Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
9 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafzaak tegen een letselschadejurist die ervan werd verdacht geldbedragen, bestemd voor cliënten, wederrechtelijk te hebben toegeëigend via een derdengeldenrekening. Het hof Den Haag had de verdachte schuldig bevonden op basis van onder meer rekeningafschriften en transacties, waarbij gebruik werd gemaakt van de Promis-werkwijze voor de bewijsmotivering.
De Hoge Raad herhaalt de criteria die aan de Promis-werkwijze worden gesteld, zoals geformuleerd in het arrest HR:2007:BA0424. De motivering moet zodanig zijn dat de bewezenverklaring duidelijk en nauwkeurig is onderbouwd met verwijzing naar de bewijsmiddelen, zodat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring op wettige bewijsmiddelen steunt.
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd welke feiten en omstandigheden aan welk bewijsmiddel zijn ontleend. De rekeningafschriften, waarop het hof zich baseerde, geven niet volledig inzicht en tonen bijvoorbeeld niet aan dat gelden van de verzekeraar op de derdengeldenrekening zijn ontvangen. Hierdoor is het motiveringsvereiste niet nageleefd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting. Andere cassatiemiddelen behoeven geen bespreking meer vanwege deze beslissing.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onvoldoende motivering bewijs en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.