Conclusie
1.Inleiding en overzicht
het kostenverhaal). De mogelijkheid van kostenverhaal vindt haar grondslag in art. 234(5) Gemeentewet. Nadere regels wat betreft de hoogte van het kostenverhaal zijn gesteld in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (Bgpb).
de verhaalbare-kostenlimietter onderscheiding van de opbrengstlimiet bij leges en bepaalde bestemmingsheffingen.
in hoeverrekosten die niet alleen samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, zoals de kosten van parkeerautomaten, in aanmerking mogen worden genomen bij de berekening van het bedrag aan kostenverhaal op grond van art. 2 Bgpb Pro (de kostenberekening). Wat betreft thema’s die niet direct in de onderhavige zaken aan de orde zijn maar waarover duidelijkheid wel van belang is, noem ik in het bijzonder de bewijslastverdeling en de gevolgen van overschrijding van de verhaalbare-kostenlimiet.
de bekendmaking van het maximumbedragdat art. 3 Bgpb Pro bepaalt voor het kostenverhaal. Art. 3 Bgpb Pro bepaalt tevens dat de Minister dit maximumbedrag jaarlijks aanpast en dit aangepaste bedrag voor 1 september bekendmaakt in de Staatscourant. Het maximumbedrag van € 65,30 voor het jaar 2021 is echter ‘pas’ bekendgemaakt op 1 september 2020. In geschil is of dit het rechtsgevolg heeft dat de aanpassing van het maximumbedrag voor 2021 niet geldt. Feitenrechters beantwoorden die vraag eensluidend ontkennend. In
onderdeel 4van deze bijlage zet ik uiteen dat ik het daarmee eens ben.
verhaalbare-kostenlimiet. Een belangrijk deel gaat over de uitleg van de aanhef van art. 2(1) Bgpb, die luidt: “De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag (…) kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen (…)”. In
onderdeel 8kom ik tot onder meer de volgende opvattingen:
nietmede op “het proces van vaststellen van de bij wege van voldoening op aangifte verschuldigde belasting” (8.12).
contre coeur(vgl. 8.19-8.20): indien kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, kunnen de kosten geheel in aanmerking worden genomen bij de kostenberekening, ook al zijn de kosten mede voor andere doeleinden gemaakt (8.18-8.34). Dit sluit namelijk aan bij jurisprudentie over de opbrengstlimiet (8.21-8.24), en vindt ook steun in een toelichting op het Bgpb (8.26). De ‘voor zover’-formulering in art. 2(1) Bgpb verzet zich daartegen niet (8.29). Het komt niet in strijd met de bedoeling van de formele wetgever (8.30-8.33).
inbarenaheffingsaanslagen (8.37-8.43).
mutatis mutandishetzelfde kader te gelden als dat bij de opbrengstlimiet, dus het kader van HR BNB 2009/159 en BNB 2014/149 (8.44-8.45).
onderdeel 4(over de overschrijding van de termijn van bekendmaking van het maximumbedrag voor 2021) en
onderdeel 8(over de verhaalbare-kostenlimiet).
Onderdeel 2bevat een weergave van de relevante bepalingen in de Gemeentewet en het Bgpb.
Onderdeel 3behandelt wetsgeschiedenis en toelichtingen op het Bgpb.
Onderdeel 5geeft een themagewijs overzicht van jurisprudentie van de Hoge Raad over de opbrengstlimiet. Dat overzicht neem ik op, omdat ik meen dat het voor de hand ligt om als uitgangspunt voor de verhaalbare-kostenlimiet zoveel mogelijk aan te sluiten bij die jurisprudentie.
Onderdeel 6bevat een – ditmaal chronologisch – overzicht van de jurisprudentie van de Hoge Raad over het kostenverhaal bij de parkeerbelasting.
Onderdeel 7behandelt – ditmaal weer themagewijs – rechtspraak van feitenrechters over de verhaalbare-kostenlimiet. Dit onderdeel is relatief uitgebreid om meer context te geven bij de (rechts)vragen die in de onderhavige zaken aan de orde zijn.
op1 september 2020 in de Staatscourant gepubliceerd. [7] Ten tijde van de vaststelling van de regeling, althans van het opstellen van de toelichting, werd er kennelijk van uitgegaan dat de publicatie eerder zou zijn. De toelichting vermeldt namelijk:
3.Wetsgeschiedenis en toelichtingen op het Bgpb
Indien gemeenten het instrument van de naheffingsaanslag kostendekkend kunnen hanteren voor een lager bedrag dan het maximum van f 65, mogen zij dit maximum dan toch aan de overtreder berekenen?(…)
Bij de toelichting op artikel 3 wordt Pro gemeld dat gemeenten veelal op een lager bedrag zullen uitkomen dan het maximumbedrag van f 65. Bestaat reeds enig zich op gemeenten die met hun kosten hoger zullen uitkomen? (…).
