Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
7 maart 2023.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf voor meerdere feiten van medeplegen diefstal met braak, poging daartoe, medeplegen van opzettelijke brandstichting en diefstal in vereniging, gepleegd tussen augustus en oktober 2015.
Het hof motiveerde de straf onder meer met de ernst van de feiten, de rol van de verdachte als initiatiefnemer, de schade en onrust veroorzaakt door de delicten en zijn eerdere veroordelingen en toezicht door de reclassering. Het hof hield rekening met een overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de straf werd verminderd van twaalf naar tien maanden.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht rekening mocht houden met een niet tenlastegelegd feit, mits onherroepelijk veroordeeld, en dat het hof terecht reageerde op de reclasseringsrapportage. Een klacht over een zinsnede in de strafmotivering werd gegrond verklaard, maar had geen invloed op het oordeel wegens ondergeschikt belang.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat een strafvermindering rechtvaardigde. Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor de duur van de straf en verminderde deze tot negen maanden en twee weken gevangenisstraf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negen maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.