Conclusie
Inleiding
De zaak in het kort
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1 en 2
overzicht van ontvangen betalingen gedaan door [A] aan [B]op de BECM bank in Sint Maarten in de periode van 18 juli 2012 tot en met 18 december 2012 (D-182, D-078).
overzicht van betalingen op de Bank of Anguilla van [betrokkene 1]in de periode van 19 juni 2012 tot en met 31 december 2012. Het betreft account: [rekeningnummer 1] (D-667, D-079-1).
180229.000 –
299.980,0070.98
19058.025
stortingsbewijs van de National Bank of Anguilla, d.d. 30 juli 2012 (D-1644).
boekingsbewijs van de National Bank of Anguilla, d.d. 20 december 2012 (D-1645).
overzicht van de National Commercial Bank of Anguilla Ltd, met betrekking tot bankrekening [rekeningnummer 2] op naam van
[verdachte](D-1641).
[betrokkene 1], door hem afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 december 2019.
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1]:
[verdachte]afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 december 2019.
[betrokkene 2]:
curriculum vitae van [betrokkene 2]uit 2012 (D-1992).
brief van 25 juni 2012 van de Minister van TEATT aan [betrokkene 2]inzake de baggerwerkzaamheden door [A] (D-971).
e-mailbericht van [betrokkene 2]aan [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en [betrokkene 9] , en CC aan [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en BCC aan [verdachte] en [betrokkene 1] van 25 juni 2012.
e-mailbericht van [betrokkene 2] aan [verdachte] met CC aan [betrokkene 1]van 9 juli 2012 (D 2162).
e-mailbericht van [betrokkene 2] aan [verdachte]van 13 juli 2012 (D-2167).
e-mailbericht van [betrokkene 12] aan [betrokkene 2] en [betrokkene 10] en CC aan [betrokkene 13] en [betrokkene 14]van 4 december 2012 te 2.33 uur.
e-mailbericht van [betrokkene 10] aan [betrokkene 2]van 6 december 2012 te 2.31 uur.
e-mailbericht van [betrokkene 2] aan [betrokkene 10]van 6 december 2012 te 4.07 uur.
e-mailbericht van [betrokkene 10] aan [betrokkene 12]van 6 december 2012 te 5.01 uur.
e-mailbericht van [betrokkene 10] aan [betrokkene 2] , [betrokkene 9] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7]van 7 december 2012 te 6.17 uur.
e-mailbericht van [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] en BCC aan [verdachte]van 10 december 2012 te 9.27 uur.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van verweren ten aanzien van feit 1 (omkoping)
thank you for your support to get the dredging project going" kan immers niet anders worden uitgelegd.
mobilization costsen
general condition costsaan [A] worden uitbetaald, zijnde de kosten waarvan het Hof in het vonnis van medeverdachte [betrokkene 1] heeft vastgesteld [3] dat dit de geldbedragen zijn die aan [betrokkene 1] ten goede komen:
general condition costster zake van change order 6, nu niet is gebleken dat deze betaling evenzeer in relatie stond tot de voortgang van het werk.
godbrother' [verdachte] in verband met de betaling van onderhoud aan een pand van [verdachte] op Sint Maarten. Het Hof acht dit alternatieve scenario niet aannemelijk geworden. De verdediging heeft nagelaten met stukken of getuigenverklaringen te onderbouwen dat de geldbedragen uit hoofde van een overeenkomst van geldlening door [betrokkene 1] aan [verdachte] zijn betaald. Nu deze stelling dat het een geldlening betrof slechts is geponeerd door de verdachte zonder objectieve onderbouwing van het bestaan van die titel voor de betalingen en [betrokkene 1] en [verdachte] bovendien op enkele punten onderling tegenstrijdig hierover verklaren, zoals over het specifieke doel van de lening en in hoeverre de lening is terugbetaald, gaat het Hof aan dit alternatieve scenario voorbij. Ten overvloede overweegt het Hof dat het feit dat het pand met aanwending van de overgemaakte geldbedragen gerepareerd is, zoals [verdachte] heeft verklaard, nog niets zegt over de aannemelijkheid van de stelling dat de overgeboekte geldbedragen dus een lening betroffen. Niettegenstaande het voorgaande, de verdediging heeft bovendien onvoldoende onderbouwd dat het pand daadwerkelijk is gerepareerd. De stukken die de verdediging heeft overgelegd ter onderbouwing van die stelling, te weten een factuur waarvan niet duidelijk is of die betrekking heeft op het desbetreffende pand en twee bonnetjes, zijn daartoe onvoldoende.
