ECLI:NL:PHR:2024:751

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2024
Publicatiedatum
9 juli 2024
Zaaknummer
22/01740
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 322 SrArt. 345 SvArt. 359 SvArt. 27 SrArt. 78b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest verduistering door juridisch dienstverlener en wijst zaak terug

De Hoge Raad heeft op 14 mei 2024 arrest gewezen in een zaak waarin de verdachte, een juridisch adviseur en vennoot van een maatschap, werd veroordeeld voor meervoudige verduistering van voorschotten op letselschade-uitkeringen van twee cliënten. De verdachte zou gelden die via de derdengeldenrekening van de maatschap waren ontvangen, niet geheel aan de begunstigden hebben doorbetaald en deze gelden voor andere doeleinden hebben aangewend.

In cassatie werden meerdere klachten ingebracht, waaronder dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet gesloten was verklaard, dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd en niet alle feiten en bewijsmiddelen duidelijk waren toegelicht, en dat de strafoplegging onjuist was gemotiveerd. De Hoge Raad constateerde dat het proces-verbaal van de sluiting van het onderzoek ontbrak en dat het hof onvoldoende nauwkeurige verwijzingen naar bewijsmiddelen gaf, waardoor de bewezenverklaring niet aan de wettelijke eisen voldeed.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof onvoldoende had onderbouwd dat de verdachte zich daadwerkelijk als heer en meester over de gelden had gedragen en dat het hof onterecht rekening had gehouden met een eerdere onherroepelijke veroordeling die pas na de feiten was uitgesproken. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.

De conclusie van de advocaat-generaal en de Hoge Raad benadrukken het belang van een sluitend bewijs van wederrechtelijke toe-eigening en een correcte procesgang, waaronder de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. De zaak bevat uitgebreide bewijsvoering met getuigenverklaringen, bankafschriften en pleitnota's, maar de Hoge Raad achtte de motivering en bewijsvoering onvoldoende om tot een definitieve veroordeling te komen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01740

Zitting14 mei 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 29 april 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. ‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd’ en 2. ‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede 160 uren taakstraf, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/01739. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Th.J. Kelder, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur is (binnen de – verlengde – termijn) het eerste middel ingetrokken, zijn het tweede, derde en vierde middel vernummerd tot eerste, tweede en derde middel en is het tweede middel aangevuld. Ik ga bij de bespreking uit van de aanvullende schriftuur.
Uw Raad heeft eerder arrest gewezen in deze zaak (HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:805). In het bestreden arrest dat destijds voorlag was het vonnis bevestigd met aanvulling van gronden. Aan de conclusie van A-G Aben voor dat arrest ontleen ik het volgende:
‘5. In cassatie kan op basis van de door het hof bevestigde vaststellingen van de rechtbank onbetwist van het volgende worden uitgegaan. [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) en [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) zijn beiden en los van elkaar betrokken geweest bij een (bedrijfs)ongeval waardoor zij letselschade hebben opgelopen. De verdachte heeft als juridisch adviseur namens [A] Juristen, waarvan hij samen met [aangever 5] (hierna: [aangever 5] ) vennoot was, de letselschadezaken van zowel [aangever 1] als [aangever 2] in behandeling genomen en hen bijgestaan in de procedures. Op de derdengeldenrekening van [A] Juristen zijn door respectievelijk [B] en [C] bedragen gestort die in beide gevallen een voorschot op de schade-uitkering behelsden, bestemd voor respectievelijk [aangever 1] en [aangever 2] . Buiten kijf staat dat de door [B] en [C] betaalde bedragen niet in zijn geheel zijn doorbetaald aan [aangever 1] en [aangever 2] .’
5. In cassatie werd geklaagd dat de bewezenverklaarde wederrechtelijke toe-eigening niet uit de bewijsvoering kon volgen. Uw Raad overwoog het volgende:
‘2.4. Uit de bewijsvoering blijkt kort gezegd dat ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] naar de derdengeldenrekening van [A] Juristen overgemaakte geldbedragen niet (geheel) aan de begunstigden zijn doorbetaald en dat de verdachte, die verantwoordelijk was voor de bijgeschreven bedragen, toegang had tot deze gelden.
Hieruit kan echter niet zonder meer volgen dat de verdachte zich de desbetreffende geldbedragen op de derdengeldenrekening van de maatschap wederrechtelijk heeft toegeëigend. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd’.
6. Het tweede middel bevat bewijsklachten. Met het oog op de bespreking van dat middel geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsvoering, passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting en delen van de pleitnota weer.
Bewezenverklaring, bewijsvoering, passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting en de pleitnota
7. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1. hij op tijdstippen in de periode van 21 oktober 2008 tot en met 18 juni 2011 te [plaats] opzettelijk geldbedragen, die toebehoorden aan [aangever 1] , en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn beroep als juridisch dienstverlener, anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2. hij op tijdstippen in de periode van 01 mei 2009 tot en met 13 december 2011 te [plaats] , opzettelijk geldbedragen, die geheel of ten dele toebehoorden aan [aangever 2] , en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn beroep als juridisch dienstverlener, anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend’.
8. De bewijsoverwegingen houden het volgende in (met overneming van de voetnoten):

Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten zoals ten laste gelegd, omdat de verdachte vanaf halverwege 2006 niet meer betrokken is geweest bij de letselschadezaken van [aangever 1] en [aangever 2] . Het was [aangever 5] - die naast de verdachte ook gemachtigde was van de derdengeldenrekening - die vanaf dat moment verantwoordelijk was voor deze letselschadezaken en voor de derdengeldenrekening. Het was derhalve niet de verdachte die de gelden, die door respectievelijk [B] en [C] ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] op de derdengeldenrekening van [A] Juristen waren gestort, onder zich had en derhalve kon de verdachte niet als heer en meester over deze gelden beschikken, aldus de raadsman.
Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat [A] Juristen gerechtigd was om de op de derdenrekening ontvangen voorschotten te verrekenen met door [A] Juristen gemaakte buitengerechtelijke kosten en dat de gelden derhalve niet wederrechtelijk zijn toegeëigend. Tot slot bepleit de raadsman dat er voorschotten contant aan [aangever 1] en [aangever 2] zijn doorbetaald.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Verantwoordelijkheid verdachte
Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het de verdachte was die betrokken is geweest in de afhandeling van de letselschadezaken van [aangever 1] en [aangever 2] (en als gevolg daarvan verantwoordelijk was voor het beheer van de daartoe overgemaakte voorschotten) en aldus of hij als heer en meester over de ontvangen voorschotten heeft kunnen beschikken. Het hof komt tot de conclusie dat dit het geval is.
Zo heeft [aangever 3] , de gemachtigde van [aangever 1] , in zijn aangifte verklaard dat [aangever 1] in zijn letselschadezaak juridisch werd bijgestaan door de verdachte. [1] Over de zaak [aangever 1] heeft hij alleen met de verdachte gesproken. Besprekingen over de letselschade afwikkeling voerde hij met de verdachte en [aangever 1] . [2] Ook [betrokkene 3] , de zus van [aangever 1] , heeft verklaard dat de contacten over de zaak van [aangever 1] steeds zijn gelopen via de verdachte en dat de verdachte het er nooit over heeft gehad dat de zaak was overgedragen aan [aangever 5] . [3] [betrokkene 2] , werkzaam als letselschadebemiddelaar bij [B] , heeft verklaard dat hun contactpersoon bij [A] Juristen [betrokkene 1] was. [4] [aangever 5] heeft verklaard dat hij vrijwel geen bemoeienis heeft gehad met het dossier van [aangever 1] en dat de verdachte de zaak nooit aan hem heeft overgedragen. [5]
[aangever 2] heeft verklaard dat hij met de verdachte een overeenkomst heeft gesloten op 12 mei 1998 om zijn belangen te behartigen. Afgesproken is dat de verdachte voor hem de geleden letselschade zou afwikkelen. [aangever 2] heeft verklaard dat hij vanaf 2009 maandelijks contact met de verdachte heeft gehad en dat de verdachte in 2011 ook bij hem thuis is geweest. [6]
Uit de verklaringen van [aangever 3] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [aangever 2] komt naar voren dat het de verdachte was die de letselschadezaken van [aangever 1] en [aangever 2] behandelde. Dit sluit tevens aan bij de verklaring van [betrokkene 1] , die tussen april 2005 en maart 2007 werkzaam is geweest bij [A] Juristen. Hij heeft verklaard dat de verdachte alle letselschadezaken behandelde en dat [aangever 5] de arbeidszaken deed. Ook heeft hij verklaard dat de verdachte de gehele (financiële) administratie van [A] Juristen deed. De verdachte is in de zomer van 2006 gevallen met zijn fiets, maar dit heeft niet tot zijn afwezigheid op het werk geleid. [7]
De verklaringen van de verdachte dat hij na een fietsongeluk in 2006 de behandeling van de zaak [aangever 1] en verder ook de hele financiële administratie, waaronder het verrichten van betalingen en overboekingen, aan [aangever 5] heeft overgedragen, wordt tegengesproken door de hiervoor vermelde verklaringen. Al die verklaringen wijzen erop dat de verdachte degene was die de zaken van [aangever 1] en [aangever 2] behandelde, ook na 2006.
[aangever 5] was weliswaar net als de verdachte gemachtigd ten aanzien van de derdengeldenrekening van [A] Juristen, maar daaruit volgt niet dat hij verantwoordelijk was voor de afhandeling van de gelden die ten behoeve van klanten van de verdachte op die derdengeldenrekening werden overgemaakt. [8]
Gelet op het voorgaande trekt het hof de conclusie dat het de verdachte is geweest die persoonlijk verantwoordelijk was voor de juiste afwikkeling van de gelden die ten behoeve van zijn klanten werden overgeboekt naar de derdengeldenrekening van [A] Juristen en als feitelijk heer en meester kon beschikken over de aan [aangever 1] en [aangever 2] toekomende gelden.
Verrekening kosten
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte, in zijn functie als letselschadejurist bij [A] Juristen, gerechtigd was om de buitengerechtelijke kosten te verrekenen met de ontvangen voorschotten.
In de zaak [aangever 2] heeft de verdachte een zaak tegen het UWV voor [aangever 2] aangespannen en met [aangever 2] was afgesproken dat deze declaraties ingehouden konden worden op de voorschotten van [C] . Dit betroffen twee declaraties van respectievelijk € 1.762,- en € 766,36. [9] Het hof stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken dat er meer facturen, ten aanzien van buitengerechtelijke kosten, verrekend zijn. Bovendien heeft [aangever 2] ontkend dat er -met uitzondering van de UWV declaraties- op zijn verzoek afspraken zijn gemaakt over het verrekenen van voorschotten met buitengerechtelijke kosten. [10]
Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het betoog van de verdediging dat de verdachte gerechtigd was om door [aangever 2] nog niet betaalde buitengerechtelijke kosten te verrekenen met ten behoeve van hem ontvangen voorschotten en dat zulke verrekeningen hebben plaatsgevonden.
In de afhandeling van de letselschadezaak van [aangever 1] kan het hof niet uitsluiten dat met [B] en/of [aangever 1] is overeengekomen (een bepaald bedrag aan) buitengerechtelijke kosten te kunnen verrekenen. Echter, de (mogelijke) omvang van het uiteindelijk vastgestelde bedrag waarvoor dit zou gelden, ligt in elk geval aanzienlijk lager dan de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen.
Contante uitbetalingen
Het hof ziet zich daarnaast voor de vraag gesteld of [A] Juristen (een deel van) de voorschotten contant aan [aangever 1] en [aangever 2] heeft doorbetaald.
De verdachte heeft kopieën van kwitanties overlegd die als bewijs zouden dienen voor zijn stelling dat [A] Juristen gelden aan [aangever 1] en [aangever 2] contant heeft doorbetaald.
Aan of ten behoeve van [aangever 1] zou op 25 maart 2011 een bedrag van € 10.000,- zijn betaald. [betrokkene 3] heeft echter verklaard nooit een bedrag van € 10.000,- ontvangen te hebben en de kwitantie niet te herkennen. [11] Ook [aangever 3] heeft verklaard niet bekend te zijn met contante uitbetalingen aan [aangever 1] . [12] Het hof stelt vast dat uit het dossier niet is gebleken dat er op of rond 25 maart 2011 met een bedrag van € 10.000,- corresponderende opnames zijn gedaan van bankrekeningen van [A] Juristen of van de verdachte. [13] Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht het hof niet aannemelijk geworden dat genoemde contante betaling van € 10.000,- aan of ten behoeve van [aangever 1] heeft plaatsgevonden.
Aan [aangever 2] zou in totaal € 15.500 contant zijn betaald (€ 7.500 op 29 maart 2010, € 4.500,- op 24 juni 2010 en € 3.500,- op 1 november 2010). [aangever 2] heeft echter verklaard dat hij nooit contante voorschotten van de verdachte heeft ontvangen. [14] Anders dan de rechtbank, stelt het hof vast dat uit het dossier niet is gebleken van corresponderende opnames van bankrekeningen van [A] Juristen of van de verdachte. Hieruit concludeert het hof dat er geen contante betalingen ten behoeve van [aangever 2] hebben plaatsgevonden.
Wederrechtelijke toe-eigening
Het hof ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of er, met in achtneming van het voorgaande, sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van voorschotten die voor [aangever 1] en [aangever 2] bestemd waren.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van toe-eigenen in de zin van verduistering sprake is indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. [15]
De verdachte heeft via de derdenrekening van [A] juristen, ten behoeve van welke rekening hij gemachtigd was, de gelden van respectievelijk [B] en [C] ontvangen met een bepaald doel, namelijk om deze gelden aan te wenden ten behoeve van de afwikkeling van de letselschade van [aangever 1] en [aangever 2] en beide klanten het hen toekomende bedrag te betalen. Het hof leidt uit het verhandelde ter terechtzitting af dat de gelden grotendeels zijn aangewend voor andere doeleinden. Zo worden de ontvangen voorschotten van respectievelijk [B] en [C] deels in diverse transacties overgeboekt naar een rekening op naam van de verdachte (- [002] ). Over deze rekening verklaart de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat dit een rekening was die in beheer was bij [aangever 5] . Het hof ziet geen bevestiging in het dossier voor deze stelling. Het hof stelt vast dat het de verdachte was die de afschriften van deze rekening op zijn huisadres ontving, en dat hij derhalve op zijn minst genomen moet hebben geweten wat zich op deze rekening afspeelde.
Op de rekeningafschriften van de derdengeldenrekening is te zien dat er van de ontvangen voorschotten ook diverse consumptieve uitgaven worden gedaan, zoals de aanschaf van concertgebouwkaarten, het betalen van telefoonkosten en het doen van kledingaankopen, evenals overboekingen naar bijvoorbeeld [D] , de eenmanszaak van de verdachte. Naar het oordeel van het hof duiden – in ieder geval enkele van – deze overboekingen van de ontvangen voorschotten van [B] en [C] erop, dat deze ten gunste zijn gekomen van de verdachte. Ook voor zover deze transacties niet ten gunste van de verdachte zijn gekomen, geldt overigens dat hij in ieder geval die rekening beheerde en dat het niet anders kan dan dat hij moet hebben geweten dat dergelijke transacties plaatsvonden. Daar komt bij dat die consumptieve uitgaven volledig in strijd zijn met de strikte regels die gelden voor het beheer van een derdengeldrekening, waarbij immers uitgangspunt is dat bedragen die op een dergelijke rekening worden gestort, niet mogen worden vermengd met het eigen vermogen van de beheerder van die rekening.
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat met de ontvangen voorschotten ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] , naast de hiervoor genoemde transacties, ook meermaals tekorten op de derdengeldenrekening zijn gedekt. [16] Gelet op het. voorgaande kan worden geconcludeerd dat door deze transacties en door het met de voorschotten aanvullen van tekorten op de rekening, teruggave van de gelden aan [aangever 1] en [aangever 2] onmogelijk werd, gemaakt, dan wel aanmerkelijk werd bemoeilijkt.
Het hof concludeert, gelet op het voorgaande, dat er sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van diverse van [B] en [C] ontvangen geldbedragen, die ten gunste moesten komen van [aangever 1] en [aangever 2] .
(…)
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de. bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.’
9. Naar aanleiding van de overweging in het bestreden arrest waarin over een aanvulling op het bestreden arrest wordt gesproken, is op 1 november 2022 om toezending van de aanvulling verzocht. Een griffier heeft daar op 2 november 2022 als volgt schriftelijk op gereageerd:
‘Naar aanleiding van uw brief van 1 november 2022 met bovengenoemd kenmerk bericht ik u dat het door u opgevraagde stuk, zijnde de aanvulling op het verkort arrest d.d.29 april 2022, houdende door het hof gebruikte bewijsmiddelen, ontbreekt. De reden hiervan is gelegen in de omstandigheid dat de bewijsmiddelen zich in de voetnoten van het arrest bevinden en de passage van de bewijsmiddelenbijlage per abuis in het arrest is blijven staan. Derhalve kan dit stuk niet worden aangeleverd.’
10. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 18 maart 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U houdt mij voor dat de Hoge Raad de strafzaak en ontnemingszaak heeft terugverwezen naar het hof. U houdt mij voor dat mijn standpunt is dat ik vanaf 2006 zelf geen handelingen heb verricht op de derdengeldenregeling, dat [aangever 5] dit gedaan moet hebben en voor zover de betalingen aan partijen niet zijn gedaan dan heeft dat te maken met het feit dat de gelden verrekend zijn met honorarium en kosten. Dat klopt, ik sta daar nog volledig achter. Halverwege 2006 heb ik de dossiers overgedragen. Het gesprek op 4 mei 2011 over de zaak [aangever 1] heb ik nog wel gevoerd. [aangever 5] en [aangever 3] zijn al eerder in contact geweest met verzekeraars. Zij hebben de zaak afgewikkeld, daar ben ik niet betrokken bij geweest. Ik heb de schade feitelijk afgewikkeld met het gevoerde gesprek over het bepalen van de schade. De schade betrof € 260.000,-. Er is een verschil ontstaan van € 40.000,-. Deze zaak is afgewikkeld en alles is keurig gefactureerd. Na 2007 is er door mij niets meer gefactureerd. Er is een klap op gegeven en uiteindelijk is er aan [aangever 1] betaald. De schade is afgewikkeld door twee ondeskundige mensen. Ik heb geen aktes opgemaakt. De verzekeraar heeft als gevolg van deze ondeskundigheid de € 40.000,- die ze hadden moeten betalen niet betaald. Zo is het verschil ontstaan.
U houdt mij voor dat u heeft gezien dat tot 2007 is gefactureerd voor werkzaamheden en u vraagt mij of die facturen toen direct zijn betaald. Nee, die zijn niet betaald. De verzekeraars stoppen na de 1e of 2e declaratie met betalen. Hierdoor ben je genoodzaakt afspraken te maken om een deel van de schade-uitkering met het honorarium te verrekenen. U houdt mij voor dat er geen overeenkomst is gemaakt. Het is opvallend dat [aangever 1] niet in verweer komt maar zijn zwager [aangever 3] . Hij wil mij in de wielen rijden. Waar het op neer komt is dat je met de klant afspreekt dat je mag verrekenen en aan het einde van de rit komt het altijd goed.
U vraagt mij of de facturen na 2007 niet verzonden waren. Ik heb die zaken niet behandeld. Het enige wat ik misschien nog gedaan kan hebben is een begeleidend gesprek gevoerd met [aangever 1] . Er zijn door mij geen facturen meer opgemaakt. Ik maakte een urendeclaratie en die gaf ik vervolgens aan [aangever 5] . Vanaf het laatste kwartaal van 2006 heeft [aangever 5] het op zich genomen.
De oudste raadsheer houdt mij voor dat op de derdengeldenrekening opmerkelijke dingen gebeurden. Dat ben ik met u eens. De oudste raadsheer houdt mij voor dat op de derdengeldenrekening in december 2009 een honorarium van € 865,- wordt overgeboekt, naar mijn rekening. Ik weet niet waarvoor dat is. Mijn declaraties legde ik bij [aangever 5] neer en zo kreeg ik een bedrag binnen. Het gebeurde vaker dat vanaf de derdengeldenrekening een betaling werd gedaan naar een rekening van de maten. U houdt mij voor dat het bedrag was overgeboekt naar mijn privérekening eindigend op - [002] . Dat is niet mijn privérekening. Toen [aangever 5] mijn taak overnam wilde hij een bankpas. Ik had nog een rekening waar ik niets mee deed. Alles wat op de rekening eindigend op - [002] gebeurde in die periode komt voor rekening van [aangever 5] . Ik heb geen enkele boeking meer op die rekening gedaan.
U houdt mij voor dat de omschrijving van deze overboeking 'honorarium/onkosten' was. Ik heb die overboeking niet gedaan. [aangever 5] betaalde mij 80 tot 90% van de keren contant uit. U vraagt mij hoe de overige 10 tot 20% van de betalingen zijn verricht. Ik heb een hoop declaraties niet betaald gekregen. Mijn privérekening betrof een Rabobankrekening eindigend op - [001] . Ik weet het niet meer precies allemaal, het is alweer 10 jaar geleden. U vraagt mij of ik de keren dat ik niet contant kreeg uitbetaald werd uitbetaald op die rekening. Ik heb mij niet zo bezig gehouden met mijn inkomen. Mijn vrouw had namelijk een inkomen en ik wilde de zaak laten groeien. Wat ik u kan zeggen is het rekeningbeeld dat u ziet is gecreëerd door [aangever 5] .
U vraagt naar welke rekening de overige 20% van de door mij gedane declaraties werden uitbetaald. Naar de rekening eindigend op - [001] .
De oudste raadsheer houdt mij voor dat mijn standpunt is dat dat de zakelijke rekening op mijn naam feitelijk in gebruik was bij [aangever 5] . Bij de maatschap, waarvan [aangever 5] alle administratie deed. De oudste raadsheer houdt mij voor dat de rekeningafschriften van deze rekening aan mij geadresseerd waren (p. 891). Dat zal dan zo wezen, dan nam ik de afschriften mee en gooide deze op het bureau van [aangever 5] . Ik controleerde deze niet, we vertrouwen elkaar immers blind.
De jongste raadsheer vraagt mij waarom ik een eindgesprek voerde als ik vanaf 2007 geen bemoeienis meer met de zaak had. Omdat [aangever 5] zo'n gesprek niet kan voeren. [aangever 5] en [aangever 3] hebben mij gevraagd om het gesprek te voeren.
De oudste raadsheer vraagt mij naar mijn telefoonnummer en provider in de periode 2009-2010. Dat is het [telefoonnummer] bij Vodafone. De oudste raadsheer houdt mij voor dat op de rekeningafschriften, waarvan ik zojuist heb verklaard dat deze rekening in gebruik was bij de maatschap, afschrijvingen ten behoeve van deze telefoon te zien is. Dat klopt, die werd door de maatschap betaald. Ik heb dat telefoonnummer tot 2019 gehad.
Ik heb 1 à 2 keer, hooguit 3 keer na 2007 bij een gesprek gezeten. U houdt mij voor dat mijn telefoonabonnement werd doorbetaald door de maatschap terwijl ik geen betrokkenheid in de maatschap meer had. Ik deed inderdaad niets meer met de letselschadezaken, maar ik deed meer dan dat. Bij het aangaan van de maatschap betroffen de letselschadezaken het grootste deel van mijn werk. Tegen 2007 betrof dat misschien nog 30% van mijn werk. Ik werkte wel op kantoor.
De advocaat-generaal houdt mij voor dat ik verklaar na 2006 geen bemoeienis met de rekening die gekoppeld was aan mijn eenmanszaak heb gehad. Feitelijk niet. Op een gegeven moment kreeg ik bijna niet betaald en als ik al betaald werd dan was dit contant. In 2010-2011 ben ik op vakantie geweest en ik had geen zin om met een berg contact geld rond te lopen. Ik heb de pas terug gevraagd. Op die manier heb ik geld opgenomen van de rekening in de periode dat ik in Frankrijk was.
De advocaat-generaal houdt mij voor dat uit het dossier blijkt dat ik van wielersport houd en dat er in 2008 een betaling is gedaan aan [betrokkene 4] (p. 887). [aangever 5] hield ook van fietsen. De advocaat-generaal houdt mij voor dat er veel betalingen zijn verricht in [plaats] . Daar woonde [aangever 5] ook.. oh nee in [plaats] , maar hij kwam wel twee keer per week bij mij eten. In maart 2011 is [aangever 5] naar [plaats] verhuisd.
In 2006 zijn er wielerspullen ingekocht en zijn er wat uitgaande facturen op naam van de eenmanszaak opgemaakt, zowel voor mij als voor [aangever 5] . Dat verliep via de rekening eindigend op [002] . U vraagt mij of dit soort transacties ook van de derdengeldenrekening werden gedaan. Dat weet ik niet. U vraagt mij of ik het normaal vind dat men van de derdengeldenrekening ook andere betalingen doet dan waarvoor deze rekening is bestemd. Nee, behalve honorariumbetalingen.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.’
11. De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:

