AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling politicus Sint Maarten voor passieve ambtelijke omkoping, witwassen en belastingfraude
De verdachte, een parlementslid en voorzitter van de permanente commissie van TEATT in Sint Maarten, werd veroordeeld voor passieve ambtelijke omkoping, witwassen en het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van belastingaangiften over 2012 en 2013.
Het hof achtte bewezen dat de verdachte in 2012 twee bedragen van in totaal USD 370.000,- heeft ontvangen van een tussenpersoon die betrokken was bij een baggercontract tussen de Haven van Sint Maarten en een aannemer. Uit e-mailcorrespondentie bleek dat de verdachte feitelijke invloed had op het baggerproject en dat de betalingen aan hem direct verband hielden met de kosten die de aannemer aan de Haven in rekening bracht. De verdachte voerde aan dat het om leningen ging, maar het hof verwierp dit wegens gebrek aan bewijs.
Daarnaast werd vastgesteld dat de verdachte het geldbedrag contant heeft opgenomen en uitgegeven, wat kwalificeerde als witwassen. Ook werd bewezen verklaard dat de verdachte zijn inkomsten uit deze betalingen en zijn aandelen in een onderneming niet had opgegeven in zijn belastingaangiften, wat leidde tot belastingfraude. Verweren tegen de ontvankelijkheid van het OM en schending van de redelijke termijn werden verworpen.
De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten en bevestigde het vonnis van het hof, waarmee de strafrechtelijke veroordeling van de verdachte definitief werd vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor passieve ambtelijke omkoping, witwassen en belastingfraude.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04049 C
Zitting26 maart 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
De verdachte is bij vonnis van 21 juni 2022 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, wegens 1 “als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd”, 2 “witwassen, meermalen gepleegd” en 3 “opzettelijk een ingevolge de Algemene landsverordening Landsbelastingen verplichte aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het gevolg van de handeling of het nalaten zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, meermalen gepleegd”. Voorts heeft het Hof de verdachte voor de duur van vijf jaren ontzet uit het recht om tot lid van algemeen vertegenwoordigende organen te worden verkozen.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02491. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft C. Reijntjes-Wendenburg, ten tijde van de indiening van de schriftuur advocaat te Valkenswaard [1] , een schriftuur ingediend, [2] waarin vijf middelen van cassatie worden voorgesteld.
II. De zaak in het kort
4. Uit het bestreden vonnis van het Hof kan het volgende worden opgemaakt. De verdachte was gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde feiten plaatsvonden parlementslid in Sint Maarten. De bewezenverklaarde gedragingen houden in de kern verband met de in die hoedanigheid begane ambtelijke corruptie waarop de verdenking ziet. Die corruptie bestond uit het verlenen van politieke steun aan een baggerproject in de haven (hierna: de Haven) van Sint Maarten in ruil voor financieel voordeel in de vorm van steekpenningen (in totaal een bedrag van 370.000,- Amerikaanse dollars). Daarnaast heeft de verdachte naar het oordeel van het Hof dat geldbedrag witgewassen en bovendien belastingfraude gepleegd door dat geldbedrag en andere inkomsten(bronnen) niet op te geven in zijn belastingaangiften.
III. Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
5. Het middel keert zich met verschillende motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De pijlen zijn daarbij gericht op verschillende onderdelen van de bewezenverklaring en de motivering daarvan. Daarbij komt volgens de steller van het middel dat het Hof heeft verzuimd een uit de gebruikte bewijsmiddelen “bijkans onweerstaanbaar opdoemend alternatief scenario” onder (opgave van redenen} uit te sluiten.
De bewezenverklaring en de daartoe gebezigde bewijsmiddelen
6. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard:
“dat hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 december 2012 te Sint Maarten en/of te Anguilla, als ambtenaar, meermalen een gift te weten
een geldbedrag van USD 180.000,-- op 30 juli 2012
en
een geldbedrag van USD 190.000,-- op 20 december 2012,
heeft aangenomen, wetende dat deze hem, verdachte, telkens werd gedaan teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten,”
7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende – in de aan het vonnis gehechte bijlage III opgenomen – bewijsmiddelen:
“ Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1 en 2
1.Een geschrift, te weten een overzicht van ontvangen betalingen gedaan door [A] aan [B]op de BECM bank in Sint Maarten in de periode van 18 juli 2012 tot en met 18 december 2012 (D-182, D-078).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Datum afkomstig storting in USD
18/7/12 [A] 207.884,43
18/7/12 [A] 92.115,67
23/7/12 [A] 80.000,00
18/12/12 [A] 799.970,00
2.Een geschrift te weten een overzicht van betalingen op de Bank of Anguilla van [betrokkene 1]in de periode van 19 juni 2012 tot en met 31 december 2012. Het betreft account: [rekeningnummer 1] (D-667, D-079-1).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Date description debits credits balance
19/6/12 dep 1.000 1.000
30/7/12 chq 50.000 49.000 –
30/7/12 chq 180229.000 –
30/7/12 [A] 299.980,0070.98
1/10/12 [B] 199.950 271.168,94
20/12/12 chq 19058.025
3.Een geschrift, te weten een stortingsbewijs van de National Bank of Anguilla, d.d. 30 juli 2012 (D-1644).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
US 180.000. Funds credited to a/c, b/o [betrokkene 1] to [verdachte] .
4.Een geschrift, te weten een boekingsbewijs van de National Bank of Anguilla, d.d. 20 december 2012 (D-1645).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
US 190.000. Funds credited to a/c, b/o [betrokkene 1] to [verdachte] .
5.Een geschrift, te weten een overzicht van de National Commercial Bank of Anguilla Ltd, met betrekking tot bankrekening [rekeningnummer 2] op naam van [verdachte](D-1641).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Date Description Credits
30//7/12 crm 180.000
13/8/12 chq 30.000
22/10/12 chq 66.766,46
20/12/12 crm 190.000
20/12/12 chq 4.945,55
5/4/13 chq 100.015,00
28/5/13 chq 138.159
17/10/13 chq 7.000
17/10/13 chq 9.015
10/12/13 chq 15.015
6.Het (in het onderhavige strafdossier gevoegde) vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van [verdachte] van 29 januari 2020, inhoudend als de verklaring van [betrokkene 1], door hem afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 december 2019.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik ken [verdachte] . Hij is als een broer voor mij. Ik heb op 30 juli 2012 en 20 december 2012 bedragen van respectievelijk 180.000 USD en 190 000 USD overgemaakt naar zijn bankrekening in Anguilla.
7.Een proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 1] , opgemaakt op 7 december 2016 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren 16050 en 16068 (dossierpagina's 26 t/m 35).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 december 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
De Haven is de entiteit die het werk verdeelt door degene die op dat moment in de regering zit en (aan) de Haven vertelt welk werk gedaan moet worden door de grotere bedrijven. Mijn contact bij de Haven is [betrokkene 2] . Zij luisteren naar de aandeelhouder van de Haven. Dit is wie aan de macht is. Ik ben een tussenpersoon voor dat Havenbedrijf.
De Haven bepaalt welk werk gedaan moet worden. Dit werk wordt bepaald door degene die op dat moment in de regering zit.
8.Een proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 1] , opgemaakt op 13 december 2016 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren 16050 en 16068 (dossierpagina's 47 t/m 56).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 december 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Ik werk als PR medewerker voor de Haven.
Ik doe alles wat van doen heeft met de overheid. Daar ben ik intermediair voor de Haven van Sint Maarten. Op het moment dat [betrokkene 3] in de regering zat met zijn partij, was hij de baas over de Haven vanuit de regering. Toen kwamen [betrokkene 4] en [verdachte] aan de macht. Vanaf dat moment waren zij vanuit de overheid de mensen die de baas waren in de Haven. Na de wisseling van de macht in Sint Maarten ben ik door [betrokkene 2] gevraagd om intermediair te worden tussen de regering en de Haven.
9.Een proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 1] , opgemaakt op 20 juni 2017 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar 16050 en 17026 (dossierpagina's 69 t/m 74).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 juni 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
De partij van [verdachte] is een fractie die op dit moment verantwoordelijk is voor de ministeries van TEATT. De Haven valt onder TEATT en op die wijze heeft [verdachte] met de Haven te maken.
10.De verklaring van de verdachte [verdachte]afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 december 2019.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik ben sinds 10 oktober 2010 onafgebroken parlementslid geweest in Sint Maarten. In 2012 zat mijn partij in de regering van [betrokkene 4] . De regering is enig aandeelhouder van de Haven. De Haven valt onder het ministerie van TEATT. Ik was voorzitter van de permanente commissie van TEATT en was in die zin dus nauw betrokken bij de Haven. Wij hadden regelmatig ontmoetingen met de Haven waar lopende en komende projecten werden besproken.
Ik heb op 30 juli 2012 en op 20 december 2012 een bedrag van in totaal USD 370.000 op mijn bankrekening in Anguilla gestort gekregen van [betrokkene 1] . Ik heb dat geld contant opgenomen en uitgegeven.
11.Een proces-verbaal van getuigenverhoor, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten op 4 oktober 2019.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 oktober 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Ik ken [verdachte] . Ik was directeur van de Haven en de overheid van Sint Maarten is aandeelhouder van de Haven. De regering was in 2012 gevallen. We hadden voor het baggercontract met [A] goedkeuring nodig van het ministerie van TEATT. De minister van TEATT gaat over de Haven. De partij die onderdeel was van de regering, dus TEATT, had het dossier van de Haven. [verdachte] was degene die dat dossier had. [verdachte] was ook voorzitter van de permanente commitee van Parlement.
12.Een geschrift, te weten een curriculum vitae van [betrokkene 2]uit 2012 (D-1992).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
St Maarten Harbour Group of Companies
Presently Managing Director/Chief Executive Officer of its subsidiaries: St Maarten Holding Co. N.V., St Maarten Harbour Cruise Facilities N.V., St Maarten.
13.Een geschrift, te weten een brief van 25 juni 2012 van de Minister van TEATT aan [betrokkene 2]inzake de baggerwerkzaamheden door [A] (D-971).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Met betrekking tot de werkzaamheden van de Haven verzoeken wij u voort te gaan met:
werkzaamheden aan Pier 1
onderhoudsbaggerwerkzaamheden van de haven.
We begrijpen dat u sedert november 2011 hierover in contact bent met [A] . U verklaarde dat [A] de vorige baggerwerkzaamheden naar tevredenheid heeft verricht. Wij verklaren om die reden dat wij geen bezwaar hebben dat [A] deze baggerwerkzaamheden gaat doen, ook omdat het bedrijf een goede reputatie heeft en reeds is gestationeerd in Simpson Bay.
14.Een geschrift, te weten een afdruk van een e-mailbericht van [betrokkene 2]aan [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en [betrokkene 9] , en CC aan [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en BCC aan [verdachte] en [betrokkene 1] van 25 juni 2012.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Hereby I would like to have you attend meeting with Presentation of [A] for Maintenance dredging. (...) Discussion have been going on with [A] since November 2011in order for us to work on this (...) [A] for me has the experience and is reputable. Also last project no bids were given but the Dredging was done by [A] seeing their local experience and local content.
15.Een geschrift, te weten een afdruk van een e-mailbericht van [betrokkene 2] aan [verdachte] met CC aan [betrokkene 1]van 9 juli 2012 (D 2162).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Subject: preparation dredging contract
I am moving forward with total contract sum, the board wants us sign off on total contract. All draft and total sum was agreed upon.
