ECLI:NL:PHR:2026:178

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
25/02723
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 WvggzArt. 6:6 WvggzArt. 6:2 lid 1 WvggzArt. 10:12 Wvggz
Verwijzingen
15 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking duur zorgmachtiging na verval voorgaande machtiging onder Wvggz

In deze zaak ging het om de vraag of een zorgmachtiging onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) na het vervallen van een voorgaande machtiging voor maximaal twaalf maanden kan worden verleend. De rechtbank Noord-Nederland had op 19 mei 2025 een zorgmachtiging verleend die gold tot en met 17 mei 2026, terwijl de voorgaande machtiging was vervallen op 17 mei 2025.

Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank slechts een machtiging voor maximaal zes maanden had kunnen verlenen, omdat de nieuwe machtiging niet aansloot op de voorgaande. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld en dat de nieuwe machtiging niet voor twaalf maanden maar slechts voor maximaal zes maanden kon worden verleend, omdat de aanvraag te laat was ingediend om van aansluiting te spreken.

De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van de beschikking dat de machtiging tot 17 mei 2026 verleende en bepaalde dat de machtiging geldt tot uiterlijk 19 november 2025, zes maanden na de datum van verlening. Verder wees de Hoge Raad af dat er aftrek van dagen moet plaatsvinden voor de periode zonder geldige machtiging, omdat de wet hiervoor een andere remedie biedt. De zaak werd door de Hoge Raad zelf afgedaan.

