Conclusie
functional foodsdie een algemene gezondheid bevorderende werking hebben, maar niet producten die een therapeutische of profylactische werking hebben ten aanzien van specifieke pathogenen (ziekteverwekkers van biologische oorsprong, zoals virussen, bacteriën en schimmels). In cassatie wordt geklaagd dat de ‘specifieke pathogenen’-grens in de procedure te laat aan orde is gekomen en ook als zodanig onbegrijpelijk is.
2.Procesverloop
niet-farmaceutischeproducten of in processen.” [cursivering in het origineel].
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1, dat ziet op rov. 3.5, 4.3, 4.7 t/m 4.14 en het dictum, dat het hof met zijn ‘specifieke pathogenen’-oordeel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, de twee-conclusies-regel heeft miskend, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en/of de feitelijke grondslag heeft aangevuld (
subonderdeel 1.1). Daartoe wordt, samengevat, het volgende aangevoerd. Waar Ablynx steeds heeft gesteld dat de licentie van Unilever c.s. zich in het geheel niet uitstrekt tot medische toepassingen (
subonderdeel 1.1.1), is de stelling- en eiswijziging bij pleidooi (
subonderdeel 1.1.3) in strijd met de twee-conclusies-regel omdat zij aanleiding geeft tot een nieuw debat, namelijk of het überhaupt zinvol is om de gelicentieerde technologie toe passen voor producten met therapeutische (of profylactische) werking anders dan ten aanzien van specifieke pathogenen (
subonderdeel 1.1.4). Deze technologie betreft immers antilichamen die – naar volgt uit de stellingen van Ablynx en van algemene bekendheid is – juist werken ten aanzien van specifieke pathogenen, zodat dit een voor de hand liggende toepassing van de gelicentieerde technologie is (
subonderdelen 1.1.2 en 1.1.5). Hieraan doet niet af (a) dat Unilever c.s. geen bezwaar hebben gemaakt tegen de eiswijziging (rov. 3.5, slotzin) nu zij gezien het partijdebat tot dan toe niet op deze ontoelaatbare verassingsbeslissing van het hof bedacht hoefden te zijn; hieraan doet evenmin af (b) de overweging dat Unilever c.s. onvoldoende hebben bestreden dat deze scheidslijn recht doet aan hetgeen partijen voor ogen stond en van elkaar mochten verwachten (rov. 4.11) nu Unilever c.s. geen reële kans hebben gehad zich daartegen te verweren (
subonderdeel 1.1.7).
subonderdelen 1.1.6 t/m 1.1.9ook een aantal motiveringsklachten en een klacht over miskenning van de devolutieve werking.
subonderdeel 1.1.6).
subonderdeel 1.1.7).
subonderdeel 1.1.8).
subonderdeel 1.1.9).
subonderdeel 2.1(dat geen zelfstandige klacht bevat) in het bijzonder over de oordelen dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst er vanuit gingen dat de licentie zich niet zou uitstrekken tot voedingsproducten met een therapeutische werking (rov. 4.7), dat Unilever een licentie wenste die – afgezien van cosmetica en veeteelt – beperkt was tot niet-farmaceutische producten, waaronder het hof niet-geneesmiddelen verstaat (rov. 4.8) en dat het begrip (verpakt) voedingsmiddel niet kan dienen als scheidslijn omdat dat ook geneesmiddelen kunnen zijn (rov. 4.10). Het onderdeel bevat, samengevat, de volgende klachten.
subonderdeel 2.2 onder (i), (ii), en (iii)).
subonderdeel 2.2 onder (iii) en (iv)).
subonderdeel 2.2 onder (v)).
subonderdeel 2.3).
functional foodeen effect heeft op “target functions in the body” en dus niet op pathogenen. [13] Ter zitting in hoger beroep heeft Ablynx nog opgemerkt dat de ontwikkelingen zich in een pril stadium bevonden en dat Unilever wel functional foods mocht maken met gezondheidsbevorderende werking maar geen antilichamen om pathogenen te bestrijden. [14]
functional foodsen producten die specifieke pathogenen bestrijden (rov. 4.11) komt op zichzelf niet onbegrijpelijk voor. Het hof omschrijft
functional foodsimmers als (voedings)middelen die een ‘algemene’ gezondheid bevorderende werking hebben, in die zin dat daarmee beoogd wordt het intrinsieke functioneren van het lichaam te bevorderen. Het hof noemt voedingsmiddelen ter verhoging van de weerstand, ter verlaging van het cholesterolniveau en/of de bloeddruk, en voor het optimaliseren van het functioneren van de darmen en van organen als de lever en nieren. Denkbaar is dat er dergelijke middelen zijn die niet berusten op de bestrijding van de door het hof bedoelde specifieke pathogenen. [15] Daartegenover staan dan (genees)middelen met een profylactische of therapeutische werking tegen specifieke pathogenen, waaronder het hof verstaat ziekteverwekkers van biologische oorsprong, zoals virussen, bacteriën en schimmels.
pathogenen’ de lichaamseigen stoffen uitsluit. Zij werpen de vraag op waarom de licentie haar wel zou toestaan om de antilichamen in te zetten tegen lichaamseigen ‘ziekteverwekkers’, zoals tumoren of ontspoorde immuunreacties, maar niet tegen ziekteverwekkers van buiten het lichaam. Die grens is volgens Unilever c.s. arbitrair (onder meer nu dit voor de werking van de antilichamen niet uitmaakt). [19]
een pathogeen’ (i) niet-lichaamseigen en (ii) ziekteverwekkend (ofwel pathogeen) is. Onder ‘een pathogeen’ wordt dan niet verstaan ziekmakend lichaamseigen materiaal (zoals kankercellen), en verder ook niet alles wat niet-ziekteverwekkend is.
specifieke pathogenen’.
a specific causative agent (as a bacterium or virus) of disease” (bron: http://www.merriam-webster.com/dictionary/pathogen) of “
An agent causing disease or illness to its host, such as an organism or infectious particle capable of producing a disease in another organism” (bron: http://www.biology-online.org/dictionary/Pathogen'). (…)
functional foodstoelaat, maar niet het gebruik ervan voor de bestrijding van (uiteraard) specifieke pathogenen.
