ECLI:NL:PHR:2001:AA9667
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen afwijzing wrakingsverzoek
In deze zaak heeft verzoeker cassatieberoep ingesteld tegen de afwijzing van zijn wrakingsverzoek tegen drie raadsheren van het gerechtshof die betrokken waren bij een eerdere beslissing. Het wrakingsverzoek was gericht op vermeende partijdigheid van de rechters vanwege een vermoeden van valsheid in geschrift. De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 32 lid 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen de beslissing op een wrakingsverzoek geen hoger beroep of cassatie mogelijk is.
De Hoge Raad bespreekt eerdere jurisprudentie waarin is bevestigd dat alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals het niet toepassen van de wrakingsregeling of het niet in acht nemen van essentiële vormen, een rechtsmiddel kan worden toegelaten. In deze zaak is echter geen sprake van een dergelijke situatie, maar slechts van kritiek op de wijze van toepassing van de regeling.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad de procesrechtelijke vraag over de vorm en termijn van het cassatieberoep tegen een wrakingsbeslissing. De conclusie is dat het beroep binnen de beroepstermijn en in de juiste vorm (dagvaarding van de wederpartij) moet worden ingesteld. Nu verzoeker het cassatieberoep als verzoekschrift heeft ingediend en niet binnen de juiste procedure, is het beroep ook om deze reden niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep derhalve niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke beoordeling van de klacht over de wrakingsbeslissing.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de afwijzing van het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard.