Appellant ontving bijstand die in maart 2018 werd ingetrokken. Na meerdere pogingen om bijstand te verkrijgen, werd een verzoek om bijstand met terugwerkende kracht afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd door het college en de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Appellant betwistte de bevoegdheid van degene die het besluit nam en stelde dat hij het intrekkingsbesluit niet tijdig had ontvangen.
De Raad oordeelt dat het afdelingshoofd Juridische Zaken bevoegd was het besluit te nemen, omdat het advies van een ambtelijke commissie was gevolgd. De Raad stelt vast dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het intrekkingsbesluit tijdig is ontvangen, maar dat het bezwaar toch terecht niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend na ontvangst door de gemachtigde.
Verder concludeert de Raad dat onvoldoende bewijs is geleverd voor bijzondere omstandigheden die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen, ondanks psychische klachten en een verstandelijke beperking van appellant. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, het college wordt veroordeeld in proceskosten en het griffierecht wordt vergoed.