16.Een geschrift, te weten een afdruk van een e-mailbericht van [betrokkene 2] aan [verdachte]van 13 juli 2012 (D-2167).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Subject: [A] wire Instructions
[verdachte] , thank you for the support to get the dredging project going. Also I can confirm the mobilization/downpayment transaction wiretransfer to [A] has been carried out today.
17.Een geschrift, te weten een afdruk van een e-mailbericht van [betrokkene 12] aan [betrokkene 2] en [betrokkene 10] en CC aan [betrokkene 13] en [betrokkene 14]van 4 december 2012 te 2.33 uur.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Subject: Pay Application # 6 with Qty Increase Change Order
[betrokkene 2] , Attached is pay application #6, documentation for the quantity increase change order and our progress to date.
18.Een geschrift, te weten een afdruk van een e-mailbericht van [betrokkene 10] aan [betrokkene 2]van 6 december 2012 te 2.31 uur.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Subject: Pay Application # 6 with Qty Increase Change Order
[betrokkene 2] , Was it your intention under C06 to pay the full amount of US$ 2,173,500 prior to their doing the work. I read the letter as you pay US$ 800,000 (the indicated L.S. (het Hof leest: lump sum) for General Conditions now and the rest as the work is completed. Their invoice indicates that you pay the full US$ 2,173,500 now. Please advise so l can approve this pay request.
19.Een geschrift, te weten een afdruk van een e-mailbericht van [betrokkene 2] aan [betrokkene 10]van 6 december 2012 te 4.07 uur.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Subject: Pay Application # 6 with Qty Increase Change Order
No, we agreed that we would pay the full lumpsum for their extension but we cannot pay the total on 50.000m3.
20.Een geschrift, te weten een afdruk van een e-mailbericht van [betrokkene 10] aan [betrokkene 12]van 6 december 2012 te 5.01 uur.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Subject: Pay Application # 6 with Qty Increase Change Order
[betrokkene 10] , I spoke to [betrokkene 2] and he thinks it is reasonable to pay the $ 800,000 lump sum plus the dredge and haul amounts that you expect to have complete through next week.
21.Een geschrift, te weten een afdruk van een e-mailbericht van [betrokkene 10] aan [betrokkene 2] , [betrokkene 9] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7]van 7 december 2012 te 6.17 uur.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Subject: Pay Application # 6 with Qty Increase Change Order
Gentlemen: attached find my letter of recommendation for payment of [A] 's request for payment no. 6.
22.Een geschrift, te weten een afdruk van een e-mailbericht van [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] en BCC aan [verdachte]van 10 december 2012 te 9.27 uur.
Dit geschrift, waarbij de vijf voorgaande berichten worden meegestuurd, houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[betrokkene 1] ,
The payment to [A] will go out this week.”
De nadere overwegingen van het Hof
8. Het vonnis houdt het volgende in (met overneming van de voetnoot):
“ Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van verweren ten aanzien van feit 1 (omkoping)
Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als ambtenaar heeft laten omkopen door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Daartoe overweegt het Hof het volgende.
Vast staat dat [betrokkene 1] achtereenvolgens op 30 juli 2012 USD 180.000,- en op 20 december 2012 USD 190.000,- heeft overgemaakt naar de bankrekening van de verdachte, die parlementslid en dus ambtenaar was. Daarmee staat vast dat, zonder andersluidende aannemelijke verklaring waarover het Hof later nog komt te spreken, [betrokkene 1] aan [verdachte] tweemaal een gift in de vorm van een geldbedrag heeft gedaan.
Tevens volgt uit de bewijsmiddelen dat de overheid enig aandeelhouder is van de Haven, dat de Haven valt onder het ministerie van Tourism, Economic Affairs, Transport and Telecommunication (TEATT), en dat de Haven voor het baggercontract met [A] goedkeuring nodig had van het ministerie van TEATT. [verdachte] was voorzitter van de permanente commissie van TEATT en was in die zin nauw betrokken bij het reilen van zeilen van de Haven.
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de voorzitter van de permanente commissie van TEATT geen rechtstreekse invloed kon uitoefenen op beslissingen die door de Haven werden genomen ten aanzien van het baggercontract, en dat [verdachte] dus geen feitelijke invloed had op de contractuele relatie tussen [A] en de Haven. Het Hof verwerpt dat verweer. Het moge zo zijn dat [verdachte] uit hoofde van zijn functie in formele zin geen beslissende invloed kon uitoefenen op beslissingen aangaande de contractuele relatie tussen de Haven en [A] . Uit het e-mailbericht dat de andere verdachte [betrokkene 2] als CEO van de Haven op 13 juli 2012 – te weten vier dagen voordat het contract tussen [A] en de Haven is getekend – aan [verdachte] heeft verzonden, volgt onomstotelijk dat [verdachte] als ambtenaar wel degelijk feitelijke invloed had op het baggerproject van [A] . De zinsnede " thank you for your support to get the dredging project going" kan immers niet anders worden uitgelegd.
Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat [verdachte] in zijn hoedanigheid van ambtenaar kennelijk iets heeft gedaan ter ondersteuning van het baggerproject tussen de Haven en [A] , en dat hij van [betrokkene 1] , die zowel als PR-medewerker van de Haven en als consultant van [A] een belangrijke rol had bij het (aangaan van het) contract tussen de Haven en [A] , geldbedragen heeft ontvangen. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of er een verband bestaat tussen deze door [verdachte] gegeven "support" en de door hem van [betrokkene 1] ontvangen geldbedragen.
Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend en verwijst daarvoor naar de in de bewijsmiddelen opgenomen e-mailcorrespondentie, waarin [betrokkene 2] [verdachte] en [betrokkene 1] op de hoogte houdt dat en wanneer geldbedragen door de Haven aan [A] worden uitbetaald. Meer specifiek houdt [betrokkene 2] [verdachte] en [betrokkene 1] op de hoogte wanneer de mobilization costsen general condition costsaan [A] worden uitbetaald, zijnde de kosten waarvan het Hof in het vonnis van medeverdachte [betrokkene 1] heeft vastgesteld [3] dat dit de geldbedragen zijn die aan [betrokkene 1] ten goede komen:
“Op grond van de bewijsmiddelen trekt het Hof de conclusie dat de door [A] aan [betrokkene 1] betaalde bedragen in een rechtstreekse relatie staan tot de door [A] aan de Haven in rekening gebrachte mobilization costs en general condition costs. Het Hof baseert deze conclusie op het volgende. Uit de verklaringen van de getuigen [betrokkene 13] en [betrokkene 12] blijkt expliciet dat de bedragen die [A] aan [betrokkene 1] heeft betaald, werden doorbelast aan de Haven onder de noemer mobilization costs en/of general condition costs en voorts, dat dit minst genomen gebeurde met medeweten van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] bevestigt dit in die zin dat hij heeft verklaard dat de bedragen die [A] hem betaalde werden doorbelast aan de Haven onder de noemer(s) mobilization costs en/of general condition costs en dat met dit doorbelasten de bedoeling was dat de Haven deze kosten zou gaan betalen. Bovendien blijkt dit rechtstreekse verband tussen de enerzijds door [A] aan [betrokkene 1] betaalde bedragen en anderzijds de door [A] aan de Haven in rekening gebrachte kosten, uit de inhoud van de tussen [A] en [betrokkene 1] gesloten overeenkomsten. Zo wordt in (voornamelijk de preambule van) elk van die consultancy/agency overeenkomsten verwezen naar de desbetreffende overeenkomst/change order tussen [A] en de Haven. Expliciet komt dat verband tot uiting in de consultancy overeenkomst van 14 december 2012 (D-2213), in de preambule waarvan wordt verwezen naar de uitbreiding van het 'dredging contract' tussen [A] en de Haven, en het daarin opgenomen bedrag van USD 800.000,- aan general conditions. Onder artikel 3.4 is vervolgens vermeld dat [A] [betrokkene 1] een lump sum van USD 800.000,- zal betalen voor zijn werkzaamheden."
Het Hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.
Zonder andersluidende aannemelijke verklaring dat en waarom [verdachte] op de hoogte moest worden gehouden van deze betalingen houdt het Hof het ervoor dat zowel [verdachte] als [betrokkene 1] belang erbij hadden te weten wanneer de betalingen van de Haven aan [A] zouden worden verricht.
Daarbij betrekt het Hof dat [betrokkene 2] sommige van die e-mailberichten BCC aan [verdachte] heeft geadresseerd, met gevolg dat voor andere geadresseerden en hun lezers is afgeschermd dat die mailberichten ook naar [verdachte] werden verzonden. Het Hof neemt daarnaast in ogenschouw dat de ene overboeking van [betrokkene 1] aan [verdachte] plaatsvond op dezelfde dag als waarop [betrokkene 1] geld ontving van [A] , en de andere overboeking twee dagen nadat [betrokkene 1] geld ontving van [A] . Voorts vonden deze overboekingen plaats tussen bankrekeningen van [betrokkene 1] en [verdachte] in Anguilla én vond de overboeking van [A] aan [betrokkene 1] op 30 juli 2012 ook plaats op de bankrekening van [betrokkene 1] in Anguilla, in tegenstelling tot eerdere overboekingen van [A] aan [betrokkene 1] , die plaatsvonden op de bankrekening van [betrokkene 1] in Sint Maarten. Deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien duiden erop dat onder de radar moest blijven dat [verdachte] werd geïnformeerd over de betalingen aan [A] die voor [betrokkene 1] bedoeld waren, en dat [betrokkene 1] en [verdachte] er belang bij hadden dat de geldstromen niet op het eerste oog traceerbaar waren.
[verdachte] , die tot dan toe van zijn zwijgrecht gebruik had gemaakt, heeft op de terechtzitting, zowel in eerste aanleg als die van het Hof verklaard dat de reden dat hij op de hoogte werd gehouden van de betalingen aan [A] erin was gelegen dat er problemen waren met de betaling van lokale onderaannemers door [A] , de lokale onderaannemers hiervoor een beroep op hem deden en hij hierover met [betrokkene 2] in gesprek is gegaan. Het Hof acht deze verklaring ongeloofwaardig, nu het e-mailbericht waarin [betrokkene 2] aan [verdachte] meedeelt dat de mobilisatiekosten aan [A] zullen worden betaald dateert van 13 juli 2012, derhalve in tijd voordat het contract was getekend en voordat het werk was aangevangen, zodat de lokale onderaannemers op dat moment geen werk hadden verricht, geen recht hadden op betaling en er op dat moment dus ook geen problemen omtrent de betaling van de onderaannemers waren.
De verdediging heeft verder nog naar voren gebracht dat [verdachte] op de hoogte moest worden gehouden van de betaling van de mobilisatiekosten, omdat de betaling daarvan een voorwaarde was voor het van start kunnen gaan van het project, en [verdachte] door [betrokkene 2] op de hoogte werd gehouden van de voortgang van het project. Daargelaten dat de verdediging dit argument pas voor het eerst bij de inhoudelijke behandeling bij het Hof naar voren heeft gebracht, het overtuigt in die zin ook niet dat [verdachte] kennelijk zo'n belangrijke rol vervulde dat hij als enige politicus op de hoogte moest worden gehouden van de voortgang van het project, terwijl de verdediging juist de zo bescheiden rol van [verdachte] in dezen heeft wensen te benadrukken. Ook miskent de stelling van de verdediging dat de strekking van de e-mailberichten (al dan niet BCC) aan [verdachte] de betalingen aan [A] is en niet het van start gaan met of de voortgang van het project, en verklaart het voorts niet dat en waarom [verdachte] in december 2012 ook op de hoogte moest worden gehouden van de betaling van de general condition costster zake van change order 6, nu niet is gebleken dat deze betaling evenzeer in relatie stond tot de voortgang van het werk.
Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat het Hof tot de conclusie komt dat er, zonder andersluidende aannemelijke verklaring, een voor het bewijs betekenisvol verband moet worden aangenomen tussen de door [verdachte] gegeven 'support' voor het baggercontract en de door [betrokkene 1] aan [verdachte] verrichte betalingen, waarvan de verdachte wetenschap had.
De verdediging heeft als andersluidende verklaring voor de overgeboekte geldbedragen betoogd dat deze geldbedragen kort gezegd geldleningen betroffen van [betrokkene 1] aan diens ' godbrother' [verdachte] in verband met de betaling van onderhoud aan een pand van [verdachte] op Sint Maarten. Het Hof acht dit alternatieve scenario niet aannemelijk geworden. De verdediging heeft nagelaten met stukken of getuigenverklaringen te onderbouwen dat de geldbedragen uit hoofde van een overeenkomst van geldlening door [betrokkene 1] aan [verdachte] zijn betaald. Nu deze stelling dat het een geldlening betrof slechts is geponeerd door de verdachte zonder objectieve onderbouwing van het bestaan van die titel voor de betalingen en [betrokkene 1] en [verdachte] bovendien op enkele punten onderling tegenstrijdig hierover verklaren, zoals over het specifieke doel van de lening en in hoeverre de lening is terugbetaald, gaat het Hof aan dit alternatieve scenario voorbij. Ten overvloede overweegt het Hof dat het feit dat het pand met aanwending van de overgemaakte geldbedragen gerepareerd is, zoals [verdachte] heeft verklaard, nog niets zegt over de aannemelijkheid van de stelling dat de overgeboekte geldbedragen dus een lening betroffen. Niettegenstaande het voorgaande, de verdediging heeft bovendien onvoldoende onderbouwd dat het pand daadwerkelijk is gerepareerd. De stukken die de verdediging heeft overgelegd ter onderbouwing van die stelling, te weten een factuur waarvan niet duidelijk is of die betrekking heeft op het desbetreffende pand en twee bonnetjes, zijn daartoe onvoldoende.
Aldus acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] als ambtenaar giften heeft aangenomen terwijl hij wist dat deze hem werden gedaan teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten.”
De bespreking van het middel
9. Ik ontwaar in het middel en de toelichting daarop vier deelklachten die op de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde betrekking hebben. Deze deelklachten bespreek ik hieronder, met dien verstande dat de tweede en de derde deelklacht zich voor een gezamenlijke bespreking lenen.
10. Met de eerste deelklachtwordt aangevoerd dat het vonnis van het Hof in strijd met art. 402 vanPro het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: SvSM) niet de bewijsmiddelen bevat waaruit het oordeel van het Hof kan worden afgeleid dat geldbedragen die de verdachte van [betrokkene 1] heeft ontvangen afkomstig waren van [A] en door [A] werden doorbelast aan de Haven.
11. Uit de overwegingen van het Hof valt mijns inziens niet af te leiden dat het Hof ten aanzien van de verdachte geoordeeld heeft dat de door hem van [betrokkene 1] ontvangen geldbedragen afkomstig waren van [A] en dat die kosten door [A] werden doorbelast aan de Haven. In zoverre berust de eerste deelklacht op een onjuiste lezing van het vonnis, zodat zij feitelijke grondslag mist.
12. Voor zover bedoeld wordt te klagen dat het oordeel van het Hof dat de door de Haven aan [A] betaalde mobilization costsen general condition costsgeldbedragen betroffen die aan [betrokkene 1] ten goede zijn gekomen niet kan worden afgeleid uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen nu dat oordeel is gebaseerd op het – als bijlage IV bij het onderhavige vonnis gevoegde – vonnis van het Hof in de zaak tegen [betrokkene 1] (dat evenmin de bewijsmiddelen bevat waaruit dat oordeel kan volgen; waarover hierna meer), merk ik het volgende op.
13. Art. 402, derde lid, SvSM luidt als volgt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten of omstandigheden.”
14. Deze strafbepaling luidt materieel gelijk met art. 359, derde lid, eerste volzin, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering (hierna: SvNL). Ik ga er dan ook vanuit dat de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 359, derde lid, eerste volzin, SvNL eveneens van toepassing is op art. 402, derde lid, SvSM.
15. Het Hof heeft voor zijn oordeel dat de door de Haven aan [A] uitbetaalde mobilization costsen general condition costsgeldbedragen betroffen die aan [betrokkene 1] ten goede zijn gekomen, verwezen naar het vonnis in de zaak tegen [betrokkene 1] . [4] Dat vonnis is exclusiefde bijlage bevattende de door het Hof in die zaak gebezigde bewijsmiddelen gevoegd als bijlage IV aan het vonnis in de onderhavige zaak. Het bijgevoegde vonnis in de zaak tegen [betrokkene 1] bevat zelf geen bewijsmiddelen waaruit kan volgen dat de mobilization costsen general condition costsaan [betrokkene 1] ten goede zijn gekomen. Het bestreden vonnis bevat ook geen andere bewijsmiddelen waaruit dat kan worden afgeleid. In zoverre is de eerste deelklacht terecht voorgesteld. [5]
16. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden nu de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde ook met weglating van de bestreden overweging van het Hof toereikend is gemotiveerd, zodat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van het bestreden vonnis op die grond. [6]
17. Volgens de tweede deelklachtkan uit de bewijsvoering van het Hof niet worden afgeleid dat de verdachte als ambtenaar enige zeggenschap had over de Haven en over het verlenen van baggeropdrachten. Met de derde deelklachtwordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde betalingen door [betrokkene 1] aan de verdachte zijn gedaan “teneinde de verdachte te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten”. Deze klachten bespreek ik zoals gezegd gezamenlijk.
18. Het Hof heeft, blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en zijn nadere bewijsoverwegingen, onder meer het volgende vastgesteld over de feitelijke invloed die de verdachte in zijn hoedanigheid van ambtenaar heeft gehad op het baggerproject van [A] : - de overheid (AG: ik begrijp het land van Sint Maarten, hierna: het Land) is enig aandeelhouder van de Haven; - de Haven valt onder het ministerie van Tourism, Economic Affairs, Transport and Telecommunication (hierna: TEATT); - de Haven laat zich bij de verdeling van het werk leiden door het Land/de regering en had voor het baggercontract met [A] goedkeuring nodig van het ministerie van TEATT; - de verdachte was sinds 10 oktober 2010 onafgebroken parlementslid in Sint Maarten en dus ambtenaar(cursivering van mij, A-G); - in 2012 zat de partij van de verdachte in de regering en had zijn partij het ministerie van TEATT als portefeuille; - de verdachte was voorzitter van de permanente commissie van TEATT; - de verdachte had het dossier van de Haven, had regelmatig ontmoetingen met de Haven waarbij lopende en toekomstige projecten werden besproken en was nauw betrokken bij en de baas in de Haven.
19. Het Hof heeft verder (mede gelet op deze vaststellingen) niet onbegrijpelijk overwogen dat uit het e-mailbericht van 13 juli 2012 – te weten vier dagen voordat het contract tussen de Haven en [A] is getekend – van [betrokkene 2] , de CEO van de Haven op dat moment, aan de verdachte inhoudende onder meer “thank you for your support to get the dredging project going” volgt dat de verdachte in zijn hoedanigheid van ambtenaar kennelijk iets heeft gedaan ter ondersteuning van het baggerproject tussen de Haven en [A] en dat de verdachte dus in die hoedanigheid wel degelijk feitelijke invloed had op het baggerproject van [A] .
20. In cassatie wordt niet betwist dat [betrokkene 1] – die als pr-medewerker van de Haven en als consultant van [A] een belangrijke rol had bij het (aangaan van het) contract tussen de Haven en [A] – op 30 juli 2012 USD 180.000,- en op 20 december 2012 USD 190.000,- heeft overgemaakt naar de bankrekening van de verdachte.
21. Het Hof heeft met betrekking tot de vraag of er een verbandbestaat tussen de ondersteuning door de verdachte van het baggerproject en het door de verdachte ontvangen geldbedragen van [betrokkene 1] onder meer het volgende vastgesteld: - [betrokkene 2] hield de verdachte en [betrokkene 1] in e-mailcorrespondentie op de hoogte dat en wanneer door de Haven aan [A] geldbedragen, in het bijzonder de mobilization costsen de general condition costs, werden uitbetaald; - de verdachte en [betrokkene 1] hadden er belang bij door de Haven op de hoogte te worden gehouden van die betalingen; - [betrokkene 2] heeft van sommige e-mailberichten een zogenoemde blind carbon copy(BCC) gestuurd naar de verdachte met als gevolg dat voor de overige geadresseerden en hun lezers was afgeschermd dat die e-mailberichten ook werden gestuurd naar de verdachte; - de ene overboeking door [betrokkene 1] van het geldbedrag naar de bankrekening van de verdachte vond plaats op dezelfde dag als de dag waarop [betrokkene 1] geld ontving van [A] . De andere overboeking volgde twee dagen nadat [betrokkene 1] geld had ontvangen van [A] ; - deze overboekingen vonden plaats tussen de bankrekeningen van [betrokkene 1] en de verdachte in Anguilla; - de overboeking door [A] aan [betrokkene 1] op 30 juli 2012 vond eveneens plaats op de bankrekening van [betrokkene 1] in Anguila, terwijl de eerdere overboekingen door [A] aan [betrokkene 1] werden gedaan op de bankrekening van [betrokkene 1] in Sint Maarten.
22. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de overweging van het Hof dat onder de radar moest blijven dat de verdachte werd geïnformeerd over de betalingen door de Haven aan [A] , en dat de verdachte en [betrokkene 1] er belang bij hadden dat de geldstromen niet op het eerste oog traceerbaar waren, niet onbegrijpelijk.
23. Het Hof heeft de verklaring van de verdachte dat hij op de hoogte werd gehouden van de betalingen door de Haven aan [A] , omdat er problemen waren met de betaling van lokale onderaannemers door [A] , die onderaannemers daarvoor een beroep deden op de verdachte en de verdachte daarover met [betrokkene 2] in gesprek was gegaan, als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Het Hof heeft dat gedaan nadat het had vastgesteld dat het e-mailbericht waarin [betrokkene 2] aan de verdachte mededeelt dat de mobilisatiekosten aan [A] zullen worden betaald, dateert van 13 juli 2012 en dus vóórdat het contract tussen de Haven en [A] werd getekend en enige werkzaamheden waren verricht, zodat de lokale onderaannemers nog geen recht hadden op betaling en er nog geen problemen waren omtrent die betaling(en). Die motivering acht ik niet onbegrijpelijk.