eerste deelklachtwordt aangevoerd dat het vonnis van het Hof in strijd met art. 402 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: SvSM) niet de bewijsmiddelen bevat waaruit het oordeel van het Hof kan worden afgeleid dat geldbedragen die de verdachte van [betrokkene 1] heeft ontvangen afkomstig waren van [A] en door [A] werden doorbelast aan de Haven.
mobilization costsen
general condition costsgeldbedragen betroffen die aan [betrokkene 1] ten goede zijn gekomen niet kan worden afgeleid uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen nu dat oordeel is gebaseerd op het – als bijlage IV bij het onderhavige vonnis gevoegde – vonnis van het Hof in de zaak tegen [betrokkene 1] (dat evenmin de bewijsmiddelen bevat waaruit dat oordeel kan volgen; waarover hierna meer), merk ik het volgende op.
mobilization costsen
general condition costsgeldbedragen betroffen die aan [betrokkene 1] ten goede zijn gekomen, verwezen naar het vonnis in de zaak tegen [betrokkene 1] . [4] Dat vonnis is
exclusiefde bijlage bevattende de door het Hof in die zaak gebezigde bewijsmiddelen gevoegd als bijlage IV aan het vonnis in de onderhavige zaak. Het bijgevoegde vonnis in de zaak tegen [betrokkene 1] bevat zelf geen bewijsmiddelen waaruit kan volgen dat de
mobilization costsen
general condition costsaan [betrokkene 1] ten goede zijn gekomen. Het bestreden vonnis bevat ook geen andere bewijsmiddelen waaruit dat kan worden afgeleid. In zoverre is de eerste deelklacht terecht voorgesteld. [5]
tweede deelklachtkan uit de bewijsvoering van het Hof niet worden afgeleid dat de verdachte als ambtenaar enige zeggenschap had over de Haven en over het verlenen van baggeropdrachten. Met de
derde deelklachtwordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde betalingen door [betrokkene 1] aan de verdachte zijn gedaan “teneinde de verdachte te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten”. Deze klachten bespreek ik zoals gezegd gezamenlijk.
- de overheid (AG: ik begrijp het land van Sint Maarten, hierna: het Land) is enig aandeelhouder van de Haven;
- de Haven valt onder het ministerie van Tourism, Economic Affairs, Transport and Telecommunication (hierna: TEATT);
- de Haven laat zich bij de verdeling van het werk leiden door het Land/de regering en had voor het baggercontract met [A] goedkeuring nodig van het ministerie van TEATT;
- de verdachte was sinds 10 oktober 2010 onafgebroken parlementslid in Sint Maarten en
dus ambtenaar(cursivering van mij, A-G);
- in 2012 zat de partij van de verdachte in de regering en had zijn partij het ministerie van TEATT als portefeuille;
- de verdachte was voorzitter van de permanente commissie van TEATT;
- de verdachte had het dossier van de Haven, had regelmatig ontmoetingen met de Haven waarbij lopende en toekomstige projecten werden besproken en was nauw betrokken bij en de baas in de Haven.
verbandbestaat tussen de ondersteuning door de verdachte van het baggerproject en het door de verdachte ontvangen geldbedragen van [betrokkene 1] onder meer het volgende vastgesteld:
- [betrokkene 2] hield de verdachte en [betrokkene 1] in e-mailcorrespondentie op de hoogte dat en wanneer door de Haven aan [A] geldbedragen, in het bijzonder de
mobilization costsen de
general condition costs, werden uitbetaald;
- de verdachte en [betrokkene 1] hadden er belang bij door de Haven op de hoogte te worden gehouden van die betalingen;
- [betrokkene 2] heeft van sommige e-mailberichten een zogenoemde
blind carbon copy(BCC) gestuurd naar de verdachte met als gevolg dat voor de overige geadresseerden en hun lezers was afgeschermd dat die e-mailberichten ook werden gestuurd naar de verdachte;
- de ene overboeking door [betrokkene 1] van het geldbedrag naar de bankrekening van de verdachte vond plaats op dezelfde dag als de dag waarop [betrokkene 1] geld ontving van [A] . De andere overboeking volgde twee dagen nadat [betrokkene 1] geld had ontvangen van [A] ;
- deze overboekingen vonden plaats tussen de bankrekeningen van [betrokkene 1] en de verdachte in Anguilla;
- de overboeking door [A] aan [betrokkene 1] op 30 juli 2012 vond eveneens plaats op de bankrekening van [betrokkene 1] in Anguila, terwijl de eerdere overboekingen door [A] aan [betrokkene 1] werden gedaan op de bankrekening van [betrokkene 1] in Sint Maarten.
