ECLI:NL:PHR:2002:ZC8109
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeel over terugwerkende kracht en bewijsvereisten bij overdrachtsbelasting economische eigendom
De zaak betreft een geschil over de heffing van overdrachtsbelasting op de verkrijging van economische eigendom van onroerende zaken met terugwerkende kracht tot 31 maart 1995, 18:00 uur. De belanghebbende stelde dat hij de economische eigendom reeds vóór dat tijdstip had verkregen en dat het hof ten onrechte bewijsrechtelijke beperkingen had toegepast. De Hoge Raad bevestigt dat economische eigendom geen goederenrechtelijk recht is en dat voor de overgangsregeling schriftelijk bewijs vereist is indien de verkrijging na 31 maart 1995 plaatsvindt.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het bewijsaanbod van getuigenverklaringen heeft gepasseerd omdat de feiten die bewezen moesten worden al als vaststaand waren aangenomen. Tevens is geoordeeld dat de terugwerkende kracht van de reparatiewet niet in strijd is met het EVRM, met name het eigendomsgrondrecht van artikel 1 Eerste Pro Protocol, mits de maatregel proportioneel is en een gerechtvaardigd algemeen belang dient.
De Hoge Raad benadrukt dat de terugwerkende kracht gerechtvaardigd is vanwege het bestrijden van oneigenlijke fiscale constructies en het voorkomen van aankondigingseffecten. De belanghebbende had na de aankondiging van de wetgeving op 31 maart 1995 kunnen afzien van de verkrijging. De bewijsrechtelijke beperking tot schriftelijke overeenkomsten is een lex specialis die niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het internationale recht. De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep verworpen dient te worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de terugwerkende kracht van de wet en de bewijsrechtelijke eisen worden bevestigd.