24. Eveneens is niet onbegrijpelijk dat het Hof geen betekenis heeft toegekend aan de – voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde – verklaring van de verdachte dat hij op de hoogte moest worden gehouden van de betaling van de mobilisatiekosten, omdat die betaling een voorwaarde was voor het van start kunnen gaan van het baggerproject en de verdachte door [betrokkene 2] op de hoogte werd gehouden van de voortgang van dat project. Het Hof overweegt namelijk dat de e-mailberichten (al dan niet in BCC) aan de verdachte zien op de betalingen door de Haven aan [A] en niet op het van start gaan of de voortgang van het baggerproject, en dat de uitleg van de verdachte niet verklaart dat en waarom de verdachte in december 2012 eveneens op de hoogte moest worden gehouden van de general condition costster zake van change order 6, nu niet is gebleken dat die betaling evenzeer in relatie stond tot de voortgang van het baggerproject.
25. De gevolgtrekking van het Hof dat, al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, een voor het bewijs betekenisvol verband moet worden aangenomen tussen de door de verdachte gegeven “support” voor het baggerproject en de door [betrokkene 1] aan de verdachte verrichte betalingen, waarvan de verdachte wetenschap had, is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik dat het Hof – niet onbegrijpelijk – voorbij is gegaan aan het alternatieve scenario van de verdachte dat de door [betrokkene 1] verrichte betalingen enkel geldleningen betreffen in verband met de betaling van het onderhoud van een pand van de verdachte in Sint Maarten, nu die stelling van de verdediging enkel is geponeerd zonder objectieve onderbouwing en de verdachte en [betrokkene 1] bovendien hierover onderling tegenstrijdig hebben verklaard, zoals over het specifieke doel van de lening en in hoeverre die lening is terugbetaald.
26. Gelet op dit samenstel van feiten en omstandigheden is het oordeel van het Hof dat de verdachte in zijn hoedanigheid van ambtenaarfeitelijke invloed had op het baggerproject van [A] én dat de bewezenverklaarde betalingen door [betrokkene 1] aan de verdachte zijn gedaan teneinde de verdachte te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
27. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat het Hof enkel op grond van het als bewijsmiddel 16 gebezigde e-mailbericht d.d. 13 juli 2012 van [betrokkene 2] aan de verdachte heeft aangenomen dat de verdachte als ambtenaar feitelijke invloed had op het baggerproject van [A] , is het gebaseerd op een onjuiste lezing van het vonnis, zodat dit betoog feitelijke grondslag mist. Die feitelijke invloed volgt namelijk, gelet op hetgeen hiervoor in randnummer 18 op een rijtje is gezet, ook uit andere door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden.
28. Tot slot wordt in de vierde deelklachtaangevoerd dat de vaststellingen van het Hof “nog veel sterker in de richting van een heel andere vorm van frauduleus handelen” wijzen, te weten “het rondpompen van overheidsgeld”. Het Hof had dit, uit de gebezigde bewijsmiddelen “krachtig oprijzende, alternatieve scenario niet mogen veronachtzamen”, aldus de steller van het middel.
29. Deze klacht gaat eraan voorbij dat niet voor het eerst in cassatie een beroep kan worden gedaan op een gang van zaken die door de bewijsmiddelen niet wordt uitgesloten, maar niet verenigbaar is met de bewezenverklaring. [7] Overigens kan ik mij niet voorstellen dat de steller van het middel van mening zal zijn dat de rechter de bewijsconstructie dusdanig dient ‘dicht te timmeren’ dat ook de niet ter terechtzitting naar voren gebrachte (denkbare) alternatieve scenario’s worden uitgesloten. Feiten die de rechter niet kent – en niet behoefde te kennen – kan de rechter ook niet weerleggen.
30. Nu elk van de deelklachten het beoogde doel mist, faalt het middel.
IV. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
31. Het tweede middel bevat de klacht dat “de bewezenverklaring waartoe het hof onder 2 is gekomen niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen en/of de daaraan verbonden kwalificatie als (strafbaar) witwassen niet wordt gedragen door de vastgestelde feiten, in elk geval niet duidelijk en begrijpelijk is waarom het hof heeft gemeend dat die bewezenverklaring zou volgen uit de bewijsmiddelen waarvan de inhoud in het vonnis is weergegeven en het strafbare feit witwassen zou opleveren.”
32. De klacht richt zich blijkens de toelichting op het middel in het bijzonder tegen het oordeel van het Hof dat het door de verdachte contant opnemen en uitgeven van het geldbedrag dat hij heeft verkregen uit eigen misdrijf (de door het Hof onder 1 bewezenverklaarde passieve ambtelijke omkoping) kan worden gekwalificeerd als witwassen.
De bewezenverklaring, de daartoe gebezigde bewijsmiddelen en de kwalificatie
33. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard:
“dat hij op verschillende tijdstippen in de periode van juni 2012 tot en met 31 december 2013 te Sint Maarten en/of te Anguilla, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag ter waarde van een totaalbedrag van USD 370,000 heeft omgezet en/ofvan dat voorwerp gebruik heeft gemaakt terwijl hij wist dat voormeld voorwerp - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;”
34. Deze bewezenverklaring steunt op de hiervoor in randnummer 7 weergegeven bewijsmiddelen.
35. Het onder 2 bewezenverklaarde is door het Hof gekwalificeerd als “witwassen, meermalen gepleegd” in de zin van art. 435a van het voormalige Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (hierna: SrNA).
De nadere overwegingen van het Hof
36. Het vonnis houdt ter zake in:
“ Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van verweren ten aanzien van feit 2 (witwassen)
Door de raadsvrouw is vrijspraak van dit feit bepleit. Daartoe is aangevoerd dat het geldbedrag waarop dit feit ziet, niet afkomstig is uit misdrijf, maar afkomstig is van legale werkzaamheden van [betrokkene 1] .
Indien wel vast komt te staan dat het geld van misdrijf afkomstig is, dan geldt dat de verdachte dat niet wist en redelijkerwijs ook niet behoefde te vermoeden.
Uit de bewijsmiddelen volgt, dat het geldbedrag waarop het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen ziet, het totaalbedrag betreft van de gelden waarmee de verdachte is omgekocht. De bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde omkoping brengt met zich dat dit geldbedrag van 'eigen' misdrijf afkomstig is en dat de verdachte hiermee bekend was. De verweren worden daarom verworpen.
De verdachte heeft verklaard dat geldbedrag contant te hebben opgenomen en uitgegeven. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen door dit geld om te zetten en/of daarvan gebruik te maken.”
Het juridisch kader
37. Art. 435a, eerste lid aanhef en onderdeel b, SrNA (oud) luidde ten tijde van het onder 2 bewezenverklaarde als volgt:
“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen gulden:
a. […]
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
38. Deze strafbepaling komt materieel overeen met art. 420bis, eerste lid aanhef en onderdeel b, van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht (hierna: SrNL). Het komt mij voor dat de rechtspraak van de Hoge Raad over het delict witwassen als bedoeld in art. 420bis SrNL in dezelfde zin heeft te gelden voor art. 435a SrNA (oud).
39. De rechtspraak van de Hoge Raadmet betrekking tot (schuld)witwassen bestaande in het verwervenof voorhanden hebbenvan een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf houdt in, dat in die gevallen uit de motivering van de kwalificatie moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk v erbergenof verhullenvan de criminele herkomst van het voorwerp. De Hoge Raad beoogt met deze kwalificatie-uitsluitingsgrond te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. [8]
40. Deze rechtspraak heeft – anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt lijkt te nemen – in beginsel geen betrekking op een geval waarin (mede) is bewezenverklaard het overdragen, omzettenof gebruikmakenvan een voorwerp. Dat kan anders zijn in het uitzonderlijke geval dat het “overdragen”, “omzetten” of “gebruik maken” van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en daarmee een door dat misdrijf verkregen voorwerp verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van dat voorwerp. [9]
41. Van zo’n uitzonderlijk geval is “in de regel” sprake indien het “omzetten” of “overdragen” heeft bestaan uit het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn [10] , ook als dat – op de door de feitenrechter genoemde, maar niet nader uitgewerkte wijze – voor ‘reguliere uitgaven’ gebeurt. [11]
42. In zijn conclusie vóór HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1098 heeft mijn ambtgenoot Harteveld aan de hand van een analyse van de rechtspraak van de Hoge Raad uiteengezet in welke gevallen geen sprake is van zo’n uitzonderlijk geval. Harteveld komt tot onder meer de volgende bevindingen en gevolgtrekking (hier met weglating van de voetnoten):
“5.5. Ter beantwoording van die vraag bespreek ik hieronder een aantal arresten van de Hoge Raad. In chronologische volgorde: in een niet gepubliceerde zaak uit 2015 (HR 19 mei 2015, 13/04781) werd uit eigen misdrijf afkomstig geld door de verdachte omgezet door er onder meer (in contanten) goederen en materialen van te kopen en Poolse werknemers zwart mee uit te betalen. Het oordeel dat sprake was van witwassen liet de Hoge Raad met toepassing van art. 81, eerste lid, RO in stand. In HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR2015:1770 ( NJ2015/314) had het hof vastgesteld dat van omzetten sprake was omdat een bedrag van ongeveer € 1,4 miljoen was opgegaan aan privébestedingen zoals huizen en auto’s, campers en de verbouw van een huis. Ook hier gaf de Hoge Raad toepassing aan art. 81, eerste lid RO. Ook in HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:1778 (niet gepubliceerd) liet de Hoge Raad de klacht falen dat geen toepassing was gegeven aan de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Bewezenverklaard was in deze zaak dat een verdachte een geldbedrag afkomstig uit eigen misdrijf had omgezet door er – onder meer – twee BMW’s van te kopen. Opnieuw gaf de Hoge Raad toepassing aan art. 81, eerste lid RO. Hetzelfde lot trof de verdachte ten laste van wie bewezen was verklaard dat hij geld uit eigen misdrijf had overgedragen en/of hiervan had gebruik gemaakt, waarbij de gedragingen bestonden uit “het aankopen van onroerende zaken, het overdragen van een geldbedrag naar de bankrekening van de moeder van de verdachte, het aankopen van een horloge, een vakantie, het huren van een appartement, het aflossen van een lening en het gebruik van geldbedragen voor het levensonderhoud van de verdachte en zijn vrouw.”
5.6. […] In een laatste hier te noemen zaak had het hof vastgesteld dat de verdachte niet alleen uit eigen misdrijf afkomstig geld had gestort op een op eigen naam staande en in Nederland aangehouden bankrekening, maar ook dat de verdachte van dit geld gebruik had gemaakt door het te besteden aan overnachtingen in een of meer hotels, voor bestedingen in casino’s, aan uitgaan en aan prostituees. Opnieuw had de Hoge Raad niet meer woorden nodig dan die welke hij kon ontlenen aan art. 81, eerste lid RO.
5.7. De conclusie van het voorgaande lijkt mij dat het voor een kwalificatie als witwassen enerzijds niet genoeg is als geldbedragen die uit eigen misdrijf afkomstig zijn worden gestort op dan wel overgemaakt naar een eigen, Nederlandse rekening, ook niet indien wordt vastgesteld dat deze bedragen zijn bestemd voor reguliere uitgaven. Anderzijds lijkt, zodra eenmaal concrete uitgaven zijn vastgesteld, vrij snel te mogen worden aangenomen dat de gerichtheid op het verbergen of verhullen aanwezig is, dan wel dat – dat laat zich in de jurisprudentie niet van elkaar onderscheiden – op voorhand al geen sprake was van een “bijzonder geval” als hierboven onder 5.2 bedoeld.”
43. Ik deel de conclusie van Harteveld dat het voor een kwalificatie van witwassen onvoldoende is als geldbedragen die afkomstig zijn uit eigen misdrijf worden gestort dan wel overgemaakt op een eigen rekening, ook indien wordt vastgesteld dat deze geldbedragen bestemd zijn voor reguliere uitgaven, maar dat geen sprake is van een “uitzonderlijk geval” zodra het uit het door de verdachte gepleegde misdrijf verkregen geldbedrag door de verdachte (vervolgens) is uitgegeven. Alsdan staat de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad aan de kwalificatie witwassen van het bewezenverklaarde niet in de weg.
De bespreking van het middel
44. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het (schuld)witwassen bestaande in het verwervenof voorhanden hebbenvan een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.
45. Zulks ten onrechte. In de onderhavige zaak heeft het Hof immers het omzettenen/of gebruikmakenvan een geldbedrag van USD 370.000,- bewezenverklaard. Dat dit geldbedrag afkomstig was uit eigen misdrijf en dat de verdachte dat wist, volgt direct uit de vaststellingen van het Hof en staat derhalve niet ter discussie; het gaat hier om een geldbedrag dat afkomstig was uit het door het Hof eveneens bewezenverklaarde feit 1, de passieve ambtelijke omkoping. Die bewezenverklaring is volgens mijn bespreking van het eerste cassatiemiddel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
46. Verder kan uit de bewijsvoering van het Hof worden afgeleid dat de verdachte op verschillende tijdstippen in de periode van 13 augustus 2012 tot en met 10 december 2013 – en dus tussen de onder feit 2bewezenverklaarde periode – bovengenoemd geldbedrag heeft opgenomen van zijn bankrekening in Anguilla (bewijsmiddelen 5 en 10) en dat hij het geld vervolgens heeft uitgegeven (bewijsmiddel 10). Gelet hierop is de bewezenverklaring van het onder feit 2tenlastegelegde niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
47. Het Hof heeft in de bewijsvoering geen nadere aandacht besteed aan de vraag of het omzetten en/of gebruikmaken gericht was op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld en er (daarom) geen reden is het bewezenverklaarde niet te kwalificeren als witwassen in de zin van art. 435a, eerste lid, onderdeel b, SrNA (oud). In aanmerking genomen dat het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte het uit de door hemzelf gepleegde en onder feit 1 bewezenverklaarde passieve ambtelijke omkoping verkregen geldbedrag contant heeft opgenomen en uitgegeven, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is dat oordeel evenmin. [12]
48. Het tweede middel faalt.
V. Het derde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
49. Het derde middel bestaat uit de klacht dat het hof, onder miskenning van de in art. 55, tweede lid, Algemene landsverordening Landsbelastingen neergelegde bevoegdheidsverdeling, de procureur-generaal ontvankelijk heeft geacht in de vervolging van de onder 3 aan [verdachte] ten laste gelegde fiscale delicten, althans naar diens ontvankelijkheid geen behoorlijk onderzoek heeft gedaan, in elk geval die ontvankelijkheid op onjuiste en/of onvoldoende gronden heeft aangenomen.
De tenlastelegging
50. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, in hoger beroep onder feit 3 tenlastegelegd:
“dat hij
in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 in Sint Maarten, meermalen telkens al dan niet opzettelijk,
als degene, die ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Inkomstenbelasting, dat niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft hij, al dan niet opzettelijk, in de aangiften Inkomstenbelasting betreffende de belastingjaren 2012 en/of 2013 telkens
- een te laag persoonlijk inkomen opgegeven en/of
- het saldo op zijn bankrekening in Anguilla (vraag 13 aangiftebiljet IB) niet opgegeven en/of
- zijn aandelen in de onderneming [C] NV (vraag 2h aangiftebiljet IB) niet opgegeven,
terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor Sint Maarten;”
Het pleidooi van de raadsvrouw
51. Ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd en daartoe gepleit overeenkomstig de aan het Hof overgelegde pleitnotitie. Deze pleitnotitie houdt, voor zover relevant, het volgende in:
“ Feit 3 Opzettelijk oniuist/onvolledig doen van aangiften inkomstenbelasting
89. College, wij zijn aangekomen bij feit 3. Door de dwangmiddelen toe te passen voor feit 1 en 2 kon het openbaar ministerie feit 3 meepikken als rest feit (mochten zij het niet redden met feit 1 en 2), zonder dat het (vereiste) onderzoek van de belastingdienst plaats zou vinden. De in de Algemene landsverordening landsbelastingen gewaarborgde procedure zijn via deze route terzijde is geschoven.
90. Doordat er dwangmiddelen zijn toegepast heeft er geen onderzoek bij de belastingdienst plaatsgevonden t.a.v. het mogelijk ‘nadeel’ dat voor Sint-Maarten zou kunnen zijn ontstaan.
91. Zaken als deze worden normaliter door de belastingdienst zelf afgehandeld. Doordat in de zaak van [verdachte] dwangmiddelen zijn toegepast t.a.v. feit 1 en 2 is dit komen te vervallen. Indien dit niet het geval was geweest dan zou zoals uit het verhoor van getuige Chayadi blijkt deze zaak getransigeerd worden. Immers is het genoemde ‘nadeel’ bedrag, als wij hierover te spreken komen minder als de genoemde NAFL 800.000 [13] […].
92. [betrokkene 15] geeft in haar verklaring bij de RC afgelegd aan […] dat op het moment er sprake is van een misdrijf zij denkt dat er strafrechtelijk vervolgd wordt. Als er sprake is van verzuim of grove schuld dan krijg je een boete, bij opzet kan je een vergrijpboete krijgen. Als de belastingdienst vindt dat er administratief moet worden afgedaan dan doen wij dat, maar als wij indicaties hebben van een misdrijf dan wordt het OM ingeschakeld. Er is een beleid vastgelegd op dit punt. Echter kan niemand dit beleid overleggen. Bestaat dit beleid wel? Of doet iedereen maar wat? Of er administratie of stafrechtelijk wordt afgehandeld wordt bepaald aan de hand van het beleid. Welk beleid? Niemand kon dit beleid overleggen. Er vindt eerst onderzoek bij de belastingdienst plaats, we kunnen niet zomaar beslissen dat er strafrechtelijk onderzoek moet komen. Dit onderzoek is, door het inzetten van ‘dwangmiddelen’ voor feiten waar niet eens een bewezenverklaring voor zal volgen, cliënt ontnomen.
93. [betrokkene 16], welke de afgelopen 10 jaar de functie van belastingadviseur bekleed heeft bij de RC aangegeven dat het niet of onjuist doen van de vereiste aangifte KANleiden tot een onderzoek. Met onderzoek bedoel ik administratief- of strafrechtelijk onderzoek. Of een zaak strafrechtelijk of administratief wordt afgedaan, wordt besloten in een tripartite overleg (hierna TPO). Het TPO ligt op dit moment stil vanwege gebrek aan mensen.
94. Het laatste TPO was volgens hem twee of drie jaar geleden. Vanuit de Belastingdienst zijn er in die tijd dat het overleg stil ligt, geen zaken naar het OM gegaan. Er zijn wel zaken administratief afgedaan. Bij het TPO overleg, zit het OM, de directeur, de inspecteur en de fraude coördinator. De getuige weet niet of de zaak van [verdachte] in het TPO overleg is besproken. Het nadeel berekening is aan de hand van het proces-verbaal welke de getuige van het OM heeft ontvangen opgemaakt. De getuige geeft tevens aan dat er binnen de Belastingdienst nog geen onderzoek was gedaan in de fiscale zaak van mijn cliënt voordat het OM met het verzoek om een nadeelberekening kwam. Zie verklaring [betrokkene 16] […]. Client is de mogelijkheid ontnomen om de zaak buitengerechtelijk af te handelen.
95. Er is een verzoek van het OM gekomen o.g.v. artikel 177s Sv; het vertrekken van gegevens; overwegende dat de verdenking (een) misdrijf/misdrijven betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dit terwijl voor dit rest feit (feit 3) geen voorlopige hechtenis is toegelaten. College, dit laat wederom in de opinie van de verdediging zien dat cliënt door het OM de mogelijkheid is ontnomen de zaak buitengerechtelijke af te handelen. Indien dit wel was gebeurd dan zou cliënt hier vandaag t.a.v. feit 3 niet zitten!
[…]
Conclusie
118. Primair, Vrijspraak daar het opzet in de zin van artikel 49 ALLPro niet kan worden bewezen. Subsidiair AVAS, zoals in eerste aanleg is uiteengezet. Indien uw Hof het anders ziet dan is dit een feit waarvoor een boete dient te volgen.”
Het vonnis
52. Het Hof heeft in het vonnis onder meer het volgende overwogen met betrekking tot de verweren aangaande feit 3:
“ Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van verweren ten aanzien van feit 3 (onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften)
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft allereerst naar voren gebracht dat het onder 3 ten laste gelegde feit normaliter door de belastingdienst zelf wordt afgehandeld, maar dat dat in deze zaak niet is gebeurd omdat er ten aanzien van de feiten 1 en 2 dwangmiddelen zijn toegepast. Door dit feit eveneens in de dagvaarding op te nemen, is de verdachte de mogelijkheid ontnomen om de zaak buitengerechtelijk af te handelen. Als het openbaar ministerie de verdachte wel die kans had geboden, dan zou de verdachte niet ten aanzien van dit feit strafrechtelijk zijn vervolgd.
[…]
Oordeel Hof
Alhoewel de raadsvrouw geen conclusie heeft verbonden aan haar hiervoor als eerste weergegeven standpunt, overweegt het Hof voor het geval zij heeft bedoeld te betogen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging of de strafrechter ten aanzien van dit feit niet bevoegd is, dat dit verweer faalt. Nu de onderhavige zaak (inclusief het onder 3 ten laste gelegde feit) de vervolging van strafbare feiten betreft, is het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel gerechtigd verdachte ter zake te dagvaarden en is de strafrechter op grond van artikel 114 junctoPro 115 van de Staatsregeling Sint Maarten bevoegd om kennis te nemen van het onder 3 ten laste gelegde feit.”
De toelichting op het middel
53. In de toelichting op het middel wordt (hier samengevat) aangevoerd dat het Hof, gelet op het door de raadsvrouw van de verdachte ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde gevoerde verweer, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren in de strafvervolging van dat feit wegens schending van de in art. 55, tweede lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) vastgelegde bevoegdheidsverdeling. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat het Hof de vraag had moeten beantwoorden of de Directeur der Belastingen (hierna: de Directeur) de vervolging van de verdachte ter zake van feit 3 wenselijk achtte en daartoe de processen-verbaal aan de officier van justitie heeft overgedragen. Verder, aldus de steller van het middel, had het Hof zich – ambtshalve – moeten afvragen of de officier van justitie bevoegd was om, buiten de Directeur om, opsporingsonderzoek te laten doen naar het onder 3 tenlastegelegde, waarbij het Hof had moeten onderzoeken of de Directeur op enig moment in het opsporingsonderzoek naar het onder 3 tenlastegelegde is gekend en, zo ja, wat zijn opvatting te dezen is geweest.
