Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
5.Beslissing
22 december 2023.
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of door verkrijgende verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan tussen twee buren en of het vereiste bezit te goeder trouw aanwezig was. De percelen waren oorspronkelijk één kadastraal perceel met een erfdienstbaarheid gevestigd ten gunste en ten laste van andere percelen. Na splitsing in 2001 werd geen erfdienstbaarheid tussen de nieuwe percelen gevestigd, hoewel partijen dit wel beoogden.
De rechtbank veroordeelde de verweerders tot nakoming van de erfdienstbaarheid, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af. Het hof oordeelde dat de oorspronkelijke eigenaren niet te goeder trouw waren omdat zij zich op onbekendheid met het ontbreken van de erfdienstbaarheid in de registers niet konden beroepen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven over de toepassing van art. 3:23 BW Pro en dat goede trouw niet uitgesloten is wanneer een notariële akte door een verzuim geen erfdienstbaarheid vestigt terwijl dit wel de bedoeling was. De Hoge Raad verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de goede trouw van de oorspronkelijke eigenaren en de gevolgen daarvan voor verkrijgende verjaring.
Het incidentele cassatieberoep wordt verworpen. De Hoge Raad veroordeelt verweerders in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug voor nadere beoordeling van goede trouw en verkrijgende verjaring.