Verhoudingen binnen [A] , betrokkenheid [verdachte] bij afwikkeling schadedossiers en verrekening facturen bij afwikkeling schadeadfwikkeling
(…)
10. De verklaringen afgelegd ten overstaan van de rechter commissaris door meerdere getuigen geven steun aan de verklaring van [verdachte] (o.a, getuigen [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] ). Getuige [betrokkene 8] heeft eveneens verklaard bij de Rechter-commissaris (RC) over de aankopen door [aangever 5] waarbij betaald is door [aangever 5] vanaf bankrekening [003] , zijnde een rekening op naam gesteld van [verdachte] , maar feitelijk in gebruik bij [A] Juristen en aldus ook bij [aangever 5] .
(…)
Bankrekening [003]
23. Uit het strafdossier lijkt te volgen dat de rekening met bankrekeningnummer [003] (- [002] ) van betekenis is bij het ten laste gelegde. Deze bankrekening is weliswaar op naam van [verdachte] gesteld, maar was al geruime tijd in gebruik bij [A] . [verdachte] geeft aan dat [aangever 5] na verloop van tijd (medio 2006) wilde beschikken over een bankrekening waarbij hij (in relatie tot de maatschap) al dan niet via een bankpas bestedingen konden doen. Hierbij is de bestaande rekening - [002] in beeld gekomen die door [verdachte] nauwelijks werd gebruikt. Via de rekening werden bijvoorbeeld zakelijke kosten voldaan (zie overgelegde stukken), alsook gerelateerde uitgaven. Als productie heeft [verdachte] aankoopbewijzen en betaalbewijzen van deze rekening aangeleverd, waaruit blijkt dat [aangever 5] met een betaalpas behorende bij deze zakelijke rekening eindigend op - [002] uitgaven heeft gedaan. Deze uitgaven door (en ten behoeve van) [aangever 5] zijn overigens gedaan medio 2009, dus in de ten laste gelegde periode.
24. De rekening - [002] was (in de ten laste gelede periode) in gebruik bij de maatschap. En in tegenstelling tot wat [aangever 5] hierover zegt, beschikte hij wel degelijk over inlogcodes, pincodes en dergelijke. Dat volgt in ieder geval uit de aankopen die als productie 8 van de brief van de raadsman d.d. 4 april 2014 zijn bijgevoegd. De bankpas bij de bankrekening lag in een bureaulade op kantoor en de intentie van [verdachte] was om de rekening op naam van de maatschap over te zetten. Helaas is dat er niet van gekomen. Dat neemt echter niet weg dat de rekening in gebruik was van de maatschap. En dat zowel [aangever 5] , als cliënt bevoegd waren daarvan bestedingen te doen. Gelden die op die rekening zijn overgeboekt en/of zijn besteed zijn met name aan [A] en mogelijk ook aan [aangever 5] en [verdachte] afzonderlijk ten goede gekomen (zie o.a. RC getuige [betrokkene 8] ; en nogmaals zo er vraagtekens worden gezet bij de juistheid van de verklaringen van getuige [betrokkene 8] dan dient deze maar ter zitting te worden gehoord).
Wederrechtelijk toe-eigenen door [verdachte] ?
25. Er is sprake van toe-eigening indien de betrokkene zich als heer en meester over het goed is gaan gedragen. De gedraging is de uitvoering van het voornemen (wilsbesluit) daartoe. [verdachte] heeft de diverse geldbedragen nooit willen overboeken en deze ook niet overgeboekt. Het is dan ook onjuist dat [verdachte] zich als heer en meester over de gelden heeft willen gedragen en ook daadwerkelijk is gaan gedragen. [verdachte] is ook niet bij uitsluiting de begunstigde en/of bevoegd geweest ten aanzien de maatschap rekeningen (- [004] en - [002] ) en derdenrekening. Mogelijk dat [verdachte] onvoldoende oplettend is geweest als het gaat om de geldbedragen die van de derdengeldenrekening op rekening - [002] werd overgeboekt dan wel anderszins werd besteed. Het kan echter niet zo zijn dat hieruit voorwaardelijk opzet op een ernstig misdrijf als verduistering wordt afgeleid. Daarvoor is meer vereist. En dat ontbreekt. [verdachte] is wellicht onvoorzichtig of onoplettend geweest, had er meer boven op moeten zitten en [aangever 5] (ondanks de taakverdeling) meer moeten controleren. Dit kan [verdachte] verweten worden, maar dat levert nog geen strafrechtelijk verwijt op (…). [verdachte] ontkent zodanig onverantwoord, onvoorzichtig of verwijtbaar te hebben gehandeld dat dit voorwaardelijk opzet op verduistering oplevert.
(…)
Zaak [aangever 2]
27. Op 19 mei 1998 is tussen [aangever 2] en [A] een overeenkomst van opdracht gesloten, waarbij partijen een zogenoemd verrekenings-beding zijn overeengekomen. Dit komt er op neer dat [A] gerechtigd is schadepenningen en voorschotbetalingen ten behoeve van [aangever 2] op haar derdengeldenrekening te ontvangen, dat [A] gemaakte kosten rechtstreeks bij de verzekeraar mag verhalen en dat indien de verzekeraar een (pro-forma)declaratie ter zake kosten niet binnen twee maanden na dagtekening aan [A] voldoet, [A] gerechtigd is de openstaande kosten met de te ontvangen schade-uitkering te verrekenen. Met kosten van [A] wordt gedoeld op het uurloon van de behandelaar, verschotten, kosten van medisch advies, kosten van arbeidskundig advies, reiskosten en kantoorkosten.
28. In het dossier [aangever 2] heeft [A] in een tijdsbestek van meer dan twaalf jaar (!) uiteenlopende werkzaamheden verricht. De inspanningen van [A] hebben geresulteerd in de betaling van voorschotbedragen op de derdengeldenrekening van [A] in de periode april 2000 tot en met september 2011. Dit volgt uit een overzicht afkomstig van de verzekeraar (pag. 96). Zie voorts ook overzichtsblad [aangever 2] / [C] prod. 1 behorende bij brief van mr Kaarls aan hof d.d. 11 november 2019.
29. Van de ontvangen gelden wordt [verdachte] verweten dat hij (in de periode 1 mei 2009 tot en met 13 december 2011) één of meer geldbedragen wederrechtelijk zich zou hebben toegeëigend. Vooralsnog is er onduidelijkheid over de omvang van het aan [A] uitbetaalde bedrag. Vast staat dat in ten laste gelegde periode door [A] EUR 60.000,= aan voorschotbetalingen in het dossier [aangever 2] is ontvangen (pag. 97 t/m 99). Daaraan voorafgaand zijn ook bedragen ontvangen en uitgekeerd (zie pag. 99).
30. Heeft [verdachte] in bedoelde periode een bedrag van EUR 37.500,= (of een deel daarvan) wederrechtelijk zich toegeëigend? Uit de jurisprudentie volgt dat sprake kan zijn van wederrechtelijke toe-eigening indien gelden van een ander met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel worden overgemaakt, en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in voor andere doeleinden heeft aangewend (HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620).
31. De rechtbank heeft geoordeeld dat [verdachte] voorschotbetalingen tegen de afspraken niet heeft doorbetaald aan [aangever 2] en aldus kennelijke geheel of gedeeltelijk voor andere doeleinden heeft aangewend. Dit is onjuist. Op grond van de overeenkomst tussen [aangever 2] en [A] was [A] gehouden voorschotten ofwel aan [aangever 2] te doen toekomen, dan wel deze te verrekenen met door [A] gemaakte kosten. [verdachte] stelt zich op het standpunt dat dit ook is gebeurd. Blijkens het dossier heeft [aangever 2] in bedoelde periode betalingen ontvangen tot een bedrag van EUR 23.000,=. Hoewel de verklaring van [aangever 2] een ander beeld lijkt te schetsen, is de verklaring van [aangever 2] op meerdere cruciale punten aantoonbaar onjuist. Zo verklaart [aangever 2] onder meer dat hij in 2009 een bedrag van EUR 2.000,= heeft ontvangen, en niet meer dan dat (pag. 540). Uit het door [verdachte] als productie 1 bij brief van 4 april 2014 aangeleverd bankafschrift en de verklaring van [aangever 2] zelf over zijn bankrekeningnummer (pag. 541) volgt echter dat [aangever 2] op 22 mei 2009 nog een bedrag van EUR 7.500,= heeft ontvangen. Dit is aanzienlijk meer dan EUR 2.000,=. Daar komt bij dat [aangever 2] betwist één of meer contante betalingen zoals vermeld op pag. 152-154 te hebben ontvangen (in totaal EUR 15.500,=). Deze betalingen hebben wel plaatsgevonden. En uit de door [verdachte] als productie 3 bij de brief van de raadsman d.d. 4 april 2014 verstrekte mailwisseling volgt ook dat [aangever 2] wel degelijk contante betalingen wenste te ontvangen en ook heeft ontvangen. Van de ontvangen betalingen is EUR 23.000,= daadwerkelijk aan [aangever 2] doorbetaald. Deze e-mailcorrespondentie met [aangever 2] is afkomstig van de back-up harde schijf (back-up HDD) van [A] Juristen, welke nog aanwezig was in de oude server van [A] Juristen. Een kopie van deze bestanden moet aanwezig zijn op de taperobot (zie e-mail [verdachte] nov. 17). Politie en OM hebben ondanks een uitdrukkelijk en herhaald aanbod van [verdachte] om deze tape-robot te doen onderzoeken zulks om hen moverende redenen geweigerd onderzoek te doen verrichten (kennelijk alleen omdat het te veel werk zou zijn). [verdachte] betwist met klem dat eerder overgelegde kwitanties vals zouden zijn. [verdachte] draagt geen kennis van valsheid van de kwitanties. Het is [aangever 5] die in ieder geval vanaf juli 2006, na het fietsongeluk van [verdachte] , de financiën in belangrijke mate voor zijn rekening nam en dus ook de contante betalingen aan [aangever 2] voorbereidde, het opstellen van de kwitanties inbegrepen. Waar het openbaar ministerie het standpunt mocht innemen dat hier aan de orde zijnde kwitanties niet echt zijn, en deze aan een strafrechtelijke veroordeling ten grondslag wenst te leggen, zal wettig en overtuigend bewezen moeten worden geacht dat deze vals zijn. Daarvoor is meer nodig dan alleen de blote stelling van de ontvanger dat het geld niet zou zijn ontvangen, te meer daar wel vaker contante betalingen werden gedaan. Contante betalingen werden niet alleen verricht door [verdachte] , maar ook door [aangever 5] , zoals eenduidig naar voren is gekomen bij de ten overstaan van de rechter-commissaris gehoorde getuigen. Bovendien is niet gebleken dat de kwitanties in de andere kwestie, de zaak [aangever 1] vals zijn, waarover zo meer.
32. Uit de overzichten van de betalingen en opnamen vermeldt op de bankafschriften op pag. 97, 98 en 99 volgt niet dat er gelden van [aangever 2] zouden zijn verduisterd. De in het dossier opgenomen pagina's van bankafschriften betreffen momentopnamen (op een volgend bankafschrift kan blijken van meer dan voldoende saldo). Niet blijkt uit het totaal van bedoelde bankrekeningen dat aan [aangever 2] toekomende gelden niet aan hem betaald konden worden of niet betaald zouden zijn. Niet blijkt dat het [verdachte] is geweest die verantwoordelijk was voor alle betalingen en/of opnamen.
33. Met de jaren heeft [A] ook behoorlijk wat kosten gemaakt. Het niet meer dan reëel dat dit (tenminste) EUR 45.000,= minus EUR 23.000,= maakt EUR 22.000,= betreft. Helaas beschikt [verdachte] (door toedoen van [aangever 5] ) niet over het dossier, kopie- (pro forma-)declaraties en/of andere bescheiden (op enkele stukken na) waarmee hij dit exact kan berekenen en zijn verweer nader kan onderbouwen. [verdachte] beschikte ter illustratie nog wel over een kopie van het rapport berekening verlies verdiencapaciteit. Gezien de vele jaren dat [A] aan het dossier [aangever 2] heeft gewerkt, is een fors bedrag aan verschotten/buitengerechtelijke kosten in die orde van grootte echter niet onredelijk of opmerkelijk. Door [verdachte] is overgelegd als productie 1 en 2 behorende bij brief van de raadsman d.d. 11 november 2019 een overzicht van ontvangen en verrekende gelden. Het overzicht maakt duidelijk dat de door [A] Juristen verrekende bedragen, zeker gezien de zeer lange duur van de afhandeling van deze letselschadezaak 1998-2012/2013, reëel en passend zijn.