Het juridisch kader
54. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
“De bepalingen in de volgende afdelingen van deze titel zijn toepasselijk op de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, met dien verstande dat, waar gesproken wordt van het Hof en van de voorzitter, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de rechter in eerste aanleg wordt verstaan en waar gesproken wordt van de procureur-generaal, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de officier van justitie wordt verstaan, een en ander voor zover niet uit enige van de bepalingen anders blijkt en onverminderd het bepaalde in Titel IV van dit Boek en in de Titels I en II van het Zevende Boek.”
“Indien het onderzoek in artikel 392 bedoeldPro, daartoe aanleiding geeft, spreekt het Hof uit de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep, de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van het Hof, de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of de schorsing van de vervolging.”
- Art. 401, derde lid, SvSM:
“Wordt, in strijd met het te dien aanzien door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer, artikel 393 nietPro toegepast of aangenomen dat het bewezenverklaarde een bepaald strafbaar feit oplevert of dat een bepaalde strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond niet aanwezig is, dan geeft het vonnis daaromtrent bepaaldelijk een beslissing.”
- Art. 402, tweede lid, SvSM:
“De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.”
- Art. 55, tweede lid, ALL:
“Alle processen-verbaal betreffende de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten worden ingezonden aan de Directeur. De Directeur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie. De overige processen-verbaal doet de Directeur met de inbeslaggenomen voorwerpen toekomen aan de officier van justitie indien hij een vervolging wenselijk acht.”
55. Art. 55, tweede lid, ALL komt materieel overeen met art. 80, tweede lid aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Mijns inziens kan er dan ook van worden uitgegaan dat de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 80 AWRPro evenzeer van toepassing is op art. 55 ALLPro.
56. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4311, NJ1987/304 (rov. 6.1-6.3) en HR 9 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0921, NJ1988/583, m.nt. Van Veen (rov. 7.1-7.3) overwogen dat in art. 80, tweede lid, AWR enerzijds tot uitdrukking wordt gebracht dat het bestuur van ’s Rijks belastingen in eerste instantie de wenselijkheid bepaalt van een strafrechtelijke vervolging in fiscale zaken en anderzijds dat de bevoegdheid tot strafrechtelijke vervolging bij het openbaar ministerie berust, en ten slotte dat het vereiste van een prealabele beslissing van het bestuur van ’s Rijks belastingen uitzondering lijdt indien justitieel reeds daden van vervolging zijn verricht. De Hoge Raad heeft daarbij tevens aangegeven dat een redelijke interpretatie van art. 80 AWRPro meebrengt dat de opsomming van de vervolgingsdaden in het tweede lid van dat artikel niet limitatief is.
De bespreking van het middel
57. Het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 29, 30 en 31 maart 2022 [14] houdt in dat de verdachte telkens is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw. Dat proces-verbaal en de overgelegde pleitnotitie van de raadsvrouw houden niet in dat in hoger beroep door of namens de verdachte het verweer is gevoerd dat niet is voldaan aan het in art. 55, tweede lid, ALL neergelegde vereiste dat de Directeur omtrent de opportuniteit van een strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte heeft beslist, zodat het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat dit verweer niet is gevoerd. Voor zover het middel berust op de stelling dat in hoger beroep wél is gepleit voor de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde, mist het feitelijke grondslag. Dit brengt met zich dat het Hof zich in zijn veroordelend vonnis niet expliciet behoefde uit te laten over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 tenlastegelegde (art. 401, derde lid, SvSM jo. 402, tweede lid, SvSM). Daaraan doet niet af dat het Hof – onverplicht – toch daaraan overwegingen heeft gewijd. Daarbij komt dat zo’n verweer niet voor het eerst in cassatie naar voren kan worden gebracht. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de klacht in het cassatiemiddel mede een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is, kan het middel niet tot cassatie leiden. [15]
58. Ten overvloede merk ik op dat voor zover het middel berust op de opvatting dat het openbaar ministerie zonder meer niet-ontvankelijk is in de vervolging van fiscale delicten, zoals het onder 3 tenlastegelegde, indien geen sprake is van een prealabele beslissing van de Directeur en/of geen van de in art. 55, tweede lid, ALL opgesomde vervolgingsdaden is verricht, deze opvatting – gelet op hetgeen ik hiervoor in randnummers 55-56 heb vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. [16]
VI. Het vierde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
59. In het middel wordt geklaagd dat “de bewezenverklaring waartoe het hof is gekomen onder 3 niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen, in elk geval niet duidelijk en begrijpelijk is waarom het hof heeft gemeend dat die bewezenverklaring zou volgen uit de bewijsmiddelen waarvan de inhoud in het vonnis is weergegeven. Het hof heeft die bewezenverklaring bovendien doen steunen op een onjuiste, in elk geval met de wet strijdige, opvatting van het strafrechtelijke begrip ‘opzet’. Hoe dan ook is de door het hof gehanteerde bewijsconstructie ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde ontoereikend en onbegrijpelijk.”
De bewezenverklaring
60. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard:
“dat hij in de periode van 1 juni2013 tot en met 31 juni2014 in Sint Maarten, meermalen opzettelijk, als degene, die ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Inkomstenbelasting, dat onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft hij, opzettelijk, in de aangiften Inkomstenbelasting betreffende de belastingjaren 2012 en 2013 telkens
- een te laag persoonlijk inkomen opgegeven en
- het saldo op zijn bankrekening in Anguilla (vraag 13 aangiftebiljet IB) niet opgegeven
en
- zijn aandelen in de onderneming [C] NV (vraag 2h aangiftebiljet IB) niet opgegeven,
terwijl daarvan telkenshet gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor Sint Maarten.”
De gebezigde bewijsmiddelen
61. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende – in de aan het vonnis gehechte bijlage III opgenomen – bewijsmiddelen:
“ Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3
23.De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 december 2019.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb de USD 190.000 en USD 180.000 die ik op respectievelijk 30 juli 2012 en op 20 december 2012 van [betrokkene 1] op mijn bankrekening in Anguilla gestort kreeg niet opgegeven in mijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013. Datzelfde geldt voor mijn aandelen in [C] N.V..
24.Een overzichtsproces-verbaal omkoping [betrokkene 1] - [verdachte] en witwassen en belastingfraude [verdachte] van 23 maart 2018, opgemaakt door de opsporingsambtenaar bekend onder codenummer TBO 16048 (in zaaksdossier omkoping, belastingfraude en witwassen verdachten [betrokkene 1] en [verdachte] ).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Buitenlandse bankrekening
Uit onderzoek komt naar voren dat [verdachte] een bankrekening, op eigen naam, heeft in Anguilla. Hierop ontvangt hij op 30-07-2012 (USD 180.000) en op 20-12-2012 (USD 190.000) van [betrokkene 1] . Op deze bankrekening ontvangt hij in 2012 in totaal USD 985,10 aan rente en in 2013 USD 2.003,62 (D-1641). De rente die [verdachte] heeft ontvangen op zijn bankrekening in Anguilla had hij in zijn aangiften IB over de jaren 2012 en 2013, onder vraag 13b, "Interest received on savings abroad" moeten opgeven. Dit heeft hij niet gedaan.
Daarnaast had hij de saldi op deze bankrekening per 31-12-2012/13 moeten vermelden bij vraag 13. Dit betreft voor 2012 USD 272.322,35 en voor 2013 USD 5.121,97.
Aandelen [C] N.V.
Uit onderzoek komt naar voren dat [verdachte] 50% eigenaar is van de onderneming [C] (Het Hof begrijpt hier en hierna: [C] N.V.). [C] heeft totaal 300 nominale aandelen uitgegeven van elk USD 10. Het is niet bekend hoeveel aandelen [verdachte] heeft dan wel zijn compagnon [betrokkene 17], want deze zijn niet onder Vraag 2h "Other stocks (shares and bonds)" opgenomen in de aangiften IB 2012 en 2013. [verdachte] is een van de eigenaren van [C] en had derhalve zijn gedeelte van de aandelen in [C] en de eventueel genoten (loon)inkomsten in zijn aangiften IB over de jaren 2012 en 2013 moeten opgeven.
25.Een geschrift, te weten een Tax Return Form A Income tax, Premiums A.O.V./A.W.W./A.V.B.A. 2012(D-1621).
Dit formulier houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
2012
Tax return form A
Income tax
Premiums A.O.V./A.W.W./A.V.B.Z.
Fiscal year 1 jan. 2012 up to 31 dec. 2012
[verdachte]
[betrokkene 18]
[a-straat 1]
[plaats]
I hereby declare to have filled our this Tax Return form (including enclosures) clearly, truthfully and without any reservation.
Date: 6 juni 2013
Handtekening geplaatst bij 'Signature of taxpayer' en bij 'Signature of spouse'.
2.Other
Vraag 2h: Did you, your spouse and/or minor children possess any of the following, during the fiscal year 2012:
Shares in a limited liability company, making use of the transitional arrangements for the offshore regime NO
Other stocks (shares and bonds)? NO
3.Income from emloyment pensions and allowances
Man
Vraag 3c: Other income derived from labor (extra earnings) fl [niets ingevuld]
13.Interest and dividends
Vraag 13b: Interest received on savings abroad fl [niets ingevuld]
Balances on December 31st 2012
Total of foreign bank balances and other claims fl [niets ingevuld]
14.Other incomefl [niets ingevuld]
fl 0
26.Een geschrift, te weten een Tax Return Form A Income tax, Premiums A.O.V./A.W.W./A.V.B.A. 2013(D-1626).
Dit formulier houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
2013
Tax return form A
Income tax
Premiums A.O.V./A.W.W./A.V.B.Z.
Fiscal year January 1st, 2013 to December 31th, 2013
[verdachte]
[betrokkene 18]
[a-straat 1]
[plaats]
I hereby declare to have filled our this Tax Return form (including enclosures) clearly, truthfully and without any reservation.
Date: 23 juni 2014
Handtekening geplaatst bij 'Signature of taxpayer' en bij 'Signature of spouse'.
2.Other
Vraag 2h: Did you, your spouse and/or minor children possess any of the following in 2013:
Shares in a limited liability company, making use of the transitional arrangements for the offshore regime NO
Other stocks (shares and bonds)? NO
3.Income from emloyment pensions and allowances subjected to wage tax
Man
Vraag 3c: Other income derived from labor (extra earnings) fl [niets ingevuld]
13.Interest and dividends
Vraag 13b: Interest received on foreign savings fl [niets ingevuld]
(savings account)
Balances on December 31st 2013
Total of foreign bank balances and other claims fl [niets ingevuld]
14.Other incomefl [niets ingevuld]
fl 0
27.Een geschrift, te weten een overzicht van de National Commercial Bank of Anguilla Ltd, met betrekking tot account [rekeningnummer 2] op naam van [verdachte] , [plaats], [a-straat], Sint Maarten (D-1641).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Date Description debits credits Balance
30-JUL-12 CRM 180,000.00
20-DEC-12 CRM CHQ#000019570 190,000.00
31-DEC-12 INT 437.72 272,322.35
31-DEC-13 INT 75.63 5,121.97”
De nadere overwegingen van het Hof
62. Het vonnis houdt ter zake het volgende in:
“ Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van verweren ten aanzien van feit 3 (onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften)
Standpunt verdediging
[…]
De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat de verdachte ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan. Het is juist dat de verdachte de bedragen die hij op zijn bankrekening in Anguilla heeft ontvangen en zijn aandelen in [C] N.V. niet heeft opgegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013. De verdachte verkeerde namelijk in de veronderstelling dat hij dat niet behoefde te doen, omdat hij ten tijde van het doen van de aangifte uitging van een renteloze leningsovereenkomst tussen hem en [betrokkene 1] en er aldus geen belastbaar inkomen was genoten dat in de aangifte vermeld had moeten worden. Voor zover de ontvangen bedragen wel als inkomen gekwalificeerd hadden moeten worden, dan geldt dat de verdachte dat ten tijde van het doen van de aangifte niet had kunnen weten dat de aangifte op dat punt onvolledig of onjuist zou zijn.
