39. Daarmee blijft staan dat uit de vermelde redengevende feiten en omstandigheden niet volgt dat op de derdengeldenrekening gelden van [B] zijn ontvangen (1) en daarmee ook niet dat deze gelden grotendeels zijn aangewend voor andere doeleinden en dat de ontvangen voorschotten van [B] deels in diverse transacties zijn overgeboekt naar een rekening op naam van de verdachte (4). Ook volgt uit de vermelde redengevende feiten en omstandigheden niet dat de verdachte de afschriften van de rekening eindigend op - [002] op zijn huisadres ontving (5).
39. Voor zover het middel de klacht bevat dat de geciteerde passages redengevende feiten en omstandigheden behelzen die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, slaagt het gedeeltelijk.
39. De steller van het middel voert in verband met de klacht dat de bewijsoverwegingen ook overigens onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden behelzen om de bewezenverklaring van beide feiten op te baseren aan dat uit de bewijsoverwegingen niet kan worden afgeleid waar en wanneer de verdachte de bewezenverklaarde feiten zou hebben begaan, dat [A] juristen überhaupt enig bedrag ten behoeve van [aangever 1] van [B] heeft ontvangen, welke afspraken met [aangever 1] zijn gemaakt over verrekening van buitengerechtelijke kosten met voorschotten, welke bedragen aan [aangever 1] en [aangever 2] toekwamen, welke bedragen aan [aangever 2] en [aangever 1] zijn overgemaakt, welke bedragen van de derdengeldrekening anderszins zijn aangewend door de verdachte, en waarom afspraken zijn geschonden en teruggave van gelden aan [aangever 1] en [aangever 2] onmogelijk is gemaakt dan wel aanmerkelijk is bemoeilijkt. Omdat de bewijsvoering in deze opzichten gebrekkig is, zou daaruit ook niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk geldbedragen die toebehoorden aan [aangever 1] en [aangever 2] zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
39. In verband met de klacht dat uit de bewijsoverwegingen niet kan worden afgeleid waar en wanneer de verdachte de bewezenverklaarde feiten zou hebben begaan, wijs ik erop dat de vijf bankafschriften als adres van [A] Juristen-derdengelden vermelden: [postbus] , [plaats] , en dat de bankafschriften de dagen vermelden waarop de afschrijvingen plaatsvonden waarin het hof, zo volgt uit de bewijsoverweging, het zich wederrechtelijk toe-eigenen van aan [aangever 1] en [aangever 2] toebehorende geldbedragen heeft gezien. In aanmerking genomen dat in hoger beroep geen verweer is gevoerd inzake de pleegplaats en pleegperiode meen ik dat de klacht in zoverre faalt.
39. De deelklacht slaagt, zo volgt al uit het voorgaande, voor zover zij inhoudt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat [A] juristen een bedrag ten behoeve van [aangever 1] van [B] heeft ontvangen. Zij faalt, zo volgt eveneens uit het voorgaande, voor zover wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering niet volgt dat met [aangever 1] afspraken zijn gemaakt over de verrekening van buitengerechtelijke kosten met voorschotten. Het hof stelt slechts vast het niet kan uitsluiten dat dergelijke afspraken zijn gemaakt.
39. Met de steller van het middel meen ik dat uit de bewijsvoering niet volgt welke bedragen aan [aangever 1] en [aangever 2] toekwamen. Dat is evenwel ook niet noodzakelijk om tot een sluitende bewijsvoering van de tenlastegelegde verduistering te kunnen komen. Daarvoor is toereikend dat de verdachte zich aan [aangever 1] en [aangever 2] toebehorende geldbedragen die hij anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend. In zoverre faalt de deelklacht.