general condition costster zake van change order 6, nu niet is gebleken dat die betaling evenzeer in relatie stond tot de voortgang van het baggerproject.
ambtenaarfeitelijke invloed had op het baggerproject van [A] én dat de bewezenverklaarde betalingen door [betrokkene 1] aan de verdachte zijn gedaan teneinde de verdachte te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
de vierde deelklachtaangevoerd dat de vaststellingen van het Hof “nog veel sterker in de richting van een heel andere vorm van frauduleus handelen” wijzen, te weten “het rondpompen van overheidsgeld”. Het Hof had dit, uit de gebezigde bewijsmiddelen “krachtig oprijzende, alternatieve scenario niet mogen veronachtzamen”, aldus de steller van het middel.
Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
en/ofvan dat voorwerp gebruik heeft gemaakt terwijl hij wist dat voormeld voorwerp - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;”
Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van verweren ten aanzien van feit 2 (witwassen)
Raadmet betrekking tot (schuld)witwassen bestaande in het
verwervenof
voorhanden hebbenvan een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf houdt in, dat in die gevallen uit de motivering van de kwalificatie moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk v
erbergenof
verhullenvan de criminele herkomst van het voorwerp. De Hoge Raad beoogt met deze kwalificatie-uitsluitingsgrond te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. [8]
overdragen,
omzettenof
gebruikmakenvan een voorwerp. Dat kan anders zijn in het uitzonderlijke geval dat het “overdragen”, “omzetten” of “gebruik maken” van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en daarmee een door dat misdrijf verkregen voorwerp verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van dat voorwerp. [9]
NJ2015/314) had het hof vastgesteld dat van omzetten sprake was omdat een bedrag van ongeveer € 1,4 miljoen was opgegaan aan privébestedingen zoals huizen en auto’s, campers en de verbouw van een huis. Ook hier gaf de Hoge Raad toepassing aan art. 81, eerste lid RO. Ook in HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:1778 (niet gepubliceerd) liet de Hoge Raad de klacht falen dat geen toepassing was gegeven aan de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Bewezenverklaard was in deze zaak dat een verdachte een geldbedrag afkomstig uit eigen misdrijf had omgezet door er – onder meer – twee BMW’s van te kopen. Opnieuw gaf de Hoge Raad toepassing aan art. 81, eerste lid RO. Hetzelfde lot trof de verdachte ten laste van wie bewezen was verklaard dat hij geld uit eigen misdrijf had overgedragen en/of hiervan had gebruik gemaakt, waarbij de gedragingen bestonden uit “het aankopen van onroerende zaken, het overdragen van een geldbedrag naar de bankrekening van de moeder van de verdachte, het aankopen van een horloge, een vakantie, het huren van een appartement, het aflossen van een lening en het gebruik van geldbedragen voor het levensonderhoud van de verdachte en zijn vrouw.”
verwervenof
voorhanden hebbenvan een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.
omzettenen/of
gebruikmakenvan een geldbedrag van USD 370.000,- bewezenverklaard. Dat dit geldbedrag afkomstig was uit eigen misdrijf en dat de verdachte dat wist, volgt direct uit de vaststellingen van het Hof en staat derhalve niet ter discussie; het gaat hier om een geldbedrag dat afkomstig was uit het door het Hof eveneens bewezenverklaarde
feit 1, de passieve ambtelijke omkoping. Die bewezenverklaring is volgens mijn bespreking van het eerste cassatiemiddel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
feit 2bewezenverklaarde periode – bovengenoemd geldbedrag heeft opgenomen van zijn bankrekening in Anguilla (bewijsmiddelen 5 en 10) en dat hij het geld vervolgens heeft uitgegeven (bewijsmiddel 10). Gelet hierop is de bewezenverklaring van het onder
feit 2tenlastegelegde niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het derde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Feit 3 Opzettelijk oniuist/onvolledig doen van aangiften inkomstenbelasting
KANleiden tot een onderzoek. Met onderzoek bedoel ik administratief- of strafrechtelijk onderzoek. Of een zaak strafrechtelijk of administratief wordt afgedaan, wordt besloten in een tripartite overleg (hierna TPO). Het TPO ligt op dit moment stil vanwege gebrek aan mensen.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van verweren ten aanzien van feit 3 (onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften)
Art. 401, derde lid, SvSM:
Art. 402, tweede lid, SvSM:
Art. 55, tweede lid, ALL:
NJ1987/304 (rov. 6.1-6.3) en HR 9 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0921,
NJ1988/583, m.nt. Van Veen (rov. 7.1-7.3) overwogen dat in art. 80, tweede lid, AWR enerzijds tot uitdrukking wordt gebracht dat het bestuur van ’s Rijks belastingen in eerste instantie de wenselijkheid bepaalt van een strafrechtelijke vervolging in fiscale zaken en anderzijds dat de bevoegdheid tot strafrechtelijke vervolging bij het openbaar ministerie berust, en ten slotte dat het vereiste van een prealabele beslissing van het bestuur van ’s Rijks belastingen uitzondering lijdt indien justitieel reeds daden van vervolging zijn verricht. De Hoge Raad heeft daarbij tevens aangegeven dat een redelijke interpretatie van art. 80 AWR Pro meebrengt dat de opsomming van de vervolgingsdaden in het tweede lid van dat artikel niet limitatief is.
