Conclusie
Nummer22/01740
Nadere bewijsoverweging
Verhoudingen binnen [A] , betrokkenheid [verdachte] bij afwikkeling schadedossiers en verrekening facturen bij afwikkeling schadeadfwikkeling
"U vraagt mij of ik deze kwitantie herken. Nee. U vraagt mij of ik de handtekening of de paraaf van de ontvanger herken. Je zou zeggen dat die van mij is, maar er zit een krulletje in en er staat een punt achter. Ik denk niet dat die paraaf van mij is.”Ten eerste verklaart getuige;
je zou zeggen dat die van mij is. De RC vraagt dan ook nog aan getuige om haar paraaf te plaatsen. Getuige plaats haar paraaf en voorziet die duidelijk van een punt (zie aanhangsel getuigenverhoor 16 febr. 2016). Getuige verklaart voorts dat zij bij [A] nooit kwitanties zou hebben gezien. [verdachte] stelt dat er regelmatig werd gewerkt met kwitanties. Of de opmerking van getuige in haar geval juist is, laat zich thans niet meer onderzoeken. Bij gebrek aan de toegang tot nadere delen van de administratie verkeert [verdachte] verder in de onmogelijkheid dit nader onderbouwen.
....Met [verdachte] is afgesproken dat een Lumpsum van € 20.000,- betaald wordt voor openstaande buitengerechtelijke kosten. Genoemd bedrag zal worden overgemaakt aan benadeelde, die voor verrekening met [verdachte] zal zorgdragen. [verdachte] stelt dat [aangever 3] deze door hem aan [aangever 1] voorgelegde vaststellingsovereenkomst nimmer had moeten laten tekenen. De vergoeding van de [E] is gevolgschade die [B] indien de bedragen reëel zijn volledig dient te compenseren. Dit is niet zo in de vaststellingsovereenkomst opgenomen en geregeld. Het "gat" in de letselschadeuitkering bij [aangever 1] is ontstaan nu [B] niet meer uitkeerde de door [A] Juristen in de periode 2000 t/m 2007 gedeclareerde [E] . Het deel van de [E] , wat sedert oktober 2008, als was verrekend met de voorschotten onder algemene titel op de schade-uitkering, ontbreekt aldus in de door [aangever 3] namens [aangever 1] overeengekomen vaststellingsovereenkomst met [B] . [verdachte] ontkent met klem betrokken te zij bij de "valse" vaststellingsovereenkomst (pag. 69). [aangever 3] heeft uiteindelijk een vaststelling-overeenkomst tot stand gebracht. Niet kan [verdachte] worden verweten gelden te hebben verduisterd onderdeel van een vaststellingsovereenkomst die niet als zodanig door [verdachte] tot stand zou zijn gebracht. En nogmaals [aangever 3] en [aangever 5] hebben in deze zelf geïntervenieerd. Zie verklaring [aangever 5] van 27 december 2011 (pag. 232):
"..Dat is rond april 2011 en dan komt [aangever 3] op bezoek. Hij verteld dat e.e.a. met de zaak van [aangever 1] afgewikkeld zou kunnen worden....en ik zag dat deze brief een vaststellingsovereenkomst bevatte....”. [aangever 5] verklaart vervolgens dat hij niet in gesprek is gegaan met [verdachte] over de afwikkeling, maar dat hij zelf als rechercheur aan de slag is gegaan. Daarbij is [aangever 5] volgens eigen zeggen in gesprek gegaan met [B] . Men is aan de slag gegaan met de afwikkeling buiten [verdachte] om en waarbij nog geen eindafrekening was overeengekomen/vastgesteld.
Bespreking van het eerste middel
Proces-verbaal
[verdachte] ,
Proces-verbaal
[verdachte] ,
BFK: twee handtekeningen]’
Proces-verbaal
[verdachte] ,
Bespreking van het tweede middel
Bespreking van het derde middel
Strafmotivering