34. Op grond van de overeenkomst (zie derde alinea van boven van de opdrachtbevestiging) is [A] gerechtigd deze kosten in rekening te brengen (voor zover deze niet door de verzekeraar vergoed werden). In dit verband wijst [verdachte] nog op productie 2 brief raadsman d.d. 4 april 2014 waarin de in het dossier [aangever 2] gemaakte buitengerechtelijke kosten tot 31 juli 2007 (notabene door [aangever 5] ) zijn berekend op EUR 36.000,=.
35. Bovendien was de opdracht nog niet geëindigd, zodat er nog geen eindbalans van door [A] gemaakte en verrekende kosten was opgemaakt. Deze eindbalans kan namelijk pas bij het einde van de opdracht worden opgemaakt. Een eventueel negatief verschil tussen door [A] ontvangen voorschotten en door [A] gemaakte kosten zou – mogelijk - wanprestatie opleveren van de zijde van [A] . Ofwel een civielrechtelijk geschil tussen [A] en [aangever 2] , waarbij [aangever 2] nakoming (lees: betaling) kan vorderen. Wat daar verder ook van zij; de door [A] gemaakte kosten (alleen al tot 31 juli 2007 circa EUR 36.000,=) mochten ofwel tussentijds, maar in ieder geval aan het eind van de opdracht bij [aangever 2] in rekening worden gebracht (verrekend).
Zaak [aangever 1]
(…)
41. Terug naar de afspraken met [aangever 1] . Op 16 augustus 2004 is tussen [aangever 1] en [A] een overeenkomst van opdracht gesloten. Op deze overeenkomst, welke onbetwist is (RC verklaring [aangever 1] punt 8), is ook een verrekening-beding van toepassing (pag. 146/147).
En ook ten aanzien van dit dossier stelt [verdachte] zich op het standpunt dat hij conform de onderliggende overeenkomst heeft gehandeld. Bij verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris verklaart [aangever 1] ook de overeenkomst van c.q. machtiging tot verrekening van uitgekeerde schadebedragen te hebben ondertekend (pag. 146; RC punt 8). [aangever 1] sluit niet uit de overeenkomst / opdrachtbevestiging met [A] pag. 147 te hebben getekend (RC punt 9). Opmerkelijk genoeg stelt [aangever 1] wel niet de vaststellingovereenkomst te hebben getekend op p. 181 en wel die op p. 180. (schadebedrag en slotuitkering zijn in beide stukken wel gelijk). Onduidelijk is hoe en waarom [aangever 1] tot deze stelling komt. Een toelichting door hem met enig detail ontbreekt.
42. In de ten laste gelegde periode (van 21 oktober 2008 tot en met 18 juni 2011) heeft de verzekeraar een bedrag van EUR 37.500,= uitgekeerd op de derdengeldenrekening van [A] (totaal door [A] Juristen ontvangen inzake [aangever 1] EUR 39.768,90; zie o.a. overzicht prod. 3 en 4. Brief raadsman 11 november 2019). Vast staat dat van het door [A] ontvangen bedrag EUR 15.000,= aan [aangever 1] is doorbetaald. Dit volgt uit de verklaring van de zwager van [aangever 1] , de getuige [aangever 3] , inhoudende dat er EUR 5.000,= is ontvangen (pag. 177) en EUR 10.000,= aan contante betalingen in 2011 waarvoor getekende bewijzen van ontvangst zijn opgemaakt (pag. 148) waarover zo meer. [verdachte] merkt op dat hij gebrek aan wetenschap betwist dat deze kwitanties vals zouden zijn.
43. Op verzoek van de Officier van Justitie is onder andere getuige [betrokkene 3] gehoord. Zij verklaart wel degelijk de fax betreffende de opdrachtbevestiging en de machtiging tot verrekening van uitgekeerde schadebedragen (pag. 145-147) verzonden te kunnen hebben. Zij geeft aan daarbij aan dat het handschrift inderdaad haar handschrift kan zijn. Tevens is mogelijk haar huisfax(nummer) gebruikt. Zij verklaart in deze zaak inderdaad dit document verstuurd te kunnen hebben.
En niet blijkt dat [betrokkene 3] niet EUR 10.000,-- contant heeft ontvangen in de zaak [aangever 1] op 25 maart 2011 (p. 148). [betrokkene 3] is op 2 februari 2016 nogmaals gehoord door de RC. Getuige wordt geconfronteerd met de kwitantie (p. 148). Getuige verklaart:
"U vraagt mij of ik deze kwitantie herken. Nee. U vraagt mij of ik de handtekening of de paraaf van de ontvanger herken. Je zou zeggen dat die van mij is, maar er zit een krulletje in en er staat een punt achter. Ik denk niet dat die paraaf van mij is.”Ten eerste verklaart getuige;
je zou zeggen dat die van mij is. De RC vraagt dan ook nog aan getuige om haar paraaf te plaatsen. Getuige plaats haar paraaf en voorziet die duidelijk van een punt (zie aanhangsel getuigenverhoor 16 febr. 2016). Getuige verklaart voorts dat zij bij [A] nooit kwitanties zou hebben gezien. [verdachte] stelt dat er regelmatig werd gewerkt met kwitanties. Of de opmerking van getuige in haar geval juist is, laat zich thans niet meer onderzoeken. Bij gebrek aan de toegang tot nadere delen van de administratie verkeert [verdachte] verder in de onmogelijkheid dit nader onderbouwen.
44. Voor zover uw hof zou overwegen om te oordelen dat de paraaf op de kwitantie (pag. 148) niet zou zijn gezet door mevrouw [betrokkene 3] dan verzoekt de verdediging hierdoor, net als in de kwestie rond [betrokkene 9] , vergelijkend handschriftonderzoek te laten verrichten. In laatstgenoemde kwestie concludeert te deskundige eenvoudig gezegd dat het nagenoeg zeker is dat [betrokkene 9] de handtekening heeft gezet en niet iemand anders. De verdediging doet hier dan ook het voorwaardelijk verzoek dit handschriftonderzoek te laten verrichten.
45. Ook in de kwestie [aangever 1] geldt dat [A] krachtens overeenkomst gerechtigd is de overige voorschotbetalingen in bedoelde periode (EUR 37.500,= minus EUR 15.000,=, maakt EUR 22.500,=) te verrekenen met gemaakte kosten. Ten aanzien van het dossier [aangever 1] waarin de klant als gevolg van een frontaal aanrijding fors niet-aangeboren hersenletsel heeft opgelopen, zijn deze kosten aanzienlijk geweest. Uit de door [verdachte] aangeleverde productie 4 behorende bij de brief van de raadsman d.d. 4 april 2014 blijkt dat de in totaal gemaakte kosten aan de zijde van [A] het door de verzekeraar ter zake uitgekeerde in zeer grote mate overstijgt. Teneinde de uitkering door [B] in de zaak [aangever 1] te kunnen bereiken heeft [A] Juristen gedurende vele jaren de diverse rapporten moeten laten opstellen. Kosten zijn gemaakt voor het opvragen verslagen/rapporten door neuroloog, orthopeed, psychiater, trauma-arts, arbeidsdeskundige, revalidatiearts (zie brief raadsman 11 november 2019 en overzichten [aangever 1] ; producties 3 en 4).
46. De letselschade-zaak van [aangever 1] is op 23 mei 2011 door [aangever 3] buiten [verdachte] om afgewikkeld (zie o.a. brief [B] aan [aangever 1] p/a [aangever 3] d.d. 27 mei 2011 (pag. 202) en verklaring [betrokkene 2] pag. 226). [aangever 3] is zonder overleg in contact getreden met [B] , waarna door [B] direct een vaststellingsovereenkomst is gezonden aan [aangever 3] (pag. 202 en 203). In deze vaststellingsovereenkomst is niet opgenomen, de reeds bij [B] gedeclareerde [E] over de jaren 2000 t/m 2007. Opgenomen is door [B] onder punt 4 (pag. 203) slechts;
....Met [verdachte] is afgesproken dat een Lumpsum van € 20.000,- betaald wordt voor openstaande buitengerechtelijke kosten. Genoemd bedrag zal worden overgemaakt aan benadeelde, die voor verrekening met [verdachte] zal zorgdragen. [verdachte] stelt dat [aangever 3] deze door hem aan [aangever 1] voorgelegde vaststellingsovereenkomst nimmer had moeten laten tekenen. De vergoeding van de [E] is gevolgschade die [B] indien de bedragen reëel zijn volledig dient te compenseren. Dit is niet zo in de vaststellingsovereenkomst opgenomen en geregeld. Het "gat" in de letselschadeuitkering bij [aangever 1] is ontstaan nu [B] niet meer uitkeerde de door [A] Juristen in de periode 2000 t/m 2007 gedeclareerde [E] . Het deel van de [E] , wat sedert oktober 2008, als was verrekend met de voorschotten onder algemene titel op de schade-uitkering, ontbreekt aldus in de door [aangever 3] namens [aangever 1] overeengekomen vaststellingsovereenkomst met [B] . [verdachte] ontkent met klem betrokken te zij bij de "valse" vaststellingsovereenkomst (pag. 69). [aangever 3] heeft uiteindelijk een vaststelling-overeenkomst tot stand gebracht. Niet kan [verdachte] worden verweten gelden te hebben verduisterd onderdeel van een vaststellingsovereenkomst die niet als zodanig door [verdachte] tot stand zou zijn gebracht. En nogmaals [aangever 3] en [aangever 5] hebben in deze zelf geïntervenieerd. Zie verklaring [aangever 5] van 27 december 2011 (pag. 232):
"..Dat is rond april 2011 en dan komt [aangever 3] op bezoek. Hij verteld dat e.e.a. met de zaak van [aangever 1] afgewikkeld zou kunnen worden....en ik zag dat deze brief een vaststellingsovereenkomst bevatte....”. [aangever 5] verklaart vervolgens dat hij niet in gesprek is gegaan met [verdachte] over de afwikkeling, maar dat hij zelf als rechercheur aan de slag is gegaan. Daarbij is [aangever 5] volgens eigen zeggen in gesprek gegaan met [B] . Men is aan de slag gegaan met de afwikkeling buiten [verdachte] om en waarbij nog geen eindafrekening was overeengekomen/vastgesteld.
47. Samenvattend stelt de verdediging dat [A] ten tijde van het ingrijpen door politie en justitie noch krachtens overeenkomst (tussen [A] en aangevers), noch anderszins gehouden was [aangever 2] of [aangever 1] meer betalingen te doen dan zij heeft gedaan. Van schending van een (contractuele) verplichting van de zijde van [A] , laat staan door [verdachte] , was geen sprake. De officier van justitie heeft in eerste over de toe-eigening verwezen naar bankrekening-afschriften opgenomen in de dossier-pagina's 867, 871 en 874. Uit deze bankafschriften volgt geenszins dat aldus gelden ten behoeve van [aangever 1] zouden zijn verduisterd. Op de rekeningen worden doorlopende betalingen ontvangen en gedaan. Daar waar er het ene momenten een tekort is of een debetstand bestaat is er het andere moment voldoende geld voorhanden om de geldelijke verplichtingen te kunnen voldoen. Zie bijvoorbeeld de door de officier van justitie aangehaalde pagina 871 waarop blijkt van een bijschrijving door [B] van EUR 15.000,-- en een totaal afschrijving van EUR 22.852,68, waarna de rekening een saldo kent van EUR 58.094,08.
48. De overwegingen van de officier van justitie maken duidelijk dat het er naar uitziet dat bij [A] Juristen privébetalingen de zakelijke rekening "besmetten”; [verdachte] ontkent overigens met klem dat de diverse betalingen opnamen voor hem betreffen (zie onder andere de diverse gehoorde getuigen over de privébetalingen [aangever 5] betreffende). Niet blijkt dat deze "besmetting” met privébetalingen mag en kan [plaats] tot de conclusie dat hieruit blijkt dat betalingen door de verzekeraar zouden worden verduisterd. Ook hier geldt dat alleen het totaalplaatje beoordeeld dient te worden. Enkele los bankrekeningoverzicht zegt niets over het voor zichzelf aanwenden van gelden van [aangever 1] . Dit staat nog los van de vraag wie de gelden heeft overgemaakt en/of heeft opgenomen; [verdachte] of [aangever 5] .
49. De totaal in rekening gebrachte [E] is reëel en passend in deze zaak. Niet kan worden volstaan met het alleen kijken naar de ten laste gelegde periode. Een beoordeling over de reële en passende geldelijke vergoeding aan [A] Juristen, zulks op basis van overeenkomst met [aangever 1] en zo ook met [aangever 2] , kan slechts worden gedaan wanneer alle werkzaamheden, alle door [A] Juristen betaalde verschotten/kosten, alle in de letselschade-zaken aanwezige omstandigheden, van het begin tot het einde, in ogenschouw worden genomen.’