Het vierde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
juni2013 tot en met 31
juni2014 in Sint Maarten, meermalen opzettelijk, als degene, die ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Inkomstenbelasting, dat onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
telkenshet gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor Sint Maarten.”
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3
Tax Return Form A Income tax, Premiums A.O.V./A.W.W./A.V.B.A. 2012(D-1621).
2.Other
3.Income from emloyment pensions and allowances
13.Interest and dividends
14.Other incomefl [niets ingevuld]
Tax Return Form A Income tax, Premiums A.O.V./A.W.W./A.V.B.A. 2013(D-1626).
2.Other
3.Income from emloyment pensions and allowances subjected to wage tax
13.Interest and dividends
14.Other incomefl [niets ingevuld]
een overzicht van de National Commercial Bank of Anguilla Ltd, met betrekking tot account [rekeningnummer 2] op naam van [verdachte] , [plaats], [a-straat], Sint Maarten (D-1641).
Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van verweren ten aanzien van feit 3 (onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften)
eerste deelklachthoudt in dat uit het vonnis van het Hof niet blijkt dat en wanneer de aangiftebiljetten over de jaren 2012 en 2013 overeenkomstig art. 6, eerste lid, ALL zijn uitgereikt, zodat de in de bewezenverklaring van feit 3 besloten liggende vaststelling van het Hof dat de verdachte ingevolge art. 6, vierde lid, ALL tot het doen van aangifte verplicht was geen steun vindt in redengevende feiten en omstandigheden zoals voorgeschreven in art. 402 SvSM Pro.
tweede deelklachtblijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen evenmin dat de verdachte degene is geweest die met de hiervoor bedoelde aangiftebiljetten belastingaangifte heeft gedaan. Die aangiftebiljetten zijn weliswaar op 6 juni 2013 respectievelijk 23 juni 2014 ondertekend, maar niet zou blijken door wie deze zijn ondertekend. De tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte inhoudende dat hij in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 van bepaalde gegevens geen melding heeft gemaakt, is, zo meent de steller van het middel, onvoldoende om de gesignaleerde leemte op te vullen.
derde deelklachtwordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het Hof niet blijkt dat de geldbedragen die de verdachte op zijn bankrekening in Anguilla heeft ontvangen, kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen. Het oordeel van het Hof dat die geldbedragen niet zijn ontvangen uit hoofde van een geldleningsovereenkomst betekent nog niet dat die geldbedragen dus kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen. Dat blijkens zijn bewijsoverwegingen het Hof ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft vastgesteld dat de geldbedragen steekpenningen en dus inkomen betreffen, doet volgens de steller van het middel hieraan niet af, omdat deze omstandigheid had moeten blijken uit de ten aanzien van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen en niet uit de bewijsoverwegingen van het Hof ten aanzien van de overige bewezenverklaarde feiten.
vierde deelklachtkomt op tegen de volgende overweging van het Hof:
vijfde deelklachtkomt op tegen de volgende overweging van het Hof:
in fiscalibussnel zijn voldaan, omdat eenieder door de complexiteit en omvang van de regelgeving zich bewust is van de aanmerkelijke kans dat zijn aangifte onjuist of onvolledig kan zijn. De wilscomponent van voorwaardelijk opzet vereist daarnaast dat de belastingplichtige die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. [22] Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [23] Derhalve is in het fiscaal strafrecht een goede, voldoende geïndividualiseerde bewijsmotivering belangrijk bij de toepassing van het voorwaardelijk opzet, waarbij de specifieke omstandigheden van het geval veelal relevant zijn voor het bewijs daarvan. [24]
undue delayin de zin van [art. 6, eerste lid, EVRM] en daarvoor ten onrechte geen compensatie heeft geboden in de strafoplegging”.
Oplegging van straffen