Ter onderbouwing van het voorgaande heeft de raadsvrouw verwezen naar de verklaring van [betrokkene 19], waarin zij stelt dat een persoonlijke lening die via familie is gelopen niet hoeft te worden opgegeven in het aangifteformulier. Voorts heeft de raadsvrouw verwezen naar de verklaring van [betrokkene 20], waarin hij stelt dat 'de gewone man' die geen kennis van zaken heeft vraag 2h meestal niet invult. Volgens de raadsvrouw valt haar cliënt aan te merken als 'de gewone man'.
[…]
Oordeel Hof
[…]
Zoals hiervoor ten aanzien van het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde feit is uiteengezet, is het Hof van oordeel dat de geldbedragen van USD 180.000,- en USD 190.000,- die de verdachte op 30 juli 2012, respectievelijk 20 december 2012 van [betrokkene 1] heeft ontvangen, niet zien op geldbedragen die hij heeft ontvangen uit hoofde van een overeenkomst van geldlening. Reeds daarom behoeft het verweer van de verdachte dat een lening niet op het aangifteformulier Inkomstenbelasting behoeft te worden vermeld en indien dat wel het geval is, hij dat niet had kunnen weten, geen bespreking.
Voor zover de verdediging met de verklaring van [betrokkene 20] heeft bedoeld te betogen dat de verdachte zijn aandelen in [C] N.V. niet had hoeven vermelden in zijn aangiftes, faalt dat verweer, reeds omdat de enkele verklaring van [betrokkene 20] – wat daarvan overigens ook zij – de verdachte niet ontslaat van zijn verplichting om zijn aangifte Inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 juist en volledig te doen.
De verdachte heeft de van [betrokkene 1] ontvangen geldbedragen van USD 180.000,- en USD 190.000,-, zijn saldo op zijn bankrekening in Anguilla, de door hem over dit saldo ontvangen rente, en zijn aandelen in [C] N.V. niet opgegeven in de aangifteformulieren Inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013. De verdachte is (eind)verantwoordelijk voor het juist invullen van zijn belastingaangiften en door deze objectieve norm te schenden, terwijl hij met deze inkomstenbronnen bekend mag worden verondersteld, heeft hij opzet gehad (al dan niet in voorwaardelijke vorm) op het begaan van het onder 3 ten laste gelegde feit. Omdat daardoor belastinginkomsten konden worden misgelopen, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat daardoor nadeel voor het Land Sint Maarten kon ontstaan.
Nu de verdachte de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2012 op 6 juni 2013 heeft gedaan en de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2013 op 23 juni 2014, zal de bewezenverklaarde periode worden verkort tot de periode 1 juni 2013 tot en met 31 juni 2014.”
De bespreking van het middel
63. In de toelichting op het middel kunnen vijf deelklachten worden gelezen, die alle erop neerkomen dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde is gekomen.
64. De eerste deelklachthoudt in dat uit het vonnis van het Hof niet blijkt dat en wanneer de aangiftebiljetten over de jaren 2012 en 2013 overeenkomstig art. 6, eerste lid, ALL zijn uitgereikt, zodat de in de bewezenverklaring van feit 3 besloten liggende vaststelling van het Hof dat de verdachte ingevolge art. 6, vierde lid, ALL tot het doen van aangifte verplicht was geen steun vindt in redengevende feiten en omstandigheden zoals voorgeschreven in art. 402 SvSMPro.
65. Art. 6, eerste en vierde lid, ALL luidde ten tijde van het onder 3 bewezenverklaarde (en luidt nog altijd):
“1. De Inspecteur kan aan een ieder die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is een aangiftebiljet uitreiken.
[…]
4. Een ieder aan wie een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden aangifte te doen door dat biljet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, met de daarin gevraagde bescheiden, in te leveren. Degene die de aangifte doet waarmerkt de over te leggen bescheiden.”
66. Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte met de in de bewezenverklaring genoemde aangiftebiljetten belastingaangifte heeft gedaan (hierover gaat de tweede deelklacht die ik hierna bespreek). Daaruit volgt dat die aangiftebiljetten overeenkomstig art. 6, eerste lid, ALL op enig moment aan de verdachte zijn uitgereikt. Gelet daarop was de verdachte ingevolge art. 6, vierde lid, ALL gehouden aangifte te doen door die aangiftebiljetten ingevuld en ondertekend in te leveren. Anders dan de steller van het middel meent, doet daaraan niet af dat uit de bewijsvoering van het Hof niet blijkt wanneer de desbetreffende aangiftebiljetten zijn uitgereikt aan de verdachte.
67. Volgens de tweede deelklachtblijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen evenmin dat de verdachte degene is geweest die met de hiervoor bedoelde aangiftebiljetten belastingaangifte heeft gedaan. Die aangiftebiljetten zijn weliswaar op 6 juni 2013 respectievelijk 23 juni 2014 ondertekend, maar niet zou blijken door wie deze zijn ondertekend. De tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte inhoudende dat hij in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 van bepaalde gegevens geen melding heeft gemaakt, is, zo meent de steller van het middel, onvoldoende om de gesignaleerde leemte op te vullen.
68. Nog daargelaten (i) dat blijkens de nadere overwegingen van het Hof de verdediging in hoger beroep heeft onderkend dat de verdachte degene is geweest die de bedoelde belastingaangiften heeft gedaan [17] , kan (ii) uit de door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte dat hij de bedragen die hij op zijn bankrekening in Anguilla heeft ontvangen en zijn aandelen in [C] N.V. niet heeft opgegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013, en (iii) uit de eveneens tot het bewijs gebezigde ondertekende en (deels) ingevulde aangiftebiljetten inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 op naam van de verdachte en zijn partner, wel degelijk worden afgeleid dat het (mede) de verdachte is geweest die de bedoelde belastingaangiften heeft gedaan. Ik zie niet in waarom de verklaring van de verdachte onvoldoende zou zijn om de door de steller van het middel gestelde leemte op te vullen. Dit punt wordt in de schriftuur ook niet (nader) toegelicht.
69. Met de derde deelklachtwordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het Hof niet blijkt dat de geldbedragen die de verdachte op zijn bankrekening in Anguilla heeft ontvangen, kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen. Het oordeel van het Hof dat die geldbedragen niet zijn ontvangen uit hoofde van een geldleningsovereenkomst betekent nog niet dat die geldbedragen dus kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen. Dat blijkens zijn bewijsoverwegingen het Hof ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft vastgesteld dat de geldbedragen steekpenningen en dus inkomen betreffen, doet volgens de steller van het middel hieraan niet af, omdat deze omstandigheid had moeten blijken uit de ten aanzien van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen en niet uit de bewijsoverwegingen van het Hof ten aanzien van de overige bewezenverklaarde feiten.
70. Ik vermag niet in te zien waarom het Hof zijn eerdere vaststellingen (met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde) niet zou kunnen en mogen betrekken bij de beantwoording van de vraag of de door de verdachte op zijn bankrekening in Anguilla ontvangen geldbedragen kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen. Geen rechtsregel verzet zich daartegen. Het Hof heeft– zoals het kon doen – bij die beantwoording verwezen naar zijn bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde. Daaruit blijkt dat die geldbedragen wel degelijk het geld (de steekpenningen) betreft waarmee de verdachte is omgekocht. Derhalve meen ik – anders dan de steller van het middel – dat uit de bewijsvoering van het Hof zonder meer kan worden afgeleid dat die geldbedragen kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen.
71. Overigens merk ik op dat de derde deelklacht betrekking heeft op het in de bewezenverklaring van feit 3 opgenomen onderdeel “een te laag persoonlijk inkomen opgegeven”. Dat onderdeel zou probleemloos uit de bewezenverklaring kunnen worden geschrapt, zonder dat daarmee in enig opzicht afbreuk wordt gedaan aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Voor de kwalificatie van de feiten heeft het wegvallen van dit onderdeel evenmin consequenties. Kortom, zelfs indien deze klacht terecht zou zijn voorgesteld (quod non), dan nog zou het niet tot cassatie kunnen leiden. [18]
72. De vierde deelklachtkomt op tegen de volgende overweging van het Hof:
“Voor zover de verdediging met de verklaring van [betrokkene 20] heeft bedoeld te betogen dat de verdachte zijn aandelen in [C] N.V. niet had hoeven vermelden in zijn aangiftes, faalt dat verweer, reeds omdat de enkele verklaring van [betrokkene 20] – wat daarvan overigens ook zij – de verdachte niet ontslaat van zijn verplichting om zijn aangifte Inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 juist en volledig te doen.”
73. Aangevoerd wordt dat de overweging van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Hof met zijn overweging heeft miskend dat de verdediging niet heeft betwist dat op de verdachte de verplichting rustte om zijn aandelen in [C] N.V. te vermelden in zijn belastingaangiften, maar dat het uitblijven van die vermelding niet aan opzet is te wijten. In essentie houdt deze deelklacht in dat het Hof een onderdeel van het opzetverweer verkeerd zou hebben opgevat. Nu de uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter, kan deze uitleg in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [19]
74. De enkele omstandigheid dat het Hof een onderdeel van het opzetverweer anders zou hebben uitgelegd, maakt niet dat de bestreden overweging van het Hof in reactie op dat onderdeel van het opzetverweer reeds om die reden getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre faalt deze deelklacht reeds.
75. Verder acht ik de uitleg die het Hof heeft gegeven geenszins onbegrijpelijk. Daarbij weeg ik mee dat blijkens de nadere overwegingen van het Hof de raadsvrouw van de verdachte slechts heeft aangevoerd dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij de op zijn bankrekening in Anguilla ontvangen geldbedragen en zijn aandelen in [C] N.V. niet hoefde op te geven in zijn belastingaangiften en zij ter onderbouwing daarvan heeft verwezen naar de verklaring van [betrokkene 20], waarin deze [betrokkene 20] niet méér te berde brengt dan dat ‘de gewone man’ die geen kennis van zaken heeft, tot welke groep de verdachte volgens zijn raadsvrouw moet worden gerekend, vraag 2h (de vraag over het bezit van aandelen) meestal niet invult.
76. De vijfde deelklachtkomt op tegen de volgende overweging van het Hof:
“De verdachte is (eind)verantwoordelijk voor het juist invullen van zijn belastingaangiften en door deze objectieve norm te schenden, terwijl hij met deze inkomstenbronnen bekend mag worden verondersteld, heeft hij opzet gehad (al dan niet in voorwaardelijke vorm) op het begaan van het onder 3 ten laste gelegde feit.”
77. Gesteld wordt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte opzet heeft gehad op het begaan van het onder 3 tenlastegelegde blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Verder wordt geklaagd dat de vereiste onderbouwing van dit aangenomen opzet achterwege is gebleven.