Uitkomst: De Hoge Raad beperkt de duur van de zorgmachtiging tot maximaal zes maanden na verlening, vernietigt de beschikking voor zover de machtiging twaalf maanden gold en wijst de zaak af voor verdere behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02723
Zitting13 februari 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
de officier van justitie in het arrondissementsparket Noord-Nederland,
hierna: de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 19 mei 2025 ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 17 mei 2026. In cassatie klaagt betrokkene dat de rechtbank slechts een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden had kunnen verlenen, nu de voorgaande zorgmachtiging was vervallen na 17 mei 2025. Deze klacht slaagt, zodat de bestreden beschikking moet worden vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026.
1.2
Ik meen dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door de geldigheidsduur van de zorgmachtiging te beperken tot zes maanden na de datum waarop zij is verleend, dus tot en met uiterlijk 19 november 2025. Voor aftrek van de dagen waarop aan betrokkene zonder zorgmachtiging verplichte zorg is verleend, zie ik geen aanleiding.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Ten aanzien van betrokkene is op 17 mei 2024 een zorgmachtiging verleend tot en met 17 mei 2025 (hierna: de voorgaande zorgmachtiging).
2.2
Bij verzoekschrift, ter griffie ingediend op 28 april 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) verzocht om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 mei 2025. Daarbij zijn gehoord betrokkene, bijgestaan door zijn (waarnemend) advocaat, een verpleegkundig specialist, een begeleider en een co-assistent.
2.4
Ter zitting heeft de advocaat van betrokkene met betrekking tot de duur van de verzochte machtiging het volgende verklaard: [1]
“(…) Qua termijn acht betrokkene zes maanden passend, omdat er geen sprake is van een aansluitende machtiging. Er moet een beslissing worden genomen binnen drie weken, maar artikel 6 lid 2 van Pro de Wvggz zegt dat bij verval van een lopende machtiging er sprake is van een nieuwe machtiging die maar voor een maximale duur van zes maanden kan worden verleend.”
2.5
Bij beschikking van 19 mei 2025 [2] (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 17 mei 2026 (hierna ook: de nieuwe zorgmachtiging).
2.6
Met betrekking tot de geldigheidsduur van de nieuwe zorgmachtiging heeft de rechtbank in de bestreden beschikking als volgt overwogen:
“4.10. (…)
Voor wat betreft de termijn van de opvolgende zorgmachtiging overweegt de rechtbank als volgt. De behandeling van het verzoek door de rechtbank heeft op tijd plaatsgevonden, namelijk binnen drie weken na indiening van het verzoekschrift. Nu de behandeling heeft plaatsgevonden na het einde van de geldigheidsduur van de voorafgaande zorgmachtiging houdt de rechtbank hiermee rekening bij de bepaling van de geldigheidsduur van de nieuwe zorgmachtiging. Nu betrokkene in de periode van 17 mei 2025 tot en met 19 mei 2025 geen vereiste zorgmachtiging had, verleent de rechtbank de zorgmachtiging voor de (verzochte) duur van twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de voorgaande zorgmachtiging verstreek, te weten 17 mei 2025. De zorgmachtiging geldt dan ook tot en met 17 mei 2026.”
2.7
Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 6 augustus 2025, heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank.
2.8
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat één klacht, die is gericht tegen de door de rechtbank bepaalde duur van de zorgmachtiging. Betrokkene klaagt dat het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.10 (zie hiervoor onder 2.6) onjuist dan wel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is. De voorgaande zorgmachtiging was verleend tot en met 17 mei 2025. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande zorgmachtiging was die machtiging vervallen. Daarom kon de rechtbank op 19 mei 2025 geen aansluitende zorgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden verlenen, maar slechts een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden, aldus de klacht. [3]
3.2
Wel is volgens betrokkene juist dat de rechtbank de dagen die betrokkene zonder zorgmachtiging was opgenomen in de accommodatie heeft afgetrokken van de duur van de nieuwe zorgmachtiging. [4] Een en ander betekent dat de rechtbank in dit geval slechts een zorgmachtiging had kunnen verlenen tot en met uiterlijk 17 november 2025, aldus de klacht.
Duur van de zorgmachtiging
3.3
Voor zover geklaagd wordt dat de rechtbank slechts een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden had kunnen verlenen, slaagt de klacht.
3.4
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt het hiernavolgende juridische kader voor de maximale duur van nieuwe zorgmachtigingen. [5]
3.5
Artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.6
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur, bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz is verstreken, dan wel uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, onderdeel b, Wvggz is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz echter als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of, voor zover hier van belang, door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro in verbinding met art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend.
3.7
Van aansluiting in de in artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz bedoelde zin kan ook sprake zijn indien de officier van justitie het verzoekschrift tot het verlenen van een vervolgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, heeft ingediend op een later tijdstip dan de in art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro bedoelde vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de bestaande machtiging. De rechtbank kan in zo’n geval op grond van artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz een vervolgmachtiging voor de duur van twaalf maanden verlenen door de vervolgmachtiging te verlenen vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de bestaande machtiging verstrijkt. De rechtbank dient wel te onderzoeken of de betrokkene, gelet op het tijdstip waarop de officier van justitie het verzoekschrift heeft ingediend, voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te verweren.
3.8
In dit geval was de voorgaande zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met 17 mei 2025. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend op 28 april 2025, en dus later dan vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande zorgmachtiging. De rechtbank heeft de nieuwe zorgmachtiging verleend op 19 mei 2025, en dus niet vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de voorgaande zorgmachtiging verstreek en laatstgenoemde zorgmachtiging dus op grond van artikel 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz verviel. Aldus was geen sprake van aansluiting van de nieuwe zorgmachtiging op de voorgaande in de hiervoor onder 3.6 of 3.7 bedoelde zin. De nieuwe zorgmachtiging kon dus niet worden verleend voor de duur van twaalf maanden, maar slechts voor de duur van maximaal zes maanden.
Aftrek?
3.9
Voor zover de klacht inhoudt dat ook bij een geldigheidsduur van maximaal zes maanden een aftrek moet plaatsvinden voor de dagen dat betrokkene zonder geldige zorgmachtiging was opgenomen, slaagt deze niet. Een verplichting tot aftrek in een geval als dit is niet uit de wet of rechtspraak af te leiden. [6] Nu het om een wettelijke
maximaleduur gaat (art. 6:5 Wvggz Pro), staat het de rechter wel vrij een aftrek toe te passen.
3.1
In dit geval zie ik echter geen aanleiding voor het toepassen van aftrek. Dat de rechtbank in de bestreden beschikking de nieuwe zorgmachtiging heeft verleend tot en met uiterlijk 17 mei 2026, leidt er mijns inziens niet toe dat de in duur tot zes maanden beperkte zorgmachtiging dienovereenkomstig tot en met uiterlijk 17 november 2025 verleend zou moeten worden. In de bestreden beschikking werd immers beoogd een aansluitende zorgmachtiging te verlenen. Nu het echter om een nieuwe, initiële machtiging gaat, kan deze op grond van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz voor een periode van maximaal zes maanden na de datum van de bestreden beschikking, dus tot en met uiterlijk 19 november 2025, verleend worden. [7] Voor het verlenen van verplichte zorg zonder rechtsgeldige titel voorziet de wet in een andere remedie dan aftrek, immers de mogelijkheid om schadevergoeding te verzoeken (art. 10:12 Wvggz Pro).
Slotsom
3.11
De slotsom luidt dat het cassatieberoep slaagt en dat de bestreden beschikking vernietigd dient te worden, voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026.
Naar mijn oordeel kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen doorde duur van de zorgmachtiging te beperken tot maximaal zes maanden na de datum waarop zij is verleend, dus tot en met uiterlijk 19 november 2025. [8]

4.Conclusie

De conclusie strekt
- tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank van Noord-Nederland van 19 mei 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de verleende zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026; en
- tot afdoening door de Hoge Raad door te bepalen dat de verleende zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden, tot en met uiterlijk 19 november 2025.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Aldus het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5.
2.ECLI:NL:RBNNE:2025:3680. Mondelinge uitspraak van 19 mei 2025 en schriftelijk uitgewerkt op 12 juni 2025.
3.Het middel verwijst in dit verband naar HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86,
4.Betrokkene verwijst in dit verband naar de conclusie van voormalig A-G Langemeijer van 10 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:365, voor HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842,
5.Zie HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86,
6.De onder de Wet Bopz gevormde jurisprudentie van de Hoge Raad over aftrek sluit niet aan bij de Wvggz. Zie daarover: W.J.A.M. Dijkers,
7.Zoals ik ook al heb betoogd onder 3.14, in het bijzonder voetnoot 11, van mijn conclusie van 13 december 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:1353) voor HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86,
8.Zie voor de berekening van de einddatum van een zorgmachtiging: HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:107,