Bespreking van het eerste middel

12. Het eerste middel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, in strijd met art. 345, eerste lid, Sv, niet gesloten is verklaard, dat het hof in strijd met art. 345, eerste en tweede lid, Sv eerder uitspraak heeft gedaan dan die uitspraak volgens de bepaling van het hof en de mededeling van de voorzitter zou plaatsvinden dan wel dat het hof op twee verschillende data uitspraak heeft gedaan, en dat het hof in strijd met art. 345, derde en vierde lid, Sv later dan op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek uitspraak heeft gedaan, zonder de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw te onderzoeken.
12. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 18 maart 2022, houdt onder meer het volgende in:
‘Rolnummers: 22-001646-21 en 22-001647-21 (PO)
Parketnummer: 09-715696-12
(…)

Proces-verbaal

van de op 18 maart 2022 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof.
Tegenwoordig zijn:
mr. H.C. Plugge, voorzitter,
mr. F.P. Geelhoed en mr. A.M. Hol, leden,
en mr. L. Knoop, griffier.
Voorts is aanwezig mr. S.M.A.F. Tielens, advocaat-generaal.
(…)
De verdachte/betrokkene antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [plaats] ,
wonende te [a-straat 1] te [geboorteplaats] .
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R.A. Kaarls, advocaat te 's-Gravenhage.
(…)
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken:
(…)
De voorzitter verklaart het onderzoek in de ontnemingszaak gesloten en deelt mede dat op 15 april het onderzoek in de strafzaak wordt gesloten en dat in beide zaken uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2022 te 09.00 uur.’
14. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 15 april 2022, houdt onder meer het volgende in:
‘Rolnummer: 22-001646-21
Parketnummer: 09-715696-12
(…)

Proces-verbaal

van de op 15 april 2022 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof.
Tegenwoordig zijn:
mr. H.C. Plugge, voorzitter,
en mr. L. Knoop, griffier.
Voorts is aanwezig mr. S.M.A.F. Tielens, advocaat-generaal.
De voorzitter doet uitroepen dat uitspraak wordt gedaan in de zaak tegen de verdachte, genaamd:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [plaats] ,
wonende te [a-straat 1] te [geboorteplaats] .
De verdachte noch zijn raadsman is ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit.
Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffier vastgesteld en ondertekend
[
BFK: twee handtekeningen]’
15. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 29 april 2022, houdt onder meer het volgende in:
‘Rolnummers: 22-001646-21 en 22-001647-21 (PO)
(…)

Proces-verbaal

van de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2022.
Tegenwoordig zijn:
mr. F.W. van Lottum, voorzitter
mr. G. Knobbout en mr. V.M. de Winkel, leden
en mr. M. Rouw, griffier.
Voorts is aanwezig mr. L.L. van Delft, advocaat-generaal.
De voorzitter doet uitroepen dat uitspraak wordt gedaan in de zaak tegen de verdachte, genaamd:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [plaats] ,
wonende te [a-straat 1] te [geboorteplaats] .
De verdachte noch zijn raadsman is ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit.’
16. Art. 345 Sv Pro, in hoger beroep van toepassing op grond van art. 415, eerste lid, Sv, luidt als volgt:
‘1. Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter mondeling medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal plaats vinden.
2. Te bepaalden tijde kan de uitspraak mondeling tot een naderen dag worden uitgesteld. De uitspraak kan niet vervroegd worden, tenzij zij gedaan wordt in tegenwoordigheid van den verdachte.
3. In geen geval mag de uitspraak later plaats vinden dan op den veertienden dag na de sluiting van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van een verkort vonnis.
4. Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt de zaak op de bestaande telastelegging door hetzelfde college opnieuw onderzocht.’
17. Het arrest in de strafzaak vermeldt, zo bleek reeds, dat het op 29 april 2022 gewezen is.
17. Met de steller van het middel kan worden vastgesteld dat uit de processen-verbaal die van de terechtzittingen in hoger beroep zijn opgemaakt niet blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak is gesloten. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting gehouden op 18 maart 2022 is meegedeeld dat het onderzoek in de strafzaak op 15 april 2022 wordt gesloten en dat in beide zaken uitspraak zal worden gedaan op de openbare terechtzitting van het hof van 29 april 2022. Op 15 april 2022 is de strafzaak, zo kan uit het proces-verbaal van een terechtzitting die op die dag heeft plaatsgevonden worden opgemaakt, wel op een openbare terechtzitting aan de orde geweest. Dat proces-verbaal vermeldt evenwel niet dat het onderzoek in de strafzaak is gesloten.
17. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 april 2022 is beschikbaar gekomen naar aanleiding van een verzoek dat op 28 oktober 2022 aan het gerechtshof Den Haag is gericht. Daarin is vermeld dat de advocaat van de verdachte in de cassatieprocedure heeft opgevraagd ‘het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 april 2022, alwaar het onderzoek ter terechtzitting is gesloten’. Nu dit verzoek aan het hof is gericht en daarop het onderhavige proces-verbaal is binnengekomen, ga ik ervanuit dat er geen proces-verbaal van een terechtzitting op de betreffende dag is waaruit blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten.
17. De aandacht verdient dat in het voorstel van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (na een eerder andersluidend voorstel) wordt vastgehouden aan de regel dat de rechtbank uiterlijk twee weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak doet (voorgesteld art. 4.2.66). [17] In de memorie van toelichting wordt verwezen naar de praktijk, waarin ‘nadat de inhoudelijke behandeling in beginsel is afgerond en de verdachte in de gelegenheid is gesteld het laatste woord te spreken, het onderzoek (wordt) geschorst en eerst op een nadere terechtzitting gesloten, waarna de termijn van twee weken voor het doen van uitspraak aanvangt’. Daarbij wordt verwezen naar twee arresten van Uw Raad. [18] Wel wordt mogelijk gemaakt dat de sluiting door één van de leden van de meervoudige kamer wordt gedaan (voorgesteld art. 4.2.60).
21. Belangen van de verdachte zijn door het achterwege laten van de op 18 maart 2022 in het vooruitzicht gestelde sluiting op 15 april 2022 (meen ik) niet direct geschaad. De verdachte en de raadsman waren ervan op de hoogte dat het arrest in de ontnemingszaak en in de strafzaak op 29 april 2022 zou worden uitgesproken, en dat is ook gebeurd. Dat, bij het ontbreken van belang, aan het ontbreken van een proces-verbaal niet altijd consequenties behoeven te worden verbonden, kan worden afgeleid uit (de conclusie van A-G Paridaens die voorafging aan) een arrest van 26 maart 2024. [19] In die zaak werd onder meer geklaagd dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juni 2021 ontbrak. A-G Paridaens gaf aan dat een proces-verbaal van bevindingen van de voorzitter van het hof van 12 januari 2023 inhoudt ‘dat het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 juni 2021 (waar het onderzoek in de zaak is gesloten) niet (meer) beschikbaar is’ en ‘dat de sluiting van het onderzoek op 11 juni 2021 om 13:30 uur (…) reeds op 3 juni 2021 per e-mailbericht aan de raadslieden en de advocaat-generaal bekend (is) gemaakt’. A-G Paridaens vermeldt dat de mededeling dat op 11 juni 2021 het onderzoek is gesloten ‘wordt ondersteund door de omstandigheid dat het hof op 25 juni 2021 een tussenarrest heeft gewezen en de sluiting van het onderzoek op 11 juni 2021 al is aangekondigd in het proces-verbaal van de laatste zitting vóór 11 juni 2021, te weten de zitting van 2 juni 2021’. Nu buiten twijfel staat dat dit ontbrekend proces-verbaal inhoudelijk niet van belang kan zijn voor de uitkomst van de zaak ‘moet worden aangenomen dat de verdachte geen belang bij cassatie heeft’. Uw Raad deed de zaak af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
22. Er zijn evenwel een aantal verschillen tussen die zaak en de onderhavige. Het ontbrekende proces-verbaal betrof in die zaak de zitting die (uiteindelijk) voorafging aan een tussenarrest; na dat tussenarrest is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep voortgezet. In het onderhavige geval gaat het om het proces-verbaal van de zitting die voorafging aan het wijzen van het eindarrest. [20] Daar komt bij dat de situatie waarin een proces-verbaal ontbreekt, naar het mij voorkomt niet zonder meer gelijk kan worden gesteld aan de situatie waarin naar aanleiding van een verzoek van de Hoge Raad een proces-verbaal beschikbaar is gekomen waaruit kan worden afgeleid dat het onderzoek ter terechtzitting op 15 april 2022 niet is gesloten. Ik merk daarbij op dat uit een arrest van Uw Raad van 19 november 2019 kan worden afgeleid dat het niet naleven van de regel van art. 345, derde lid, Sv los van belangen van partijen cassatie rechtvaardigt. [21]
23. Dat brengt mee dat het middel slaagt.