‘specifiekepathogenen’ verbiedt, maar de ontwikkeling van antilichamen tegen ‘pathogenen
in het algemeen’ zou toelaten. Dat zou ‘biologische onzin’ zijn (vgl. Unilever c.s. s.t. nr. 3.4). Zou het arrest wel zou moeten worden gelezen, dan kan het niet in stand blijven.
pathogenen’, en mogen zij wel worden ingezet tegen specifieke niet-pathogenen. Daarbij denkt Ablynx bijvoorbeeld aan antilichamen die werken tegen bepaalde bacteriën in de darmflora en daarmee een algemeen gezondheidsbevorderende (namelijk weerstand verhogende) werking hebben (dupliek nr. 9 op p. 5-6).
functional foods. Gezien de specificiteit van de werking van antilichamen moet het dan gaan om
functional foodsdie specifiek bepaalde bacteriën, schimmels e.d. bestrijden
zonderdat het gaat om pathogenen.
pathogenenen
niet-pathogenen.
onderdeel 1tot een nieuw debat, namelijk of het überhaupt zinvol is om de gelicentieerde technologie toe passen voor producten met therapeutische (of profylactische) werking anders dan ten aanzien van specifieke pathogenen (
subonderdeel 1.1.4).
subonderdeel 1.1.6deze stelling zou verbinden aan de gedachte dat het hof zou hebben miskend dat antilichamen werken tegen
specifiekepathogenen, berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest (zie bij 3.14).
subonderdeel 1.1.5en repliek nr. 11) wijst er voorts op dat volgens Unilever c.s. antilichamen van nature juist – in de zin van ‘bij uitstek’ of ‘primair’ – werken ten aanzien van specifieke pathogenen zodat dit een voor de hand liggende toepassing van de technologie is. Zou die toepassing niet zijn toegestaan dan wordt de licentie voor ‘verpakte voedingsproducten’ uitgehold (repliek nr. 9).
subonderdeel 1.1.7dient naar mijn mening te falen.
.
specifiekepathogenen’. Die klachten berusten op onjuiste lezing van het arrest (zie bij 3.14). De klacht van
subonderdeel 2.2 onder (v)gaat hiervan uit en faalt daarom. Voor zover de klacht van
subonderdeel 1.1.6ook op deze manier moet worden gelezen, faalt zij eveneens.
subonderdeel 2.2 onder (iii) en (iv)), staat er niet aan in de weg dat hetgeen in dat latere stadium van de onderhandelingen door partijen is besproken licht kan werpen op hoe partijen een eerder bereikte onderhandelingsresultaat redelijkerwijs mogen begrijpen. Subonderdeel 2.2 faalt in zoverre.
zonder meer– zou uitstrekken tot producten met een therapeutische werking. Dit hoeft nu eenmaal niet noodzakelijkerwijs te volgen uit de in subonderdeel 2.2 onder (i) en (ii) bedoelde stellingen, zodat de klacht van
subonderdeel 2.2 onder (i) t/m (iii)faalt. Dit geldt ook voor
subonderdeel 2.3, dat erop neerkomt dat het hof had moeten oordelen conform de door Unilever c.s. aan de licentie gegeven uitleg. Die uitleg is niet zo dwingend dat elke andere uitleg onbegrijpelijk zou zijn.
slot van subonderdeel 1.7faalt naar mijn mening. Hieraan staat niet in de weg dat Unilever c.s. zijn uitgegaan van een beperkter begrip ‘geneesmiddel’ dan het hof voor juist heeft gehouden. De overeenkomst is onvoldoende duidelijk over haar reikwijdte en bevat op dit punt een leemte (rov. 4.12).
Subonderdeel 1.8faalt daarom.
subonderdeel 1.1.9. De klacht van
subonderdeel 2.2verwijst
onder (i) en (ii)naar de in subonderdeel 1.1.9 bedoelde stellingen en, voor zover zij is gericht tegen de in rov. 4.8, 4.10 en 4.11-4.12 bedoelde afbakening, zou deze klacht daarom ook slagen.
waaronderde bestrijding van pathogenen, betreffen (subonderdeel 1.1.2) − iets anders dan volledige uitholling. Uit het debat in feitelijke instanties (dat ik bij 3.6.3-3.6.4 heb samengevat en waarover ik bij 3.10.2 een opmerking heb gemaakt) is mij dat echter niet duidelijk geworden. Partijen maken er in cassatie nog enige opmerkingen over (zie bijvoorbeeld Ablynx s.t. nr. 74-54; Unilever c.s. repliek nrs. 10-11). Gezien de onduidelijkheid die op dit punt resteerde na het debat in feitelijke instanties, meen ik dat het middel in
subonderdeel 1.1.7terecht klaagt over de overweging dat Unilever c.s. onvoldoende gemotiveerd hebben bestreden dat de ‘specifieke pathogenen’-scheidslijn recht doet aan hetgeen partijen voor ogen stond en van elkaar mochten verwachten.
onderdeel 3opgenomen veegklacht slaagt in het voetspoor van de slagende subonderdelen van de onderdelen 1 en 2.