ECLI:NL:RVS:2024:268
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor onttrekking woning aan woningvoorraad door gebruik als werkruimte prostitutie
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant een boete op van €20.500,- wegens het zonder vergunning onttrekken van zijn woning aan de woningvoorraad door het gebruik als werkruimte voor prostitutie. Na gedeeltelijke matiging tot €10.250,- verklaarde de rechtbank het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet als functioneel dader kon worden aangemerkt en dat de boete gematigd moest worden wegens bijzondere omstandigheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat appellant wel kon beschikken over het gebruik van de woning, maar dat hij de overtreding heeft aanvaard door onvoldoende toezicht te houden. Appellant kon geen bewijs leveren van een beheerovereenkomst met een makelaar en gaf tegenstrijdige verklaringen over de verhuur en het gebruik van de woning. Ook controleerde hij niet of huurders ingeschreven stonden in de basisregistratie personen.
Verder faalde appellant in het aannemelijk maken van bijzondere omstandigheden die matiging van de boete rechtvaardigen, zoals verminderde verwijtbaarheid of geringe financiële draagkracht. De Afdeling constateerde een motiveringsgebrek in het besluit van 17 maart 2021, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe en passeerde dit gebrek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; boete van €10.250,- bevestigd wegens onttrekking woning aan woningvoorraad door gebruik als werkruimte prostitutie.