Bespreking van het tweede middel

24. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van beide feiten niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Zij zou berusten op feiten en omstandigheden die redengevend zijn maar die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, terwijl het hof ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven aan welke bewijsmiddelen het die feiten en omstandigheden heeft ontleend. Voorts zou de bewijsvoering niet alle onderdelen van de bewezenverklaarde feiten ondersteunen en – mede gelet op het gevoerde verweer – niet de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte zich opzettelijk de bewezenverklaarde geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend.
24. Het hof heeft in de onderhavige zaak gebruik gemaakt van de zogenaamde Promis-methode. De feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en de daaraan verbonden gevolgtrekkingen zijn weergegeven in bewijsoverwegingen; daarbij wordt verwezen naar wettige bewijsmiddelen. Uw Raad heeft eerder aangegeven aan welke voorwaarden een dergelijke bewijsmotivering moet voldoen. [22] De redengevend geachte inhoud van een bewijsmiddel mag geen geweld worden aangedaan. De redengevende feiten en omstandigheden moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen die de rechter daaraan verbindt. Waar met een gevolgtrekking wordt volstaan zonder dat de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden worden opgenomen, is aan het wettelijk motiveringsvereiste (van art. 359, derde lid, Sv) niet voldaan. En de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend, moet zo nauwkeurig zijn ‘dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd’.
26. De steller van het middel wijst in verband met de klacht dat de bewezenverklaring steunt op feiten en omstandigheden die redengevend zijn maar niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld op twee passages in de bewijsoverwegingen van het hof.
26. De eerste passage, opgenomen onder het kopje ‘Verrekening kosten’ betreft de volgende:
‘In de afhandeling van de letselschadezaak van [aangever 1] kan het hof niet uitsluiten dat met [B] en/of [aangever 1] is overeengekomen (een bepaald bedrag aan) buitengerechtelijke kosten te kunnen verrekenen. Echter, de (mogelijke) omvang van het uiteindelijk vastgestelde bedrag waarvoor dit zou gelden, ligt in elk geval aanzienlijk lager dan de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen.’
28. Met de steller van het middel kan worden vastgesteld dat uit deze overweging, waar geen voetnoot bij is geplaatst, niet duidelijk wordt waar het hof aan heeft ontleend dat mogelijk met [B] en/of [aangever 1] een dergelijke overeenkomst gesloten is. Het mogelijk bestaan van een dergelijke overeenkomst laat zich evenwel ook lastig onderbouwen met een bewijsmiddel. Naar het mij voorkomt is het mogelijke bestaan van een dergelijke overeenkomst ook geen redengevend feit voor de bewezenverklaring die op de verduistering van aan [aangever 1] toebehorende bedragen ziet.
28. Anders ligt het evenwel met de gevolgtrekking dat de mogelijke omvang van het uiteindelijk vastgestelde bedrag waarvoor buitengerechtelijke kosten met [B] en/of [aangever 1] zouden mogen worden verrekend in elk geval aanzienlijk lager ligt dan de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen. Uit de bewijsoverwegingen blijkt niet op welke redengevende feiten en omstandigheden het hof deze gevolgtrekking heeft gebaseerd, uitgaand van het mogelijk bestaan van een dergelijke overeenkomst.
28. Daarmee slaagt de klacht in zoverre.
28. De tweede passage, opgenomen onder het kopje ‘Wederrechtelijke toe-eigening’ betreft de volgende:
‘De verdachte heeft via de derdenrekening van [A] juristen, ten behoeve van welke rekening hij gemachtigd was, de gelden van respectievelijk [B] en [C] ontvangen met een bepaald doel, namelijk om deze gelden aan te wenden ten behoeve van de afwikkeling van de letselschade van [aangever 1] en [aangever 2] en beide klanten het hen toekomende bedrag te betalen. Het hof leidt uit het verhandelde ter terechtzitting af dat de gelden grotendeels zijn aangewend voor andere doeleinden. Zo worden de ontvangen voorschotten van respectievelijk [B] en [C] deels in diverse transacties overgeboekt naar een rekening op naam van de verdachte (- [002] ). Over deze rekening verklaart de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat dit een rekening was die in beheer was bij [aangever 5] . Het hof ziet geen bevestiging in het dossier voor deze stelling. Het hof stelt vast dat het de verdachte was die de afschriften van deze rekening op zijn huisadres ontving, en dat hij derhalve op zijn minst genomen moet hebben geweten wat zich op deze rekening afspeelde.
Op de rekeningafschriften van de derdengeldenrekening is te zien dat er van de ontvangen voorschotten ook diverse consumptieve uitgaven worden gedaan, zoals de aanschaf van concertgebouwkaarten, het betalen van telefoonkosten en het doen van kledingaankopen, evenals overboekingen naar bijvoorbeeld [D] , de eenmanszaak van de verdachte. Naar het oordeel van het hof duiden - in ieder geval enkele van - deze overboekingen van de ontvangen voorschotten van [B] en [C] erop, dat deze ten gunste zijn gekomen van de verdachte. Ook voor zover deze transacties niet ten gunste van de verdachte zijn gekomen, geldt overigens dat hij in ieder geval die rekening beheerde en dat het niet anders kan dan dat hij moet hebben geweten dat dergelijke transacties plaatsvonden. Daar komt bij dat die consumptieve uitgaven volledig in strijd zijn met de strikte regels die gelden, voor het beheer van een derdengeldrekening, waarbij immers uitgangspunt is dat bedragen die op een dergelijke rekening worden gestort, niet mogen worden vermengd met het eigen vermogen van de beheerder van die rekening.
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat met de ontvangen voorschotten ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] , naast de hiervoor genoemde transacties, ook meermaals tekorten op de derdengeldenrekening zijn gedekt.16 Gelet op het. voorgaande kan worden geconcludeerd dat door deze transacties en door het met de voorschotten aanvullen van tekorten op de rekening, teruggave van de gelden aan [aangever 1] en [aangever 2] onmogelijk werd, gemaakt, dan wel aanmerkelijk werd bemoeilijkt.
Voetnoot 16: ‘Rekeningafschriften p. 604 t/m 608.’
32. De steller van het middel voert aan dat de in de voetnoot vermelde bankafschriften de door het hof genoemde feiten en omstandigheden niet ondersteunen. De eerste twee bankafschriften betreffen de maanden augustus en september 2007 en vallen daarmee buiten de tenlastegelegde periode; de laatste drie afschriften ‘betreffen weliswaar de tenlastegelegde periode, maar houden niet meer in dan enkele bij- en afschrijvingen op de rekening van [A] Juristen-Derdengelden’.
32. Het hof stelt in de geciteerde passage een groot aantal feiten en omstandigheden vast. Het gaat om de vaststellingen dat (1) de verdachte via de derdengeldenrekening van [A] juristen gelden van respectievelijk [B] en [C] heeft ontvangen, (2) dat hij gemachtigd was ten behoeve van deze derdengeldenrekening, (3) dat de gelden zijn ontvangen met het doel deze aan te wenden ten behoeve van de afwikkeling van de letselschade van [aangever 1] en [aangever 2] , (4) dat de gelden grotendeels zijn aangewend voor andere doeleinden en dat de ontvangen voorschotten van [B] en [C] deels in diverse transacties worden overgeboekt naar een rekening op naam van de verdachte (- [002] ), (5) dat de verdachte de afschriften van de rekening (- [002] ) op zijn huisadres ontving, (6) dat op de rekeningafschriften van de derdengeldenrekening is te zien dat er van de ontvangen voorschotten ook diverse consumptieve uitgaven worden gedaan zoals de aanschaf van concertgebouwkaarten, het betalen van telefoonkosten en het doen van kledingaankopen, evenals overboekingen naar bijvoorbeeld [D] , de eenmanszaak van de verdachte en (7) dat met de ontvangen voorschotten meermaals tekorten op de derdengeldenrekening zijn gedekt.
32. Het hof wijst bij de vaststellingen (4) en (7) op ‘het verhandelde ter terechtzitting’. Een dergelijke verwijzing voldoet naar het mij voorkomt niet aan de eis dat voldoende nauwkeurig wordt verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Ik merk in dat verband op dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2022 inhoudt dat de voorzitter de korte inhoud mededeelt van ‘de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing’. De verdachte heeft ter terechtzitting een verklaring afgelegd; die verklaring biedt voor zover ik zie evenwel geen (toereikende) onderbouwing voor de vaststellingen onder (4) en (7), ook niet voor zover deze inhoudt dat de verdachte het met de oudste raadsheer eens is ‘dat op de derdengeldenrekening opmerkelijke dingen gebeurden’ en bevestigt dat ‘op de derdengeldenrekening in december 2009 een honorarium van € 865,- wordt overgeboekt naar mijn rekening’. Het hof wijst ook slechts op de verklaring van de verdachte in verband met een verweer waar het hof geen geloof aan hecht. Ik attendeer er daarbij op dat de redengevende feiten en omstandigheden moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen, die geheel of ten dele van feitelijke aard kunnen zijn. Het hof ‘leidt’ vaststelling (4) uit het verhandelde ter terechtzitting ‘af’ en meent dat vaststelling (7) daaruit ‘volgt’. Dat maakt duidelijk dat in zoverre van gevolgtrekkingen sprake is.
32. Het hof heeft bij de genoemde feiten en omstandigheden in een voetnoot een verwijzing naar één specifiek aangeduid bewijsmiddel opgenomen. Die verwijzing betreft een aantal rekeningafschriften van girorekening 4623148 op naam van [A] Juristen-derdengelden. Uit die rekeningafschriften kan worden opgemaakt dat in de onder 2 bewezenverklaarde periode op 6 mei 2009, op 7 maart 2010 en op 16 juni 2010 telkens een bedrag van € 15.000,00 is binnengekomen van [C] Nederland, waarbij vermeld staat ‘UW REF DRO.05.98.RK’ en ‘ONS NR FL2400175’. Uit deze afschriften blijkt voorts dat binnen de bewezenverklaarde periode, op 22 mei 2009, aan [aangever 2] een ‘Voorschot op schadeuitkering’ van € 7.500,- is uitbetaald. Verder blijkt uit deze rekeningafschriften dat er afschrijvingen voor andere doelen en overboekingen naar andere rekeningen zijn. In de bewezenverklaarde periode zijn onder meer afschrijvingen te zien met de vermeldingen ‘Concertgebouw Kaartver’, ‘Vodafone Libertel BV, ‘Dressed 2 Kill’ en ‘JAROPA LEIDEN Voor [A] [D] ’. Op een rekening op naam van [A] Juristen Leiden is in de bewezenverklaarde periode blijkens deze bankafschriften in totaal € 8.817,90 overgeboekt. [23] Op een rekening van [verdachte] ( [003] ) is blijkens de afschriften in totaal € 11.000,00 overgeboekt. [24]
36. Daarmee bevatten deze bankafschriften een gedeeltelijke onderbouwing van de hiervoor onder (1), (4) en (6) weergegeven vaststellingen. Zij bevatten geen onderbouwing van de vaststelling dat op de derdenrekening gelden van [B] zijn ontvangen. [25] En zij bevatten ook geen onderbouwing van de vaststelling dat [D] een eenmanszaak van de verdachte is. Uit de bankafschriften blijkt voorts dat er in de betreffende maanden een negatief saldo was op de bankrekening; daarin kan een onderbouwing worden gezien van vaststelling (7) inhoudend dat met de ontvangen voorschotten tekorten op de derdengeldenrekening zijn gedekt. [26] De voetnoot is ook na vaststelling (7) geplaatst.
37. De vaststellingen die niet door de afschriften worden onderbouwd kunnen deels worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die het hof eerder in de bewijsoverweging noemt. Het hof leidt onder het kopje ‘Verantwoordelijkheid verdachte’ uit daar genoemde verklaringen af dat verdachte de letselschadezaken van [aangever 1] en [aangever 2] behandelde. Verder wijst het hof op de verklaring van [betrokkene 1] inhoudend dat de verdachte ‘alle letselschadezaken behandelde’ en ‘de gehele (financiële) administratie van [A] Juristen deed’. En op een proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat [aangever 5] en de verdachte gemachtigd waren ten aanzien van de derdengeldenrekening van [A] Juristen. Deze feiten en omstandigheden vormen een toereikende onderbouwing van vaststelling (2) en een gedeeltelijke onderbouwing van vaststelling (3), voor zover inhoudend dat de blijkens de bankafschriften van [C] ontvangen bedragen zijn ontvangen met het doel deze aan te wenden ten behoeve van de afwikkeling van de letselschade van [aangever 2] .
37. Uit de bladzijde van het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] waar het hof in voetnoot 1 naar verwijst volgt wel dat deze aldaar heeft verklaard te hebben ‘geconstateerd dat [A] juristen in dit geval vermoedelijk [verdachte] , 37.500 euro heeft ontvangen van [B] betreffende voorschotten ten behoeve van mijn zwager [aangever 1] ’. Uit de plaats van deze voetnoot blijkt evenwel dat het hof aan deze pagina alleen heeft ontleend ‘dat [aangever 1] in zijn letselschade zaak juridisch werd bijgestaan door de verdachte’. Uit de bladzijden van het proces-verbaal van bevindingen waar het hof in voetnoot 13 naar verwijst volgt ook dat bedragen zijn bijgeschreven door [B] . Aan deze bladzijden heeft het hof evenwel alleen ontleend ‘dat uit het dossier niet is gebleken dat er op of rond 25 maart 2011 met een bedrag van € 10.000,- corresponderende opnames zijn gedaan van bankrekeningen van [A] Juristen of van de verdachte. [27]
39. Daarmee blijft staan dat uit de vermelde redengevende feiten en omstandigheden niet volgt dat op de derdengeldenrekening gelden van [B] zijn ontvangen (1) en daarmee ook niet dat deze gelden grotendeels zijn aangewend voor andere doeleinden en dat de ontvangen voorschotten van [B] deels in diverse transacties zijn overgeboekt naar een rekening op naam van de verdachte (4). Ook volgt uit de vermelde redengevende feiten en omstandigheden niet dat de verdachte de afschriften van de rekening eindigend op - [002] op zijn huisadres ontving (5).
39. Voor zover het middel de klacht bevat dat de geciteerde passages redengevende feiten en omstandigheden behelzen die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, slaagt het gedeeltelijk.
39. De steller van het middel voert in verband met de klacht dat de bewijsoverwegingen ook overigens onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden behelzen om de bewezenverklaring van beide feiten op te baseren aan dat uit de bewijsoverwegingen niet kan worden afgeleid waar en wanneer de verdachte de bewezenverklaarde feiten zou hebben begaan, dat [A] juristen überhaupt enig bedrag ten behoeve van [aangever 1] van [B] heeft ontvangen, welke afspraken met [aangever 1] zijn gemaakt over verrekening van buitengerechtelijke kosten met voorschotten, welke bedragen aan [aangever 1] en [aangever 2] toekwamen, welke bedragen aan [aangever 2] en [aangever 1] zijn overgemaakt, welke bedragen van de derdengeldrekening anderszins zijn aangewend door de verdachte, en waarom afspraken zijn geschonden en teruggave van gelden aan [aangever 1] en [aangever 2] onmogelijk is gemaakt dan wel aanmerkelijk is bemoeilijkt. Omdat de bewijsvoering in deze opzichten gebrekkig is, zou daaruit ook niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk geldbedragen die toebehoorden aan [aangever 1] en [aangever 2] zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
