ECLI:NL:PHR:2001:AB1522
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkte toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel tussen rechtspersoon en natuurlijk persoon
In deze zaak stond centraal of het wederrechtelijk verkregen voordeel dat door een BV was genoten, ook aan haar directeur-grootaandeelhouder kon worden toegerekend voor een ontnemingsmaatregel op grond van art. 36e Sr.
Het hof had geoordeeld dat het enkele feit dat betrokkene enig directeur en groot aandeelhouder was, onvoldoende grond bood om het voordeel dat de BV had genoten aan hem toe te rekenen. De Hoge Raad bevestigt deze terughoudende benadering en benadrukt het legaliteitsbeginsel dat ook bij ontnemingsmaatregelen strikt in acht moet worden genomen.
De Hoge Raad stelt dat vereenzelviging van het vermogen van een rechtspersoon met dat van een natuurlijk persoon slechts aanvaardbaar is indien er sprake is van misbruik van de rechtspersoonlijkheid, waarbij het vermogen van de rechtspersoon met het doel is gebruikt om verhaal op de natuurlijke persoon te frustreren. Het rapport van een financieel deskundige en de processtukken boden onvoldoende aanwijzingen dat het voordeel daadwerkelijk aan betrokkene was toegekomen.
De Hoge Raad wijst ook op het onderscheid tussen vermogensrechtelijke vereenzelviging en doorbraak van aansprakelijkheid en benadrukt dat ontnemingsmaatregelen beperkt moeten blijven tot het voordeel dat de veroordeelde zelf heeft behaald. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat wederrechtelijk verkregen voordeel van de BV niet zonder meer aan de directeur-grootaandeelhouder kan worden toegerekend en wijst het cassatieberoep af.