ECLI:NL:PHR:2001:AB0632
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over loonbelastingheffing bij schuldoverneming en niet-verhaalde verkeersboeten
De belanghebbende exploiteert een transportonderneming en betwist een naheffingsaanslag en boete opgelegd door de Inspecteur naar aanleiding van correcties op geschenken, kostenvergoedingen, betaling van achterstallig loon van de vorige werkgever en niet-verhaalde verkeersboeten.
Het hof had geoordeeld dat de belanghebbende inhoudingsplichtige was voor het achterstallige brutoloon van de vorige werkgever en dat de door haar betaalde boeten als loon moesten worden aangemerkt, waarbij de belanghebbende onvoldoende aan haar stelplicht zou hebben voldaan.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld of de belanghebbende daadwerkelijk de brutoloonschuld heeft overgenomen dan wel slechts een nettoloonbedrag heeft betaald, en dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of de BV voldoende liquide was om loon te betalen en of sprake was van inhouding van loonbelasting.
Ten aanzien van de verkeersboeten oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de belanghebbende niet aan haar stelplicht had voldaan en dat het hof onvoldoende heeft meegewogen dat een deel van de boeten voor rekening van de werkgever behoort te komen, mede gelet op een uitspraak van het Hof Arnhem.
De Hoge Raad concludeert dat het arrest van het hof vernietigd moet worden en verwijst de zaak voor nader feitelijk onderzoek terug, waarbij onder meer de fiscale kwalificatie van de boeten en de inhoudingsplicht ten aanzien van het achterstallige loon nader moeten worden onderzocht.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader feitelijk onderzoek.