39. In verband met de klacht dat uit de bewijsoverwegingen niet kan worden afgeleid waar en wanneer de verdachte de bewezenverklaarde feiten zou hebben begaan, wijs ik erop dat de vijf bankafschriften als adres van [A] Juristen-derdengelden vermelden: [postbus] , [plaats] , en dat de bankafschriften de dagen vermelden waarop de afschrijvingen plaatsvonden waarin het hof, zo volgt uit de bewijsoverweging, het zich wederrechtelijk toe-eigenen van aan [aangever 1] en [aangever 2] toebehorende geldbedragen heeft gezien. In aanmerking genomen dat in hoger beroep geen verweer is gevoerd inzake de pleegplaats en pleegperiode meen ik dat de klacht in zoverre faalt.
39. De deelklacht slaagt, zo volgt al uit het voorgaande, voor zover zij inhoudt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat [A] juristen een bedrag ten behoeve van [aangever 1] van [B] heeft ontvangen. Zij faalt, zo volgt eveneens uit het voorgaande, voor zover wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering niet volgt dat met [aangever 1] afspraken zijn gemaakt over de verrekening van buitengerechtelijke kosten met voorschotten. Het hof stelt slechts vast het niet kan uitsluiten dat dergelijke afspraken zijn gemaakt.
39. Met de steller van het middel meen ik dat uit de bewijsvoering niet volgt welke bedragen aan [aangever 1] en [aangever 2] toekwamen. Dat is evenwel ook niet noodzakelijk om tot een sluitende bewijsvoering van de tenlastegelegde verduistering te kunnen komen. Daarvoor is toereikend dat de verdachte zich aan [aangever 1] en [aangever 2] toebehorende geldbedragen die hij anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend. In zoverre faalt de deelklacht.
39. Voor zover wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering niet volgt welke bedragen aan [aangever 1] en [aangever 2] zijn overgemaakt, merk ik op dat uit de in de voetnoot vermelde bankafschriften volgt dat op 27 augustus 2007, voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode, € 2.000,00 aan [aangever 2] is overgemaakt, en dat in de bewezenverklaarde periode op 22 mei 2009 € 7.500,00 aan [aangever 2] is overgemaakt. Het hof heeft, naar aanleiding van een gevoerd verweer, overwogen dat het niet aannemelijk geworden acht dat op 25 maart 2011 € 10.000,- contant aan [aangever 1] is uitbetaald, en dat geen contante betalingen ten behoeve van [aangever 2] hebben plaatsgevonden. Uit de bewijsvoering volgt niet expliciet welke bedragen (in totaal) aan [aangever 1] en [aangever 2] zijn overgemaakt. In de pleitnota is evenwel niet aangevoerd dat er meer bedragen aan [aangever 2] zijn overgemaakt (randnummer 31). En in de pleitnota is evenmin aangevoerd dat meer bedragen aan [aangever 1] zijn overgemaakt dan de daar genoemde € 5.000,- (randnummer 42). Tegen die achtergrond meen ik dat uit de bewijsvoering toereikend volgt dat het hof heeft vastgesteld dat alleen deze beide bedragen aan [aangever 2] zijn overgemaakt. De deelklacht faalt in zoverre.
39. Dat bedragen van de derdengeldenrekening niet aan [aangever 1] of [aangever 2] zijn overgemaakt maar voor andere doelen zijn aangewend heeft het hof uit de drie genoemde bankafschriften kunnen afleiden. Daaruit volgt dat grote bedragen zijn overgemaakt op de rekeningen van [A] juristen en de verdachte en dat bedragen voor (onder meer) consumptieve doeleinden zijn aangewend. Dat, met uitzondering van de UWV declaraties van respectievelijk € 1.762,- en € 766,36, geen afspraken zijn gemaakt over het verrekenen van voorschotten met buitengerechtelijke kosten, heeft het hof kennelijk afgeleid uit een verklaring van [aangever 2] (zie onder het kopje ‘Verrekening kosten’). Dat de teruggave van gelden door het met de voorschotten aanvullen van tekorten op de rekening aanmerkelijk werd bemoeilijkt, heeft het hof kunnen afleiden uit de saldi op de derdengeldenrekening die uit de drie bankafschriften naar voren komen. De deelklacht faalt ook in zoverre.
39. De klacht dat de bewijsoverwegingen ‘ook overigens’ onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden behelzen om de bewezenverklaarde feiten op te baseren slaagt gedeeltelijk.
39. De steller van het middel voert tenslotte aan dat de bewijsvoering ook overigens niet de conclusie rechtvaardigt dat de verdachte zich opzettelijk de bewezenverklaarde geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. De overweging dat niet kan worden uitgesloten dat met [B] en/of [aangever 1] is overeengekomen dat een bepaald bedrag aan buitengerechtelijke kosten kon worden verrekend met voorschotten maar dat de mogelijke omvang van het uiteindelijk vastgestelde bedrag in elk geval lager ligt dan de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen zou mede gelet op het ter zake gevoerde verweer onbegrijpelijk zijn. De steller van het middel wijst er daarbij op dat het hof niets heeft vastgesteld over de omvang van de buitengerechtelijke kosten of over de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen, ‘terwijl door de raadsman (gedocumenteerd) is betoogd dat het eerste bedrag het tweede ruimschoots overtrof’, zodat de verdachte ten tijde van het ingrijpen door politie en justitie niet gehouden zou zijn geweest meer betalingen te doen dan daadwerkelijk aan [aangever 1] zijn gedaan.
39. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen niets vastgesteld inzake (de hoogte van de) ten behoeve van [aangever 1] ontvangen geldbedragen. Daaruit volgt reeds dat het hof in de bewijsoverwegingen ook niets heeft vastgesteld inzake de hoogte van de resterende geldbedragen die nog aan [aangever 1] toekwamen. Dat brengt – meen ik – mee dat de bewijsvoering in het licht van de geciteerde passage (zie randnummer 27) inderdaad niet zonder meer begrijpelijk is. Dat de mogelijke omvang van de te verrekenen buitengerechtelijke kosten in elk geval aanzienlijk lager moet zijn dan de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen kan pas worden vastgesteld als duidelijk is welke (resterende) bedragen aan [aangever 1] toekomen.
39. De steller van het middel vestigt voorts de aandacht op de passage (onder het kopje ‘Verantwoordelijkheid verdachte’) waarin het hof concludeert dat de verdachte ‘persoonlijk verantwoordelijk was voor de juiste afwikkeling van de gelden die ten behoeve van zijn klanten werden overgeboekt naar de derdengeldenrekening van [A] Juristen en als feitelijk heer en meester kon beschikken over de aan [aangever 1] en [aangever 2] toekomende gelden’ . Dat de verdachte over de gelden kon beschikken zou niet de gevolgtrekking rechtvaardigen dat hij daarover daadwerkelijk heeft beschikt. De steller van het middel wijst voorts op de passages (onder het kopje ‘Wederrechtelijke toe-eigening’) inhoudend dat verdachte ‘op zijn minst genomen moet hebben geweten wat zich op deze rekening afspeelde’ en dat ‘voor zover deze transacties niet ten gunste van de verdachte zijn gekomen’ geldt ‘dat hij in ieder geval die rekening beheerde en dat het niet anders kan dan dat hij moet hebben geweten dat dergelijke transacties plaatsvonden’. Dat de verdachte wist dat transacties van een rekening plaatsvonden zou niet de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte zich de betreffende geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. De steller van het middel attendeert in dit verband op de conclusie van A-G Aben voor het arrest dat in deze zaak eerder gewezen is.
39. In dat eerdere arrest lag het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank voor, waarin de rechtbank onder het kopje ‘Wederrechtelijke toe-eigening’ had vastgesteld dat voorschotten die bestemd waren voor [aangever 1] en [aangever 2] en op de derdengeldenrekening van [A] juristen waren bijgeschreven ‘tot bedragen van respectievelijk € 32.500 en € 37.500 niet aan hen zijn doorbetaald’. Aldus had verdachte ‘die deze zaken behandelde en verantwoordelijk was’ voor deze bedragen ‘naar het oordeel van de rechtbank de betreffende geldbedragen zich opzettelijk wederrechtelijk toegeëigend, uit hoofde van zijn beroep van juridisch dienstverlener’. A-G Aben betrok in zijn conclusie op basis van een analyse van de jurisprudentie inzake verduistering het standpunt ‘dat wil sprake zijn van wederrechtelijke toe-eigening van geld (in de zin van verduistering) zoals in de onderhavige zaak centraal staat, de bewijsmiddelen moeten uitwijzen dat de verdachte het geld tegen de afspraken in heeft beheerd en/of dat hij de teruggave van het geld onmogelijk heeft gemaakt of aanmerkelijk heeft bemoeilijkt’. Daarvan bleek niet uit de bewijsvoering in het bevestigde vonnis (randnummers 19, 23). Uw Raad overwoog dat uit de bewijsvoering kort gezegd bleek dat ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] naar de derdengeldenrekening van [A] juristen overgemaakte geldbedragen ‘niet (geheel) aan de begunstigden zijn doorbetaald en dat de verdachte, die verantwoordelijk was voor de bijgeschreven bedragen, toegang had tot deze gelden’. Hieruit kon volgens Uw Raad ‘niet zonder meer volgen dat de verdachte zich de desbetreffende geldbedragen op de derdengeldenrekening van de maatschap wederrechtelijk heeft toegeëigend’.
39. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje ‘Verantwoordelijkheid verdachte’ uiteengezet dat en waarom de verdachte ‘als heer en meester over de ontvangen voorschotten heeft kunnen beschikken’. Het wijst erop dat uit verklaringen van [aangever 3] , [aangever 3] - [aangever 1] , [betrokkene 2] en [aangever 2] naar voren komt ‘dat het de verdachte was die de letselschadezaken van [aangever 1] en [aangever 2] behandelde’. Het hof overweegt vervolgens dat [betrokkene 1] , die tussen april 2005 en maart 2007 werkzaam was bij [A] Juristen, heeft verklaard 'dat de verdachte alle letselschadezaken behandelde' en 'de gehele (financiële) administratie van [A] Juristen deed’. Dat [aangever 5] net als de verdachte gemachtigd was ten aanzien van de derdengeldenrekening betekent volgens het hof niet ‘dat hij verantwoordelijk was voor de afhandeling van de gelden die ten behoeve van klanten van de verdachte op die derdengeldenrekening werden overgemaakt’. Op basis van een en ander trekt het hof de conclusie ‘dat het de verdachte is geweest die persoonlijk verantwoordelijk was voor de juiste afwikkeling van de gelden die ten behoeve van zijn klanten werden overgeboekt naar de derdengeldenrekening van [A] Juristen en als feitelijk heer en meester kon beschikken over de aan [aangever 1] en [aangever 2] toekomende gelden.’
39. Uit de opbouw van de overwegingen van het hof volgt dat het hof daarmee niet vaststelt dat de verdachte daadwerkelijk over de gelden heeft beschikt. Het hof heeft in de overwegingen onder het kopje ‘Verantwoordelijkheid verdachte’ slechts vastgesteld dat de verdachte als heer en meester over de gelden kon beschikken, en daarmee in een positie verkeerde waarin hij zich deze gelden wederrechtelijk kon toe-eigenen. Voor zover het middel van een andere lezing van ’s hofs overwegingen uitgaat, faalt het.
39. Onder het kopje ‘Wederrechtelijke toe-eigening’ stelt het hof voorop ‘dat van toe-eigenen in de zin van verduistering sprake is indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort’. In de daaropvolgende overwegingen staan enkele redengevende feiten en omstandigheden waarbij het hof, zo bleek, niet heeft aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen zij zijn ontleend. Andere redengevende feiten en omstandigheden volgen uit de in een voetnoot vermelde rekeningafschriften. Het hof heeft daaruit in het bijzonder kunnen afleiden dat voorschotten van [C] op de derdengeldenrekening zijn ontvangen, dat daaropvolgend telkens (grote) bedragen van deze rekening zijn overgeboekt naar een rekening van de verdachte (- [002] ) en dat van de derdengeldenrekening diverse consumptieve uitgaven zijn gedaan waarvan ‘in ieder geval enkele’ erop duiden ‘dat deze ten gunste zijn gekomen van de verdachte’.
39. Het hof trekt uit de genoemde vaststellingen evenwel niet ondubbelzinnig de conclusie dat de verdachte de bedragen naar zijn rekening heeft overgeboekt en dat hij de betreffende consumptieve uitgaven heeft gedaan. [28] Inzake de rekening eindigend op - [002] overweegt het hof dat het in het dossier geen bevestiging ziet voor de stelling van de verdachte ‘dat dit een rekening was die in beheer was bij [aangever 5] ’. En het stelt vervolgens vast dat de verdachte ‘op zijn minst genomen moet hebben geweten’ wat zich op de rekening eindigend op - [002] afspeelde. Die vaststelling kan – meen ik – echter niet de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich geldbedragen toebehorend aan [aangever 1] en [aangever 2] wederrechtelijk heeft toegeëigend. De enkele omstandigheid dat consumptieve uitgaven ten gunste van de verdachte zijn gekomen, impliceert ook nog niet dat hij zich geldbedragen toebehorend aan [aangever 1] en [aangever 2] zelf heeft toegeëigend. Bij transacties die ‘niet ten gunste van de verdachte zijn gekomen’ overweegt het hof ‘dat hij in ieder geval die rekening beheerde en dat het niet anders kan dan dat hij moet hebben geweten dat dergelijke transacties plaatsvonden’. Dat kan het kennelijk oordeel van het hof dat hij zich aan [aangever 1] en [aangever 2] toebehorende bedragen heeft toegeëigend – meen ik – ook niet dragen. Voor een veroordeling wegens het plegen van verduistering is vereist dat de verdachte zelf (als heer en meester) ‘beschikt’ over een goed dat aan een ander toebehoort. [29] Een en ander wordt niet anders in het licht van de vaststelling ‘dat die consumptieve uitgaven volledig in strijd zijn met de strikte regels die gelden voor het beheer van een derdengeldenrekening’. Ook uit die vaststelling volgt niet dat de verdachte zelf als heer en meester over aan [aangever 1] en [aangever 2] toekomende geldbedragen heeft beschikt.
56. Voor zover het hof heeft overwogen dat door het met de voorschotten aanvullen van tekorten op de rekening teruggave van de gelden aan [aangever 2] onmogelijk werd gemaakt, althans aanmerkelijk werd bemoeilijkt, merk ik op dat deze formulering werd gebezigd in een zaak waarin Uw Raad op 6 juli 1999 arrest wees. [30] In die zaak was geld dat als gevolg van een vergissing door de Belastingdienst op een rekening van de verdachte was gestort op een depositorekening gezet en overgemaakt naar een rekening bij een bank in Zwitserland. Uw Raad overwoog dat in een dergelijk geval voor een bewezenverklaring vereist is dat de verdachte ‘zichzelf of de belastingplichtige voor wie hij optreedt in de onmogelijkheid heeft gebracht het (…) bedrag terug te geven’. In de onderhavige zaak is het niet de verdachte die de bedragen op de derdengeldenrekening heeft gestort; uit de rekeningafschriften blijkt van bedragen die afkomstig zijn van [C] . Daarbij valt uit de bankafschriften niet (zonder meer) af te [plaats] dat het telkens nadat [C] bedragen had overgemaakt niet mogelijk was deze bedragen aan [aangever 2] over te maken. Het zijn de bedragen die nadien telkens op andere rekeningen zijn overgemaakt alsmede de consumptieve bestedingen die teruggave hebben bemoeilijkt. Van dat overmaken en besteden heeft het hof (zie het voorgaand randnummer) evenwel niet voldoende duidelijk vastgesteld dat het om gedragingen van de verdachte gaat. Daarmee kan ook deze overweging de bewezenverklaring van beide feiten niet dragen.
57. De derde deelklacht slaagt.
57. Daarmee slaagt het middel.