Wordt in de afweging met overige criteria het criterium <
Artikel 2In dit artikel is een limitatieve opsomming gegeven van de kostencomponenten die mogen doorwerken in de hoogte van de naheffingsaanslag. Overeenkomstig het advies van de Raad van State op de tweede nota van wijziging bij het voorstel van wet inzake parkeerbelastingen (Kamerstukken II 1989/90, 19 405, nr. 13) zijn uitsluitend de reële kostencomponenten opgenomen. In het kader van dit besluit kunnen alleen die kosten worden doorberekend welke rechtstreeks voortvloeien uit het fiscaal afhandelen van het niet betalen van parkeerbelastingen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de aanschaf van hardware, software, applicaties en licenties, de afschrijving op huisvesting, de salarissen van parkeercontroleurs, de kosten van financiële administratie en secretariaatskosten. De kostencomponenten in dit artikel zijn opgenomen in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en ontleend aan een vergelijkende analyse van reële kostenramingen van een aantal gemeenten. Op basis daarvan kan elke gemeente de voor die gemeente relevante, werkelijke kosten berekenen. Ten aanzien van de kostencomponenten informatieverwerkingskosten kan worden opgemerkt dat hieronder tevens worden begrepen de kosten die worden gemaakt voor het verkrijgen van informatie uit een informatiesysteem van een andere organisatie dan de gemeentelijke, ten behoeve van het fiscaal afhandelen van parkeerbelastingen. Overigens vloeit uit artikel 19 van Pro het huidige Reglement kentekenregistratie (Stb. 1974, 547) voort dat raadpleging van dit register door overheidsinstanties kosteloos is.”
9 In artikel 3 worden Pro de kosten van de naheffingsaanslag gemaximeerd. Op welke wijze kunnen de kosten van de wielklem en het wegslepen en bewaren van het voertuig binnen de perken worden gehouden?(…).
4.Gevolgen bekendmaking maximumbedrag kostenverhaal op ‘pas’ 1 september 2020
op1 september 2020 is zo bezien één dag te laat. [37] Daarvan gaan ook de feitenrechters uit (zie hierna).
6.Jurisprudentie Hoge Raad over kostenverhaal bij de parkeerbelasting
7.Rechtspraak feitenrechters
geheelin aanmerking komen als ‘kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting’ (rov. 4.3.2), (ii) kostenverhaal is niet mogelijk (a) met betrekking tot kosten die hooguit zijdelings samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen en (b) voor zover de gemeente kosten al anderszins verhaalt (rov. 4.3.3), en (iii) de ‘voor zover’-formulering in art. 2(1) Bgpb geeft geen aanleiding om de mogelijkheid tot kostenverhaal beperkter uit te leggen (rov. 4.3.4):
nietkunnen worden aangemerkt als ‘kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag’, met de volgende motivering (in rov 4.5.4):
8.Beschouwing over de verhaalbare-kostenlimiet
Inleiding
nietbetaalde parkeerbelastingen”. Iets anders is dat het proces van vaststellen van de bij wege van voldoening op aangifte verschuldigde belasting (gedeeltelijk) zozeer verweven kan zijn met het proces van het opleggen van naheffingsaanslagen dat voor (een deel van) de kosten geldt dat niet goed onderscheid kan worden gemaakt tussen beide processen. Dat betreft in dit kader een andere kwestie, namelijk de uitleg van ‘voor zover deze samenhangen met’. Het voorgaande betekent dat indien het onderscheid bij een bepaalde kostenpost wel kan worden gemaakt en die kostenpost alleen samenhangt met het proces van vaststellen van de bij wege van voldoening op aangifte verschuldigde belasting en niet ook met het proces van het opleggen van naheffingsaanslagen, de kostenpost niet kan worden verhaald.
volledigtoe aan de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Gerechtshof Amsterdam is het daarmee eens (7.19). Gemeente Den Haag rekent minder toe (namelijk ‘slechts’ 50%), maar meent ten principale wel (dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt) dat de kosten volledig zouden kunnen worden toegerekend. [132] Ik ga er op deze plaats van uit, zoals de feitenrechters doen en de gemachtigde ook niet bestrijdt, dat de kosten van parkeerautomaten zijn te scharen onder een van de categorieën kostencomponenten genoemd in art. 2(1) Bgpb. Verder gaat het mij op deze plaats niet om de vraag of er voldoende samenhang is tussen de kosten van parkeerautomaten en de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Het gaat mij er om of als die vraag bevestigend wordt beantwoord (zoals de feitenrechters eensluidend doen; zie 7.19-7.21), de kosten volledig mogen worden toegerekend aan de inning van niet betaalde parkeerbelastingen.
criminal chargeis, aangezien het karakter van kostenverhaal blijft overheersen en (dus) nog steeds niet kan worden gezegd dat het kostenverhaal "a punishment to deter reoffending" is.
inbarenaheffingsaanslagen. Ook die benadering levert echter spanning op met de tekst van art. 2(2) Bgpb. Daarin wordt namelijk gesproken over “het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven”, dus – kort gezegd – het geraamde jaarlijkse aantal naheffingsaanslagen, dus niet beperkt tot de inbare. De door de heffingsambtenaar van gemeente Rotterdam voorgestane uitleg dat onder “nageheven” in de zojuist aangehaalde zinsnede moet worden verstaan “geheven en geïnd” (7.28), is creatief maar past niet goed in de wetsystematiek. De zinsnede houdt namelijk verband met art. 234(5) Gemeentewet (zie 8.35).
mutatis mutandishetzelfde kader heeft te gelden als dat in zaken waarin een beroep wordt gedaan op overschrijding van de opbrengstlimiet, dus het kader van HR BNB 2009/159 en BNB 2014/149 (5.17-5.18). [145] Dit betekent enerzijds dat de bewijslast op de belanghebbende rust ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op overschrijding van de verhaalbare-kostenlimiet en anderzijds dat (verzwaarde) eisen – in de vorm van onder meer een inlichtingenplicht – gelden voor de motivering die de heffingsambtenaar geeft voor zijn betwisting dat de limiet is overschreden (verzwaarde stelplicht).