ECLI:NL:HR:2026:90

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/00911
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over proceskostenvergoeding in belastingzaken met betrekking tot personenauto’s en motorrijwielen

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de hoogte van de proceskostenvergoeding in belastingzaken, specifiek met betrekking tot de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, die op 21 februari 2024 was gedaan. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant had eerder de naheffingsaanslag en de beschikking inzake belastingrente ongegrond verklaard, maar had de belanghebbende wel een vergoeding voor immateriële schade toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat het Gerechtshof de proceskostenvergoeding niet correct had vastgesteld, omdat het de wegingsfactor en het aantal proceshandelingen had verlaagd zonder dat daarover klachten waren ingediend. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 934, waarbij de waarde per punt en de wegingsfactor opnieuw zijn beoordeeld. De Hoge Raad heeft ook de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de kosten van de belanghebbende in de cassatieprocedure en de procedure voor het Hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/00911
Datum23 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 februari 2024, nr. 22/01187 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/2163) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1.1 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 10 mei 2022 het beroep van belanghebbende, gericht tegen de uitspraken op bezwaar betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de bpm) en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, ongegrond verklaard.
2.1.2 Omdat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak voor de bezwaar- en beroepsfase was overschreden, heeft de Rechtbank belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend. Zij heeft de Inspecteur veroordeeld in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft de Rechtbank op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022), in samenhang gelezen met punten 1 en 13 van onderdeel A1 en punt 1 van onderdeel B1 van de bij dat besluit behorende bijlage, vastgesteld op € 541, uitgaande van 2 punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 541.
2.2.1 Belanghebbende heeft bij het Hof geklaagd over de hoogte van de hiervoor in 2.1.2 vermelde vergoeding. Hij stelde dat de Rechtbank, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 (hierna het arrest van 27 mei 2022), bij de berekening van de proceskostenvergoeding had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 759 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022).
2.2.2 Het Hof heeft bij uitspraak van 21 februari 2024 geoordeeld dat de Rechtbank, gelet op het arrest van 27 mei 2022, inderdaad is uitgegaan van het verkeerde bedrag per punt en dat het om die reden de proceskostenvergoeding opnieuw zal vaststellen.
2.2.3 Het Hof stelde vast dat de enige reden voor toekenning van de proceskostenvergoeding was gelegen in het feit dat de redelijke termijn was overschreden en dat om die reden de Staat (
Hoge Raad: bedoeld zal zijn de Inspecteur) is veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, terwijl het beroep van belanghebbende ongegrond was. Hiervan uitgaande en gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 (hierna: het arrest van 10 november 2023), heeft het Hof de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage (tekst 2024) vastgesteld op € 218
,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875. Dit betekent dat de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding niet te laag is vastgesteld, aldus het Hof.
2.2.4 Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en geoordeeld dat er wat betreft het hoger beroep geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
De klachten bestrijden het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof over de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Volgens de klachten had het Hof moeten uitgaan van twee punten zoals de Rechtbank heeft gedaan, en had het Hof ten minste wegingsfactor 0,5 moeten hanteren.
3.2
Deze klachten slagen. Voor zover het hoger beroep van belanghebbende de door de Rechtbank toegekende proceskosten voor de beroepsfase betrof, werd enkel de toegepaste waarde per punt van € 541 bestreden. De Inspecteur heeft in hoger beroep de waarde niet betwist en heeft evenmin gesteld dat bij toepassing van een hogere waarde per punt dan € 541, het Hof de met inachtneming van die hogere waarde per punt opnieuw vast te stellen vergoeding zou moeten matigen.
Onder deze omstandigheden stond het het Hof niet vrij om bij het – met inachtneming van de juiste waarde per punt – opnieuw vaststellen van die vergoeding voor de beroepsfase, die vergoeding in het nadeel van de belanghebbende te wijzigen door ambtshalve de door de Rechtbank vastgestelde wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te verlagen en het in aanmerking te nemen aantal proceshandelingen te verminderen. [2] Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de Hoge Raad in het arrest van 10 november 2023 heeft beslist dat hij voortaan in zaken waarin het beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard en een proceskostenvergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot uitgangspunt neemt dat een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 van toepassing is.
3.3
De Hoge Raad heeft ook de andere klacht over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.4.2
De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep vast op € 934, uitgaande van het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt. [3]

4.Proceskosten

4.1
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
4.2
Over de hoogte van de vergoeding van de kosten van het geding in cassatie overweegt de Hoge Raad als volgt.
4.2.1
Aan belanghebbende is in het geding in cassatie beroepsmatig rechtsbijstand verleend door S.M. Bothof. Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) [4] , gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.
4.2.2
Het beroep in cassatie is ingesteld op 13 maart 2024. Totdat de Hoge Raad het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), had gewezen, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. De Hoge Raad heeft daarom in dat arrest beslist dat hij, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, elke belanghebbende die voor de datum van dat arrest beroep in cassatie heeft ingesteld, in de gelegenheid zal stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast.
4.2.3
In de op 26 september 2025 gewezen arresten met zaaknummers 24/03078bis [5] , 24/03087bis [6] , 24/03106bis [7] , 24/03287bis [8] , 24/03288bis [9] , 24/03388bis [10] , 24/03389bis [11] , 24/03394bis [12] en 24/03395bis [13] (hierna: de arresten van 26 september 2025) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de betrokken belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof (dat is dezelfde gemachtigde die voor belanghebbende optreedt) erin is geslaagd buiten redelijke twijfel te bewijzen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde die ter zake van het cassatieberoep beroepsmatig rechtsbijstand verleende, de besloten vennootschap Bothof Services B.V., beoordeeld naar de situatie op het moment waarop beroep in cassatie is ingesteld, in het jaar 2024 niet het kenmerk heeft van optreden op basis van no cure no pay.
In rechtsoverweging 2.7.1 van de arresten van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad aangekondigd dat met betrekking tot volgende beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke andere door de gemachtigde, Bothof Services B.V., als professionele rechtsbijstandverlener in het jaar 2024 bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte procedure over de bpm waarin de belanghebbende voor de Hoge Raad stelt dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, ervan zal worden uitgegaan dat Bothof Services B.V. niet werkt op basis van no cure no pay.
Gelet op die beslissing over het bedrijfsmodel in 2024 van deze gemachtigde acht de Hoge Raad het niet meer nodig om belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op hem rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure zonder inachtneming van de WHpkv.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank,
- stelt het bedrag van de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank vast op € 934 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 279 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht van € 274 ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, rechtsoverweging 3.3.2, en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:673, rechtsoverweging 3.2.
3.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
4.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.