Conclusie
Nummer22/01128
middelbevat de klacht dat het hof de namens de verdachte gevoerde verweren heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans dat de verwerping onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen omkleed.
1.
2.
het hof begrijpt: [betrokkene 1]). Voor ons zag ik een jongen en een meisje lopen. Ik zag dat de jongen aan het meisje aan het trekken was. Ik hoorde dat het meisje heel hard aan het gillen was. Ik zag dat het meisje onze richting uit kwam lopen. Ik zag dat het meisje erg overstuur was. De jongen was weggelopen. Ik zag dat de jongen terug kwam lopen en dat hij de telefoon aan haar teruggaf. Toen hij de telefoon teruggaf was hij tegen haar aan het schreeuwen.
3.
Bewijsoverwegingen
eerstedeelklacht betreft, als ik het goed zie, de bewijsvoering van feit 1. Het hof zou, zo begrijp ik, ten onrechte ‘waarde’ hebben gehecht aan de verklaring van [betrokkene 2], nu zij pas meer dan een maand na het incident door de politie als getuige is gehoord, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een relatie hebben, zodat niet vastgesteld zou kunnen worden welke feiten en omstandigheden [betrokkene 2] zelf heeft waargenomen, en beide getuigen anders verklaren over de mishandeling.
tweededeelklacht houdt in dat uit ‘het arrest noch uit de aanvulling op het arrest blijkt waarom de uitspraak dat [slachtoffer] bang is van [verdachte] zwaarder weegt dan de uitspraak dat dit ook door haar eigen gemoedstoestand kon komen en nu weer gelukkig is met [verdachte] in hun relatie’. Voorts zou de bedreigde, als ik het goed begrijp, geen redelijke vrees hebben gehad om het leven te verliezen omdat de verdachte ‘weliswaar een uitgebreide justitiële documentatie heeft, doch geen enkel feit’ betrekking heeft op een vuurwapen. Daarnaast zou [verdachte] nimmer opzet hebben gehad om [slachtoffer] in levensgevaar te brengen.
derdedeelklacht houdt in dat het hof onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan het standpunt dat een taakstraf meer passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf omdat de verdachte deze ‘uit zou kunnen voeren naast zijn betaalde baan’. Aangevoerd wordt dat de verdachte ‘zijn leven op de rit’ heeft: ‘hij heeft een eigen huis, heeft zich onder behandeling gesteld en heeft naast zijn uitkering een betaalde baan’.
vierdedeelklacht houdt in dat het hof, ‘ondanks een duidelijke overschrijding van de redelijke termijn’, geen overweging heeft gewijd aan het feit dat de termijn is overschreden, terwijl dit door de raadsvrouw van verdachte wel uitdrukkelijk aan de orde zou zijn gesteld op de terechtzitting op 16 maart 2022 .
vijfdedeelklacht houdt in dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden doordat de stukken te laat naar de Hoge Raad zijn verzonden. Voor dat inzenden zou een termijn van zes maanden gelden.