Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 december 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van een zorgmachtiging voor betrokkene, waarbij de rechtbank Limburg op 30 mei 2024 een machtiging verleende voor twaalf maanden. De officier van justitie had het verzoek tijdig ingediend, maar de rechtbank besloot niet binnen de wettelijke beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoek te beslissen, mede doordat betrokkene niet in zijn woning gehoord wilde worden.
De Hoge Raad oordeelt dat doordat de rechtbank niet binnen de beslistermijn heeft beslist, de eerdere zorgmachtiging op 15 mei 2024 van rechtswege is vervallen. Hierdoor kon geen aansluitende machtiging worden verleend voor twaalf maanden. De rechtbank had slechts een machtiging voor maximaal zes maanden kunnen verlenen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de beschikking dat de machtiging voor twaalf maanden verleent en bepaalt dat de machtiging geldt voor maximaal zes maanden tot en met 30 november 2024. Hiermee wordt de wettelijke termijn strikt toegepast, ondanks het verzoek van betrokkene om alleen op de rechtbank te worden gehoord.
Uitkomst: De Hoge Raad beperkt de zorgmachtiging tot maximaal zes maanden en vernietigt de verlenging tot twaalf maanden.