien van de getuigenverklaringen oordeelde de Hoge Raad dat het hof deze betrouwbaar en voldoende gemotiveerd heeft geacht, mede omdat er geen aanwijzingen waren voor beïnvloeding door voorinformatie. Over het opzet tot doodslag stelde de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte voorwaardelijk opzet had, gelet op het letselonderzoek en de dynamiek van het incident.

Wat betreft de redelijke termijn stelde de Hoge Raad vast dat de termijn voor de inzending van stukken niet was overschreden, omdat de verdachte niet in voorlopige hechtenis was bij het instellen van cassatie. Echter, de uitspraaktermijn was wel overschreden, omdat de verdachte tijdens de aanzegging wel in voorlopige hechtenis verkeerde. Dit leidde tot een strafvermindering van zes maanden. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest uitsluitend voor de strafmaat en verminderde de gevangenisstraf tot vijf jaar en elf maanden, terwijl het cassatieberoep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vijf jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02536
Datum19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 2022, nummer 20-002248-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van bepaalde getuigen die de verdachte hebben herkend.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 tot en met 2.3 en onder 3.3 tot en met 3.11.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1 ten aanzien van het opzet ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 tot en met 2.3 en onder 4.5 tot en met 4.9.
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
De verdachte bevond zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis. Omdat op de dag van inzending van de stukken nog geen acht maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
4.3
Ten tijde van de aanzegging door de Hoge Raad als bedoeld in artikel 435 van Pro het Wetboek van Strafvordering bevond de verdachte zich op grond van de door het hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en elf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 december 2023.