Bespreking van het derde middel

59. Het derde middel bevat de klacht dat de strafoplegging niet naar behoren is gemotiveerd, nu het hof ten nadele van de verdachte in de strafmotivering zou hebben betrokken dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit, terwijl het Uittreksel Justitiële Documentatie waar het hof naar verwijst geen steun biedt voor de stelling dat de verdachte voorafgaand aan de onderhavige feiten onherroepelijk is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
59. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich bij de uitoefening van zijn beroep als juridisch dienstverlener meermalen schuldig gemaakt aan verduistering van gelden van twee van zijn klanten, [aangever 1] en [aangever 2] . Hij heeft aanzienlijke bedragen van door de verzekeraars uitgekeerde voorschotten ten aanzien van letselschade niet aan zijn klanten doorbetaald, terwijl zij daar wel recht op hadden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij gedurende meerdere jaren twee kwetsbare personen, die beiden door een ongeval blijvend letsel hadden en slechts beperkt konden functioneren, structureel op die manier heeft gedupeerd. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie als juridisch dienstverlener en de vertrouwenspositie die hij met zijn klanten had, heeft hij geschaad. Het hof acht het kwalijk dat de verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.’
61. Het Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 maart 2022 bevindt zich bij de stukken van het geding. Onder het kopje ‘Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven’ wordt een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2018 vermeld die op 12 maart 2019 onherroepelijk is geworden. Van feit 1 en feit 2 is blijkens het uittreksel vrijgesproken, voor feit 3, met als pleegdatum 22 oktober 2013, is een voorwaardelijke geldboete opgelegd. Daarnaast vermeldt het uittreksel onder dat kopje de beslissing van een politierechter in de rechtbank Overijssel van 4 juni 2014 inzake een op 22 oktober 2013 gepleegd feit, met als status ‘Niet onherroepelijk’ alsmede twee zaken waarin de verdachte door de politierechter is vrijgesproken. Onder het kopje ‘Buitenlandse zaken’ staat een op 16 december 2020 onherroepelijk geworden veroordeling in België wegens deelneming aan een criminele organisatie met als pleegperiode 1 februari 2016 tot en met 20 mei 2019.
61. Uw Raad heeft in een arrest van 16 april 2024 het volgende overwogen: [31]
‘2.4.1 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter mag bij de strafoplegging rekening houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en dit feit wordt vermeld ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968). Daarbij wordt, mede gelet op artikel 78b van het Wetboek van Strafrecht, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
2.4.2 Als in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd – al dan niet soortgelijk – feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, moet de veroordeling of de strafbeschikking voor dat feit in beginsel onherroepelijk zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Maar als met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte ondanks een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo’n strafbaar feit – bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet ervan heeft weerhouden opnieuw zo’n strafbaar feit te begaan – moet de veroordeling of de strafbeschikking voor dat niet tenlastegelegde feit al onherroepelijk zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.’
63. De strafbare feiten waarvoor de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld zijn begaan in de periode van 21 oktober 2008 tot en met 18 juni 2011 en in de periode van 1 mei 2009 tot en met 13 december 2011. De onherroepelijke veroordeling tot een voorwaardelijke geldboete en de veroordeling in België dateren van nadien. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.
63. Het middel slaagt.

Afronding

65. De drie middelen slagen. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Indien Uw Raad de zaak terugwijst, kan een schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn bij het hof aan de orde worden gesteld. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
65. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , p. 177.
2.Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 3] afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 29 juli 2014.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 1] , p. 275.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 225.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 5] door de rechter-commissaris op 12 januari 2015; Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 5] , p. 283.
6.Proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , p. 540.
7.Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] , p. 271-272
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 912.
9.Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 2] , p. 610.
10.Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 2] , p. 609.
11.Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] door de rechter-commissaris op 2 februari 2016.
12.Proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 3] door de rechter-commissaris op 29 juli 2014.
13.Proces-verbaal van bevindingen, p. 866-867.
14.Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 2] , p. 609.
15.HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253.
16.Rekeningafschriften p. 604 t/m. 608.
17.Zie over dat eerdere andere voorstel (bij klemmende redenen een termijn van zes weken) de conclusie van A-G Bleichrodt voor HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1801, noot 8.
19.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:458.
20.Alleen voor die situatie geldt de regeling van art. 345, derde en vierde lid, Sv. Na een tussenarrest wordt de zaak (per definitie) op de bestaande tenlastelegging opnieuw of verder onderzocht.
21.Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1801.
22.HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424,
23.In mei 2009 € 258,90; op 26 maart 2010 € 810,00; op 7 juni 2010 € 58,00; op 9 juni 2010 € 1.200,00; op 15 juni 2010 € 595,00; op 21 juni 2010 € 196,00; op 28 juni 2010 € 1.300,00; op 30 juni 2010 € 400,00 en op 2 juli 2010 € 4.000,00
24.Op 13 mei 2009 € 1,000,00; op 30 maart 2010 € 2.500,00; op 21 juni 2010 € 2.000,00; op 24 juni 2010 € 1.500,00; op 30 juni 2010 € 4.000,00.
25.Die onderbouwing is wel te vinden in het vonnis van de rechtbank dat door het hof is vernietigd. Daarin is overwogen dat ‘door [B] onder meer op 21 oktober 2008, 28 december 2009 en 18 maart 2011 bedragen van respectievelijk € 5.000,- € 15.000,- en € 7.500,- aan voorschotten ten gunste van [aangever 1] (zijn) uitgekeerd’ op de derdengeldenrekening, met verwijzing naar een proces-verbaal van bevindingen. Dat betekent naar het mij voorkomt evenwel nog niet dat belang bij cassatie ontbreekt. Vgl. HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0296 en de voorafgaande conclusie van A-G Machielse, randnummer 4.2. Zie HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133 voor een zaak waarin belang bij cassatie wel ontbrak.
26.Het afschrift van 3 juni 2009 vermeldt een tekort van € 2.649,04; het afschrift van 7 april 2010 vermeldt een tekort van € 4.520,25; het afschrift van 7 juli 2010 vermeldt een tekort van € 201,56.
27.Dat [B] in de bewezenverklaarde periode € 37.500,- heeft gestort op de derdengeldenrekening van [A] kan ook worden afgeleid uit een (niet in de voetnoten genoemde) pagina uit het proces-verbaal van bevindingen met antwoorden van [betrokkene 2] (vgl. voetnoot 4).
28.Vgl. in dit verband ook de beslissing van het hof in de ontnemingszaak, waarin het hof overweegt dat niet is ‘vast te stellen dat de bedragen, die als voorschot zijn overgemaakt op deze derdenrekening, alleen ten goede van de verdachte zijn gekomen’ en komt tot een pondspondsgewijze verdeling.
29.Vgl. Hofstee in:
30.HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1370,
31.HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:593.