Conclusie
nietde juistheid betwist van het uitgangspunt dat het hof heeft gekozen. Dat uitgangspunt was dat beoordeeld diende te worden of de vordering tot schadevergoeding die [eiser] jegens [A] had ingesteld, in hoger beroep kans van slagen zou hebben gehad, indien [verweerder] tijdig hoger beroep had ingesteld (r.o. 1). Dit maakt dat op de lezenswaardige, rechtsvergelijkende opmerkingen van de zijde van [verweerder] over de maatstaf die de rechter bij de beoordeling van een beroepsaansprakelijkheidsprocedure dient aan te leggen, niet (uitgebreid) behoeft te worden ingegaan. Mede met het oog op de hierna te bespreken subonderdelen 2(b) en (c) zeg ik er toch het volgende over.
Onderdeel 1richt zich met een rechts- en een motiveringsklacht tegen r.o. 5.
voortdurenvan de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Elders [23] schrijft Rood echter dat de regels van het overeenkomstenrecht in beginsel niet van toepassing zijn op het
beëindigenvan een arbeidsovereenkomst.
aanvullendewerking van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank was kennelijk van oordeel dat de onderhavige situatie door partijen niet was voorzien en dat die leemte in de gegeven omstandigheden op grond van de in het vonnis opgesomde argumenten diende te worden aangevuld door een op de redelijkheid gebaseerde plicht aan te nemen [eiser] voor het gemiste voordeel te compenseren. Door in de nakoming van deze plicht tekort te schieten, pleegde [A] wanprestatie jegens [eiser] , hetgeen haar schadeplichtig maakte, aldus mijn exegese van het rechtbankvonnis.
beperkendewerking van redelijkheid en billijkheid en dat handelen in strijd met die normen en wanprestatie dogmatisch verschillende categorieën vormen. [38] Deze — met een verwijzing naar de uit 1982 daterende zesde druk van Asser/Rutten II onderbouwde — mening, die wel een erg hoge abstractiegraad heeft, komt mij blijkens het vorenstaande in zijn algemeenheid onjuist voor. Ik houd voor juist dat telkens wanneer een overeenkomst naar redelijkheid een verbintenis aan één der partijen oplegt, een toerekenbaar tekortschieten in de nakoming daarvan wanprestatie is, onverschillig of partijen zich het ontstaan van die verbintenis bij contractsluiting hadden gerealiseerd. Dit betekent niet omgekeerd dat elke uit de redelijkheid voortvloeiende verplichting een rechtens afdwingbare verbintenis oplevert [39] . Zou de raadsman van [verweerder] daarop hebben willen attenderen, dan heeft hij gelijk, zonder dat zulks voor deze zaak consequenties heeft.
Onderdeel 2bevat drie motiveringsklachten tegen r.o. 6, te weten:
Onderdeel 3ten slotte betoogt dat het hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, voor het geval het uit het oog heeft verloren dat [eiser] als grondslag voor zijn vordering heeft aangevoerd dat [A] wanprestatie heeft gepleegd door de schade niet te vergoeden die hij — [eiser] — heeft geleden als gevolg van het niet kunnen uitoefenen van de opties.
Conclusie