Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet is uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten. Het oordeel van het hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting, althans het hof heeft zijn uitspraak niet overeenkomstig de eisen van de wet gemotiveerd.
gekozenom de bedragen via de maatschap te laten betalen, aangezien de vennootschappelijke en verbintenisrechtelijke werkelijkheid aan een dergelijke keuze in de weg staat. De ontvangen bedragen vielen in de maatschap en op grond van het maatschapscontract werd per definitie een verdeling gemaakt. De betrokkene was niet in de gelegenheid of in de positie om te besluiten het gerealiseerde voordeel op elk gewenst moment naar zich toe te halen, dan wel het voordeel laten waar het gerealiseerd werd teneinde het op termijn te genieten. Het vermogen van de maatschap was een afgescheiden vermogen waarover de betrokkene, of beter gezegd: zijn praktijkvennootschap [J] B.V., niet de volledige zeggenschap en de beschikking had. Het aan de betrokkene toerekenen van het aandeel dat [betrokkene 2] op grond van het maatschapscontract via diens besloten vennootschap als aandeel in de maatschap heeft ontvangen, is in strijd met het uitgangspunt dat slechts voordeel aan de betrokkene kan worden ontnomen dat hij in het concrete geval daadwerkelijk heeft behaald.
vrijelijkde beschikking krijgt over de opbrengst. [12]