39. Voor zover wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering niet volgt welke bedragen aan [aangever 1] en [aangever 2] zijn overgemaakt, merk ik op dat uit de in de voetnoot vermelde bankafschriften volgt dat op 27 augustus 2007, voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode, € 2.000,00 aan [aangever 2] is overgemaakt, en dat in de bewezenverklaarde periode op 22 mei 2009 € 7.500,00 aan [aangever 2] is overgemaakt. Het hof heeft, naar aanleiding van een gevoerd verweer, overwogen dat het niet aannemelijk geworden acht dat op 25 maart 2011 € 10.000,- contant aan [aangever 1] is uitbetaald, en dat geen contante betalingen ten behoeve van [aangever 2] hebben plaatsgevonden. Uit de bewijsvoering volgt niet expliciet welke bedragen (in totaal) aan [aangever 1] en [aangever 2] zijn overgemaakt. In de pleitnota is evenwel niet aangevoerd dat er meer bedragen aan [aangever 2] zijn overgemaakt (randnummer 31). En in de pleitnota is evenmin aangevoerd dat meer bedragen aan [aangever 1] zijn overgemaakt dan de daar genoemde € 5.000,- (randnummer 42). Tegen die achtergrond meen ik dat uit de bewijsvoering toereikend volgt dat het hof heeft vastgesteld dat alleen deze beide bedragen aan [aangever 2] zijn overgemaakt. De deelklacht faalt in zoverre.
39. Dat bedragen van de derdengeldenrekening niet aan [aangever 1] of [aangever 2] zijn overgemaakt maar voor andere doelen zijn aangewend heeft het hof uit de drie genoemde bankafschriften kunnen afleiden. Daaruit volgt dat grote bedragen zijn overgemaakt op de rekeningen van [A] juristen en de verdachte en dat bedragen voor (onder meer) consumptieve doeleinden zijn aangewend. Dat, met uitzondering van de UWV declaraties van respectievelijk € 1.762,- en € 766,36, geen afspraken zijn gemaakt over het verrekenen van voorschotten met buitengerechtelijke kosten, heeft het hof kennelijk afgeleid uit een verklaring van [aangever 2] (zie onder het kopje ‘Verrekening kosten’). Dat de teruggave van gelden door het met de voorschotten aanvullen van tekorten op de rekening aanmerkelijk werd bemoeilijkt, heeft het hof kunnen afleiden uit de saldi op de derdengeldenrekening die uit de drie bankafschriften naar voren komen. De deelklacht faalt ook in zoverre.
39. De klacht dat de bewijsoverwegingen ‘ook overigens’ onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden behelzen om de bewezenverklaarde feiten op te baseren slaagt gedeeltelijk.
39. De steller van het middel voert tenslotte aan dat de bewijsvoering ook overigens niet de conclusie rechtvaardigt dat de verdachte zich opzettelijk de bewezenverklaarde geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. De overweging dat niet kan worden uitgesloten dat met [B] en/of [aangever 1] is overeengekomen dat een bepaald bedrag aan buitengerechtelijke kosten kon worden verrekend met voorschotten maar dat de mogelijke omvang van het uiteindelijk vastgestelde bedrag in elk geval lager ligt dan de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen zou mede gelet op het ter zake gevoerde verweer onbegrijpelijk zijn. De steller van het middel wijst er daarbij op dat het hof niets heeft vastgesteld over de omvang van de buitengerechtelijke kosten of over de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen, ‘terwijl door de raadsman (gedocumenteerd) is betoogd dat het eerste bedrag het tweede ruimschoots overtrof’, zodat de verdachte ten tijde van het ingrijpen door politie en justitie niet gehouden zou zijn geweest meer betalingen te doen dan daadwerkelijk aan [aangever 1] zijn gedaan.
39. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen niets vastgesteld inzake (de hoogte van de) ten behoeve van [aangever 1] ontvangen geldbedragen. Daaruit volgt reeds dat het hof in de bewijsoverwegingen ook niets heeft vastgesteld inzake de hoogte van de resterende geldbedragen die nog aan [aangever 1] toekwamen. Dat brengt – meen ik – mee dat de bewijsvoering in het licht van de geciteerde passage (zie randnummer 27) inderdaad niet zonder meer begrijpelijk is. Dat de mogelijke omvang van de te verrekenen buitengerechtelijke kosten in elk geval aanzienlijk lager moet zijn dan de aan [aangever 1] toekomende resterende bedragen kan pas worden vastgesteld als duidelijk is welke (resterende) bedragen aan [aangever 1] toekomen.
