ECLI:NL:PHR:2003:AF8575
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing nakoming optie-overeenkomst effectenportefeuille tussen zoon en moeder
Uit het huwelijk van de ouders zijn drie kinderen geboren, waaronder eiser en verweerders. Na het overlijden van de vader beheerde eiser de effectenportefeuille van de moeder. Op 15 december 1995 verleende de moeder aan eiser een optie op koerswinst van het aandelenpakket, met een looptijd van vijf jaar. Eiser oefende deze optie uit in 1998, waarna de moeder de bank opdracht gaf tot overboeking van aandelen.
De moeder verklaarde later dat het nooit haar bedoeling was geweest dat eiser de aandelen zou krijgen en dat zij geen van haar kinderen wilde bevoordelen. In kort geding werd eiser veroordeeld tot terugboeking van de aandelen. Na het overlijden van de moeder in 1999 ontstond een geschil over de verdeling van de nalatenschap en de effectenportefeuille.
Eiser vorderde in eerste aanleg nakoming van de optie-overeenkomst, maar de rechtbank wees dit af omdat de moeder had gestreefd naar gelijke behandeling van haar kinderen en een redelijke vergoeding voor het beheer van de effectenportefeuille. Het hof bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat toewijzing van de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, hoewel het hof niet expliciet had beslist over het wilsontbreken van de moeder. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit alsnog moet beoordelen bij verwijzing. Het principale cassatieberoep werd verworpen, waarmee het oordeel van het hof standhield.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat nakoming van de optie-overeenkomst onaanvaardbaar is en wijst het cassatieberoep van eiser af.