ECLI:NL:PHR:1998:AA2453
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kwalificatie van winstdelende obligaties als kapitaal of schuld in vennootschapsbelasting
De zaak betreft een fiscale geschil tussen N.V. X en de staatssecretaris van Financiën over de vraag of de omwisseling van winstdelende obligaties in cumulatief preferente aandelen een bedrag ten laste van de belastbare winst van N.V. X oplevert.
N.V. X had in de jaren zeventig en tachtig verschillende vormen van achtergestelde converteerbare obligaties en winstdelende obligaties uitgegeven, die nauw verbonden waren met de participatie van A B.V. in het aandelenkapitaal. Het hof Amsterdam oordeelde dat de winstdelende obligaties in wezen vreemd vermogen waren en dat de vergoeding daarvoor als kosten in aanmerking kwam, waardoor een bedrag ten laste van de winst moest worden gebracht.
De Hoge Raad stelt dat de civielrechtelijke kwalificatie van de geldlening in beginsel doorslaggevend is, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de geldlening fiscaal als kapitaal moet worden aangemerkt. Hierbij is onder meer van belang of de vergoeding afhankelijk is van de winst, of de lening achtergesteld is, en of er een vaste looptijd is.
De Hoge Raad oordeelt dat de vaste looptijd van vijftig jaar niet gelijkgesteld kan worden met een onbeperkte looptijd, wat essentieel is voor de kwalificatie als kapitaal. Het middel dat het hof ten onrechte uitging van een relatief hoge vaste rente faalt. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.