39. De steller van het middel vestigt voorts de aandacht op de passage (onder het kopje ‘Verantwoordelijkheid verdachte’) waarin het hof concludeert dat de verdachte ‘persoonlijk verantwoordelijk was voor de juiste afwikkeling van de gelden die ten behoeve van zijn klanten werden overgeboekt naar de derdengeldenrekening van [A] Juristen en als feitelijk heer en meester kon beschikken over de aan [aangever 1] en [aangever 2] toekomende gelden’ . Dat de verdachte over de gelden kon beschikken zou niet de gevolgtrekking rechtvaardigen dat hij daarover daadwerkelijk heeft beschikt. De steller van het middel wijst voorts op de passages (onder het kopje ‘Wederrechtelijke toe-eigening’) inhoudend dat verdachte ‘op zijn minst genomen moet hebben geweten wat zich op deze rekening afspeelde’ en dat ‘voor zover deze transacties niet ten gunste van de verdachte zijn gekomen’ geldt ‘dat hij in ieder geval die rekening beheerde en dat het niet anders kan dan dat hij moet hebben geweten dat dergelijke transacties plaatsvonden’. Dat de verdachte wist dat transacties van een rekening plaatsvonden zou niet de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte zich de betreffende geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. De steller van het middel attendeert in dit verband op de conclusie van A-G Aben voor het arrest dat in deze zaak eerder gewezen is.
39. In dat eerdere arrest lag het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank voor, waarin de rechtbank onder het kopje ‘Wederrechtelijke toe-eigening’ had vastgesteld dat voorschotten die bestemd waren voor [aangever 1] en [aangever 2] en op de derdengeldenrekening van [A] juristen waren bijgeschreven ‘tot bedragen van respectievelijk € 32.500 en € 37.500 niet aan hen zijn doorbetaald’. Aldus had verdachte ‘die deze zaken behandelde en verantwoordelijk was’ voor deze bedragen ‘naar het oordeel van de rechtbank de betreffende geldbedragen zich opzettelijk wederrechtelijk toegeëigend, uit hoofde van zijn beroep van juridisch dienstverlener’. A-G Aben betrok in zijn conclusie op basis van een analyse van de jurisprudentie inzake verduistering het standpunt ‘dat wil sprake zijn van wederrechtelijke toe-eigening van geld (in de zin van verduistering) zoals in de onderhavige zaak centraal staat, de bewijsmiddelen moeten uitwijzen dat de verdachte het geld tegen de afspraken in heeft beheerd en/of dat hij de teruggave van het geld onmogelijk heeft gemaakt of aanmerkelijk heeft bemoeilijkt’. Daarvan bleek niet uit de bewijsvoering in het bevestigde vonnis (randnummers 19, 23). Uw Raad overwoog dat uit de bewijsvoering kort gezegd bleek dat ten behoeve van [aangever 1] en [aangever 2] naar de derdengeldenrekening van [A] juristen overgemaakte geldbedragen ‘niet (geheel) aan de begunstigden zijn doorbetaald en dat de verdachte, die verantwoordelijk was voor de bijgeschreven bedragen, toegang had tot deze gelden’. Hieruit kon volgens Uw Raad ‘niet zonder meer volgen dat de verdachte zich de desbetreffende geldbedragen op de derdengeldenrekening van de maatschap wederrechtelijk heeft toegeëigend’.
39. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje ‘Verantwoordelijkheid verdachte’ uiteengezet dat en waarom de verdachte ‘als heer en meester over de ontvangen voorschotten heeft kunnen beschikken’. Het wijst erop dat uit verklaringen van [aangever 3] , [aangever 3] - [aangever 1] , [betrokkene 2] en [aangever 2] naar voren komt ‘dat het de verdachte was die de letselschadezaken van [aangever 1] en [aangever 2] behandelde’. Het hof overweegt vervolgens dat [betrokkene 1] , die tussen april 2005 en maart 2007 werkzaam was bij [A] Juristen, heeft verklaard 'dat de verdachte alle letselschadezaken behandelde' en 'de gehele (financiële) administratie van [A] Juristen deed’. Dat [aangever 5] net als de verdachte gemachtigd was ten aanzien van de derdengeldenrekening betekent volgens het hof niet ‘dat hij verantwoordelijk was voor de afhandeling van de gelden die ten behoeve van klanten van de verdachte op die derdengeldenrekening werden overgemaakt’. Op basis van een en ander trekt het hof de conclusie ‘dat het de verdachte is geweest die persoonlijk verantwoordelijk was voor de juiste afwikkeling van de gelden die ten behoeve van zijn klanten werden overgeboekt naar de derdengeldenrekening van [A] Juristen en als feitelijk heer en meester kon beschikken over de aan [aangever 1] en [aangever 2] toekomende gelden.’
