Belanghebbende, een rechtspersoon, stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard en zich daarbij aangesloten bij de motieven van een gelijktijdig behandeld arrest (ECLI:NL:HR:2025:792).
Belanghebbende had tevens een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad constateerde een termijnoverschrijding van meer dan twaalf maar minder dan achttien maanden, en kende daarom een vergoeding van € 1.500 toe.
Verder veroordeelde de Hoge Raad de Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie en Veiligheid, in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, waarbij rekening werd gehouden met de samenhang van meerdere zaken en de toepasselijke wegingsfactor voor het verzoek om schadevergoeding.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2025. Hiermee is het geschil over de douanerechten definitief beslecht, met een duidelijke bevestiging van de rechtspraak omtrent termijnoverschrijding en schadevergoeding.