78. Art. 49, eerste lid aanhef en onderdeel a, en tweede lid, ALL luidde ten tijde van het onder 3 bewezenverklaarde als volgt:
“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van ten hoogste NAF. 25.000,-- of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen wordt, indien van de handeling of het nalaten het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, gestraft degene die ingevolge deze landsverordening verplicht is tot:
a. het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat niet binnen de gestelde termijn, onjuist of onvolledig doet;
[…]
2. Degene die zich opzettelijk schuldig maakt aan een in het eerste lid omschreven strafbaar gesteld feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of een geldboete van ten hoogste NAF. 100.000,-- of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen.”
79. Bij de beoordeling van de vijfde deelklacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Onder opzet als bedoeld in art. 49 ALLPro moet voorwaardelijk opzet worden begrepen. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval het onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. [20] Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden én dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). [21]
80. Over het algemeen zal van de aanmerkelijke kans op het doen van onjuiste of onvolledige aangifte snel sprake zijn, gezien de complexiteit van de fiscale regelgeving. Aan de kenniscomponent van voorwaardelijk opzet zal in fiscalibussnel zijn voldaan, omdat eenieder door de complexiteit en omvang van de regelgeving zich bewust is van de aanmerkelijke kans dat zijn aangifte onjuist of onvolledig kan zijn. De wilscomponent van voorwaardelijk opzet vereist daarnaast dat de belastingplichtige die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. [22] Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [23] Derhalve is in het fiscaal strafrecht een goede, voldoende geïndividualiseerde bewijsmotivering belangrijk bij de toepassing van het voorwaardelijk opzet, waarbij de specifieke omstandigheden van het geval veelal relevant zijn voor het bewijs daarvan. [24]
81. Het Hof heeft – niet onbegrijpelijk – overwogen dat verondersteld mag worden dat de verdachte bekend was met de van [betrokkene 1] op zijn bankrekening ontvangen geldbedragen, het saldo op zijn bankrekening in Anguilla, de door hem over dit saldo ontvangen rente en zijn aandelen in [C] B.V, en dat de verdachte (eind)verantwoordelijk is voor het juist invullen van zijn belastingaangiften. Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte niettemin ten onrechte heeft nagelaten in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting daarvan melding te maken, terwijl in de aangiftebiljetten expliciet wordt gevraagd naar dergelijke inkomsten(bronnen). Verder heeft het Hof het standpunt van de verdediging dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij van (een deel van) de bovengenoemde inkomsten(bronnen) geen melding hoefde te maken genoegzaam weerlegd. In het licht van het voorgaande getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde aangiften voor de inkomstenbelasting met opzet (al dan niet in voorwaardelijke vorm) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, niet van een onjuiste toepassing en is het evenmin onbegrijpelijk. [25]
82. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het vijfde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
83. Het vijfde middel klaagt dat “het hof ten onrechte heeft aangenomen dat geen sprake was van undue delayin de zin van [art. 6, eerste lid, EVRM] en daarvoor ten onrechte geen compensatie heeft geboden in de strafoplegging”.
Het vonnis
84. Het Hof heeft in het vonnis over de berechting binnen een redelijke termijn het volgende overwogen:
“ Oplegging van straffen
[…]
Redelijke termijn
Ten aanzien van de vraag of sprake is van schending van de redelijke termijn heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Het Gerecht heeft hierover overwogen:
“Op 14 februari 2018 is de verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. Verdachte is die dag ook voor het eerst als verdachte gehoord, zijnde het eerste moment dat vanwege de overheid jegens de verdachte een handeling is verricht, waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De verdachte is in totaal vier keer verhoord en op 23 februari 2018 is hij in vrijheid gesteld. Het politieonderzoek is op 26 maart 2018 afgerond. De inleidende dagvaarding voor de terechtzitting op 11 juni 2018 is op 21 mei 2018 uitgebracht en aan hem in persoon betekend. Ter terechtzitting is het onderzoek een aantal keren geschorst in verband met het horen van een groot aantal getuigen bij de rechter-commissaris. Er zijn vervolgens zestien getuigen gehoord in de periode tussen 11 juni 2018 en november 2019, waarna de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 16,17 en 18 december 2019. Het onderzoek is gesloten op 8 januari 2020 en de uitspraak in de strafzaak in eerste aanleg vindt plaats op 29 januari 2020.
Tussen de aanhouding van de verdachte op 14 februari 2018 en de uiteindelijke uitspraak in de strafzaak in eerste aanleg op 29 januari 2020 is een periode van bijna twee jaar verstreken. Het geding in eerste aanleg is daarom afgerond binnen twee jaar na zijn aanhouding zodat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRMPro."
Het Hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.
Wat de gedingfase van het hoger beroep betreft, heeft eveneens te gelden dat de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het Hof is van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn bij de berechting in hoger beroep. De verdachte heeft op 29 januari 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht. De behandeling in tweede aanleg is heden – en aldus niet binnen twee jaren – met een eindvonnis afgerond. Door de raadsvrouw zijn in hoger beroep verzoeken gedaan tot het verrichten van nader onderzoek. Door maatregelen in het kader van de bestrijding van de Covid-19-pandemie is een vertraging opgetreden in de uitvoering van deze verzoeken, te weten het in persoon horen van getuigen in de Verenigde Staten van Amerika door de rechter-commissaris in het bijzijn van de verdediging. Deze vertraging is ingegeven door een bijzondere omstandigheid die niet aan de overheid te wijten is. Aldus acht het Hof de overschrijding van de met verdachtes berechting in hoger beroep gemoeide tijd niet onredelijk, waardoor van een schending van artikel 6 EVRMPro in hoger beroep evenmin sprake is.”
De toelichting op het middel
85. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door te overwegen dat de overschrijding van de met verdachtes berechting in hoger beroep gemoeide tijd niet onredelijk is nu die vertraging is ingegeven door een bijzondere, niet aan de overheid te wijten omstandigheid – te weten de maatregelen in het kader van de bestrijding van de COVID-19-pandemie – waardoor het door de rechter-commissaris, in het bijzijn van de verdediging, in persoon horen van door de raadsvrouw van de verdachte verzochte getuigen in de Verenigde Staten van Amerika vertraging heeft opgelopen.
86. Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM heeft plaatsgevonden, moeten het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting moet zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, moet de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep is overschreden, wordt die overschrijding in de regel gecompenseerd door strafvermindering. Maar het staat de rechter vrij – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.
87. Bij zijn oordeel over de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de redelijke termijn moet worden verruimd, of over de vraag welk gevolg aan een geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn moet worden verbonden, kan de rechter rekening houden met de vertraging die concreet in de behandeling van de zaak is ontstaan als gevolg van de overheidsmaatregelen naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus in 2020.
88. In het geval dat de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman en op de terechtzitting niet een verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, moet worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Een klacht in cassatie over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak, kan in zo’n geval niet slagen.
De bespreking van het middel
89. Uit het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 29, 30 en 31 maart 2022 [27] blijkt dat de zaak telkens is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw en dat door of namens de verdachte telkens geen verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. De raadsvrouw heeft blijkens haar overgelegde pleitnotitie bij pleidooi hierover slechts het volgende opgemerkt: “College, wij zijn inmiddels ruim 2 jaar na het vonnis in Eerste Aanleg.” Zij heeft echter niet gerept van overschrijding van de redelijke termijn in enige fase en heeft evenmin met een beroep op die overschrijding verzocht om strafvermindering. [28] De overwegingen van het Hof over de berechting binnen een redelijke termijn houden eveneens niet in dat door of namens de verdachte een dergelijk verweer is gevoerd. Uit de overige stukken van het geding blijkt evenmin welke uitlatingen van de verdachte en/of diens raadsvrouw tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep als zodanig hebben te gelden en in de cassatieschriftuur is dit ook niet aangegeven. Gelet hierop en op hetgeen ik hierboven in het juridisch kader heb vooropgesteld, faalt het middel. [29]
90. Ten overvloede merk ik op dat het Hof heeft geoordeeld dat, hoewel de behandeling van de zaak in hoger beroep langer heeft geduurd dan twee jaren na het instellen van het hoger beroep, de overschrijding van de met verdachtes berechting in hoger beroep gemoeide tijd niet onredelijk is, waardoor geen sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Daarbij heeft het Hof in het bijzonder gelet op het nadere onderzoek dat in deze zaak heeft plaatsgevonden – te weten het door de rechter-commissaris, in het bijzijn van de verdediging, in persoon horen van door de raadsvrouw van de verdachte verzochte getuigen in de Verenigde Staten van Amerika – en de daarbij als gevolg van een bijzondere, niet aan de overheid te wijten omstandigheid – te weten de (overheids)maatregelen ter bestrijding van de COVID-19-pandemie – ontstane vertraging in de planning van die getuigenverhoren. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. [30]
Slotsom
91. Alle middelen falen en kunnen naar mijn inzicht worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
92. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
93. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.De (voormalige) raadsvrouw van de verdachte heeft bij schrijven van 31 december 2023 laten weten dat zij zich per die datum laat uitschrijven als advocaat. Vervolgens heeft J. Boksem bij schrijven van 7 februari 2024 zich in cassatie gesteld als de raadsman van de verdachte.
3.Zie de aan dit vonnis gehechte bijlage IV (vonnis [betrokkene 1] exclusief bijlagen).
4.Ik merk op dat het vonnis in de zaak tegen [betrokkene 1] klaarblijkelijk in strijd met het bepaalde in art. 337, vierde lid, SvSM niet ter terechtzitting aan de verdachte in diens zaak is voorgehouden door het Hof. Dat vonnis en het vonnis in de onderhavige zaak zijn immers op dezelfde dag gewezen. Nu hierover in de schriftuur niet wordt geklaagd, laat ik dit punt verder rusten.
12.Vgl. HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 (rov. 3.1-3.2) onder verwijzing naar de randnummers 5.2-5.9 van de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld vóór dat arrest.
13.De laatste ‘0’ van het in de pleitnotitie genoemde bedrag NAFL 800.000 betreft een handgeschreven toevoeging.
14.Het betreft hier de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep.
16.Vgl. ook mijn conclusie van 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:17 vóór HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:420 (de Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering).
17.In dit verband wijs ik nog op de pleitnotitie van de raadsvrouw die inhoudt: “110. Analyse: Dat [verdachte] aangeeft de bedragen niet te hebben vermeld in zijn aangifte is een feit.”
27.Zoals reeds opgemerkt in voetnoot 14 betreft het hier de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep.
28.Vgl. in dit verband HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:45 (rov. 3.1-3.3) en HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:168 (rov. 2.1-2.3). In het arrest van 23 januari 2024 had de raadsman blijkens het proces-verbaal van ’s hofs terechtzitting daar aangevoerd: “
29.Vgl. HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1311. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, een te lage matiging van de betalingsverplichting had toegekend als gevolg van de geschonden redelijke termijn. Mijn ambtgenoot Keulen stelt in die zaak vast dat (i) door of namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden en dat die overschrijding moet leiden tot strafvermindering, (ii) de overwegingen van het hof met betrekking tot de geschonden redelijke termijn niet inhouden dat door de verdediging een dergelijk verweer is gevoerd en (iii) in de cassatieschriftuur niet is aangegeven welke uitlatingen van de verdachte en/of diens raadsvrouw tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn op te vatten als een zodanig verweer. Keulen komt tot de conclusie dat het middel reeds op grond daarvan faalt. De Hoge Raad deed het middel af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.