39. Uit de opbouw van de overwegingen van het hof volgt dat het hof daarmee niet vaststelt dat de verdachte daadwerkelijk over de gelden heeft beschikt. Het hof heeft in de overwegingen onder het kopje ‘Verantwoordelijkheid verdachte’ slechts vastgesteld dat de verdachte als heer en meester over de gelden kon beschikken, en daarmee in een positie verkeerde waarin hij zich deze gelden wederrechtelijk kon toe-eigenen. Voor zover het middel van een andere lezing van ’s hofs overwegingen uitgaat, faalt het.
39. Onder het kopje ‘Wederrechtelijke toe-eigening’ stelt het hof voorop ‘dat van toe-eigenen in de zin van verduistering sprake is indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort’. In de daaropvolgende overwegingen staan enkele redengevende feiten en omstandigheden waarbij het hof, zo bleek, niet heeft aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen zij zijn ontleend. Andere redengevende feiten en omstandigheden volgen uit de in een voetnoot vermelde rekeningafschriften. Het hof heeft daaruit in het bijzonder kunnen afleiden dat voorschotten van [C] op de derdengeldenrekening zijn ontvangen, dat daaropvolgend telkens (grote) bedragen van deze rekening zijn overgeboekt naar een rekening van de verdachte (- [002] ) en dat van de derdengeldenrekening diverse consumptieve uitgaven zijn gedaan waarvan ‘in ieder geval enkele’ erop duiden ‘dat deze ten gunste zijn gekomen van de verdachte’.
39. Het hof trekt uit de genoemde vaststellingen evenwel niet ondubbelzinnig de conclusie dat de verdachte de bedragen naar zijn rekening heeft overgeboekt en dat hij de betreffende consumptieve uitgaven heeft gedaan.Inzake de rekening eindigend op - [002] overweegt het hof dat het in het dossier geen bevestiging ziet voor de stelling van de verdachte ‘dat dit een rekening was die in beheer was bij [aangever 5] ’. En het stelt vervolgens vast dat de verdachte ‘op zijn minst genomen moet hebben geweten’ wat zich op de rekening eindigend op - [002] afspeelde. Die vaststelling kan – meen ik – echter niet de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich geldbedragen toebehorend aan [aangever 1] en [aangever 2] wederrechtelijk heeft toegeëigend. De enkele omstandigheid dat consumptieve uitgaven ten gunste van de verdachte zijn gekomen, impliceert ook nog niet dat hij zich geldbedragen toebehorend aan [aangever 1] en [aangever 2] zelf heeft toegeëigend. Bij transacties die ‘niet ten gunste van de verdachte zijn gekomen’ overweegt het hof ‘dat hij in ieder geval die rekening beheerde en dat het niet anders kan dan dat hij moet hebben geweten dat dergelijke transacties plaatsvonden’. Dat kan het kennelijk oordeel van het hof dat hij zich aan [aangever 1] en [aangever 2] toebehorende bedragen heeft toegeëigend – meen ik – ook niet dragen. Voor een veroordeling wegens het plegen van verduistering is vereist dat de verdachte zelf (als heer en meester) ‘beschikt’ over een goed dat aan een ander toebehoort.Een en ander wordt niet anders in het licht van de vaststelling ‘dat die consumptieve uitgaven volledig in strijd zijn met de strikte regels die gelden voor het beheer van een derdengeldenrekening’. Ook uit die vaststelling volgt niet dat de verdachte zelf als heer en meester over aan [aangever 1] en [aangever 2] toekomende geldbedragen heeft beschikt.